Korte verhalen, Schrijven

Een Senticore Kerst

In een verre toekomst dat misschien dichterbij is dan we denken.

Mijn dag begon met een irritante pieptoon. Eerst zacht, alsof hij nog ergens ver weg zweefde, maar al snel kroop het geluid dichterbij, snerpend en indringend.
Ik opende mijn ogen. In de hoek van mijn slaapkamer brandde het rode lampje.
Senticore.
Sinds 2026 op de markt en sinds 2027 in elk huis geïnstalleerd door de overheid.
Hij hield ons in de gaten en bepaalde hoe we ons leven moesten indelen. Wie we zagen, spraken en wanneer we naar ons werk moesten. Het printte schema’s die je tot op de letter moest volgen. Voedselschema’s, beweegschema’s, leefschema’s. Maar het ergste was misschien nog dat het bepaalde hoe we ons moesten voelen. Hoe de overheid wilde dat we ons voelden.
Blij, vrolijk, opgewekt en altijd glimlachend.
Door de golf aan zelfmoorden zat de overheid met de handen in het haar. Jarenlange bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg hadden hun tol geëist. Toen de zorg werd geprivatiseerd werd het nog erger. Niemand kon hulp nog betalen, behalve de rijken, die ervan overtuigd waren dat zij geen problemen hadden. Opvanghuizen werden gesloten. Daarna volgden de bejaarden- en verzorgingstehuizen. Ouderen moesten weer bij hun kinderen intrekken of kwamen op straat terecht.
Er werden geen nieuwe woningen gebouwd door de vele regels van de overheid en de Europese Unie. Mensen bleven thuis wonen tot ze erbij neervielen, of tot hun kinderen hen doodden omdat ze een plek voor zichzelf wilden.
Toen de overheid ontdekte hoe ze emoties konden aflezen uit biometrische lichaamsgolven, kwamen ze met de oplossing om Senticore in ieders huis te installeren.
Hij registreerde alles: je hartslag, je bloeddruk, je huidtemperatuur, je hormoonspiegels, zelfs de microspieren in je gezicht werden afgelezen. Je was een open boek voor een machine die elk signaal doorspeelde naar de overheid en de opgerichte instanties.
In deze wereld was verdriet illegaal. Klagen was gevaarlijk. Mannen deden het zware werk. Vrouwen waren verplicht zich voort te planten, behalve als je rijk was, dan gold niets voor jou.
Als vrouw werd je gekoppeld aan een man door het Ministerie van Stabiliteit. Je lichaam stond geregistreerd als vruchtbaar bezit van de staat. Je moest je baarmoeder beschikbaar stellen en je glimlach oefenen voor het jaarlijkse Vrolijkheidsrapport.
Emoties tonen mocht alleen binnen het goedgekeurde spectrum: dankbaarheid en lichte euforie.
Geen boosheid. Geen trots. Geen uitbundige vrolijkheid. Geen melancholie. Geen rouw.
Ik was dertig en nog steeds ongetrouwd. Het werd gedoogd zolang ik meedeed aan het medicijnentestprogramma en mijn vrolijkheidscertificaten op tijd inleverde. Ik deed wat nodig was om niet op te vallen.

Het was december.

Senticore projecteerde ‘geoptimaliseerde kerstgedachten’ op mijn muren: vlammen in een haard die niet warm werd, holografische bomen met onwerkelijke perfectie. En het ergste was de kerstmuziek.
Niet vals, dat was het probleem niet. Het was juist te perfect. Afgestemd op je gemoedstoestand.
Was je onrustig, dan kreeg je een trage versie van Silent Night die je hartslag probeerde te dempen. Was je te stil, dan knalde It’s the Most Wonderful Time of the Year door de speakers, met een beat die te hard tegen je borst beukte.
Je kon het niet uitzetten. Je kon het niet ontlopen. In huis volgde het je van kamer naar kamer via microfoons en speakers. Buiten via openbare systemen. In winkelstraten speelde aangepaste kerstmuziek die de groepsstemming moest sturen. In het openbaar vervoer hoorde je koortjes die onschuldig leken maar onderhuids eentonig waren. Ontworpen om je te temmen.
En als Senticore dacht dat je niet luisterde, zette hij het volume nét iets harder.
Alsof hij fluisterde: ‘Ik zie je. Je moet blij zijn.’
Elk uur werd een reclame afgespeeld. Vrouwen in lange jurken, handen gevouwen, hoofden gebogen. Ze legden uit hoe je je moest gedragen in het bijzijn van een man, of het nu je vader was of een vreemde. Reclames voor mannen bestonden niet.
Dit had niets te maken met de kerst die ik kende.
Niet met je ouders aan tafel zitten spelletjes spelen. Geen echte versierde kerstboom. Geen cadeaus, geen dennengeur, geen kalkoen die uren in de oven stond.
Bomen waren bestempeld als levende wezens die respect verdienden. En omdat burgers de schuld kregen van de staat van de wereld, niet de bedrijven of overheden, kregen wij de regels.
Cadeaus waren verboden vanwege ongelijke verdeling van middelen. De rijken hadden natuurlijk een uitzondering. Kinderen mochten niet meer geloven in de kerstman. Magie hoorde niet meer bij opvoeding. En de kalkoen was vervangen door een synthetisch, vormloos object met de textuur van een natte spons.
Wat we kregen was een algoritme dat zichzelf gezellig noemde. Het werd opgedrongen zoals de overheid vond dat het moest. Overdag werken en ’s avonds kauwen op spons. Geen gelach. Alleen gereguleerde gezelligheid.
Maar ik herinnerde me nog hoe kerst echt was.
De boom die te scheef stond. Mijn moeder die ieder engeltje recht wilde hangen. Mijn vader die cadeaus uitdeelde terwijl we elkaar vol spanning aankeken. De films die we samen keken.
Ik kon het bijna ruiken, dat speciale, bijzondere kerstmoment. Bijna aanraken.
Toen floepte het rode lampje weer aan.
‘Afwijkende emotie gesignaleerd. Is er iets aan de hand?’
‘Nee, Senticore. Er is niets aan de hand.’
‘Het is te vroeg in de maand voor een hormonale piek. Afwijkende emoties gesignaleerd en een verhoogde lichaamstemperatuur.’
Maakte het vervloekte apparaat nu echt een opmerking over ongesteld zijn?
Ik slikte de woorden in die ik wilde schreeuwen. Ze zouden geregistreerd worden als ongeoorloofd taalgebruik.
‘Het rapport is verstuurd naar het Departement Emotionele Hygiëne,’ klonk Senticore’s zachte, zalvende stem. En na een paar seconden werd het nummer “Let it snow” afgespeeld.
‘Gallig rot ding,’ mompelde ik met mijn hand voor de mond. Hij reageerde niet. Een kleine opluchting. En diep daaronder iets anders. Een vonk.

Die avond ging ik naar mijn kelder. Officieel niet-functioneel en daardoor buiten het primaire netwerk. Een opslagruimte. Nu mijn schuilplaats.
Ik opende een valse vloerplank en haalde een doos tevoorschijn. Verboden dingen. Verboden herinneringen. Een oude lichtslinger, een vergeelde foto van mijn ouders, een versleten tafellaken met een vlek in de vorm van een ster.
Elk object uit de pre-Senticore-tijd was een risico. Alles moest worden ingeleverd, van familiealbums tot sieraden. Alles wat volgens de overheid je teveel aan vroeger zou laten denken. We moesten vooruit kijken, kijken naar het verleden was gevaarlijk!
Ik wist niet hoe lang mijn kelder veilig zou blijven. Misschien luisterde hij via het lichtnet. Via mijn eigen hartslag die naar boven trilde. Toch kwam ik hier. Omdat dit de enige plek was waar ik mezelf nog kon voelen.
Ik trok het tafellaken over een wankele tafel en stak een echte kaars aan. Het vlammetje flakkerde. Geen projectie. De schaduwen dansten. Mijn handen trilden.
Voor het eerst in jaren voelde ik me levend. En bang.

De volgende dag, in het distributiecentrum waar we kleding maakten voor degenen die het zich nog konden veroorloven. Luxe glanzende stoffen, op maat ontworpen via staatsalgoritmes.
‘Het zijn weer mooie stoffen,’ mompelde Bianca, terwijl ze over de stoffen wreef.
Ik hield mijn mond.
‘Kijk dan,’ ze hield een gouden stof met een zilveren draad erin geweven omhoog. ‘Prachtig,’ verzuchtte ze.
Mijn oog gleed over de vele stoffen die in de bakken van de dames om me heen lagen. Ze waren inderdaad prachtig, maar niet te betalen voor iemand zoals ik.
Toen zag ik haar. Een paar werkstations verder. Een vrouw met een zwarte, ouderwetse jas. Los haar. Dat mocht niet. Maar haar blik trof me. Recht. Zonder de verplichte glimlach. Zonder de getrainde onderdanigheid.
Ik herkende haar vaag. Misschien een collega van een andere afdeling? Misschien iemand die eerder iets had gezegd in de lunchruimte en daarna weken afwezig was?
Ze voelde wildvreemd en tegelijk… bekend. Alsof we iets deelden.
Toen ik even alleen bij de tafel stond, kwam ze langs. Geen woorden. Alleen een tik tegen mijn hand. In haar palm lag iets kleins en opgevouwen.
Papier.
Ze zei zacht: ‘Als je klaar bent met doen alsof… Kom dan langs.’
Ze liep weg zonder om te kijken. Alsof er niets was gebeurd.
Ik hield mijn hand stijf gesloten tot ik zeker wist dat niemand keek. Ik stopte het briefje in mijn sok. Mijn schoenen werden altijd gecontroleerd, maar sokken sloegen ze over.
Senticore registreerde het fysieke contact, maar mijn gezicht stond in de glimlachmodus. En dicht bij mijn hoofd hoorde ik Senticore’s stem: ‘Emotionele stabiliteit: 98,4%.’
Perfect. Zoals hij het wilde.

Het was inmiddels kerstavond. Boven mijn hoofd kleurde de lucht paars en blauw door de geprojecteerde aurora’s die Senticore elk jaar uitzond, strak volgens het Kerstprotocol. Uit de luidsprekers op straat dreunde de opgelegde boodschap: ‘Vandaag vieren wij kerst. Wees blij, wees vruchtbaar, wees gehoorzaam.’
Maar ik zat niet op straat. Ik zat in een kelder. Niet de mijne, maar iemand anders’ geheime ruimte vol verboden spullen en herinneringen die nooit meer hadden mogen bestaan.
We waren met twaalf. Zes vrouwen, zes mannen. Dat alleen al was bijzonder genoeg om voor opgesloten te worden. Mannen en vrouwen mochten niet samenkomen zonder toestemming. Niet in gesloten ruimtes, niet zonder toezicht, niet zonder verklaring. Het werd altijd verkocht als bescherming, stabiliteit, orde. In werkelijkheid was het controle.
Toch zaten we hier. Zo dicht bij elkaar dat onze knieën bijna raakten. Geen verplichte staarten, geen uniformen met kleurcodes die onze status aangaven. We droegen wat we wilden. Stoffen in tinten die Senticore als emotioneel onregelmatig bestempelde. Eén man droeg een kersttrui met een rendier waarvan de neus oplichtte zodra hij bewoog. Een vrouw had op haar mouw een lapje genaaid dat ooit deel was geweest van een kinderdekentje.
Het voelde rebels om zo bij elkaar te zitten. Maar het voelde ook vertrouwd, alsof we iets deden wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn: samen zijn. Niet als functies in een systeem, maar als mensen.
In het midden stond een echte kalkoen op een omgekeerde houten krat. De geur was warm en kruidig en vulde de kelder met een zachtheid die bijna pijn deed. Niemand vroeg waar hij vandaan kwam. Sommige dingen vroeg je niet hardop. Sommige dingen liet je.
We aten met onze handen omdat bestek te veel geluid zou maken en iemand zei dat het precies zo rook als bij haar oma. Een man aan de overkant begon te lachen. Hij vertelde dat hij als kind altijd de vleugel kreeg omdat hij beweerde dat dat het stuk was dat je slimmer maakte. De vrouw naast hem veegde een traan weg en zei dat ze dat vroeger ook geloofde.
We praatten door elkaar heen. Over kerstfilms die we tot vervelens toe hadden gezien. Over de spelletjes die families ooit samen speelden. Over de manier waarop de kamer vroeger altijd te warm werd door alle mensen bij elkaar. De woorden kwamen stroef en schokkerig, alsof onze stemmen moesten wennen aan praten zonder filter, zonder toezicht. Maar het maakte niet uit.
Hier zweeg Senticore.
Geen camera’s. Geen sensoren. Geen kunstmatige vrolijkheid.
Alleen ademhaling. Alleen het zachte schudden van schouders wanneer iemand moest lachen.
Alleen het doffe tikken van een druppel kaarsvet op steen. Alleen mensen die durfden te voelen.
Mensen die iets wilden terugpakken dat ze nooit hadden mogen verliezen.
En voor het eerst voelde het alsof kerst niet was afgeschaft. Alleen verstopt. En wij hadden het gevonden.

Toen ik later die nacht naar huis liep, liep hij met me mee. We zwegen, maar het voelde niet leeg. Eerder alsof woorden alleen maar zouden storen. Boven ons dwarrelden de geprojecteerde sneeuwvlokken zacht naar beneden, alsof Senticore voor één keer vergat dat ze nep waren.
Bij mijn voordeur bleef hij staan. Hij hield iets achter zijn rug, alsof hij twijfelde.
Toen gaf hij het aan me.
Het glazen potje met de kaars.
‘Ik zag hoe je ernaar keek,’ zei hij zacht. ‘Steeds weer. Ik dacht… misschien hoort hij bij jou.’
Het raakte me dieper dan ik had verwacht. Iemand die iets voor me had meegenomen omdat ik het mooi vond. Dat bestond bijna niet meer.
Ik bedankte hem en hij glimlachte breed, warm, alsof die glimlach alle kou van de straat kon verdrijven.
In dat moment wist ik: dit is pas het begin. Niet alleen van verzet. Ook van iets dat ik niet meer kende. Iets kleins en goeds dat nergens in een schema stond.
Binnen knipperde het rode lampje al. Snel. Ongeduldig.
Ongeautoriseerde activiteit gedetecteerd. U wordt verwacht voor verhoor op 27 december.’
Senticore’s stem was kalm, maar er zat iets nieuws in. Een soort frictie, alsof hij niet goed wist wat te doen met wat hij had geregistreerd.
Ik glimlachte. Niet de aangeleerde glimlach die het systeem me had opgedrongen. Een echte.
Een die tintelde en warm werd in mijn borst.
Voor het eerst in jaren hoorde ik mijn eigen hartslag boven de pieptoon.
Misschien zou dit mijn einde worden. Misschien niet. Misschien was dit precies het soort scheurtje dat een systeem niet kon dichten.
en kerst zoals het ooit was. Een wereld waar je mocht voelen, kiezen, bestaan. Niet omdat het mocht, maar omdat we het opeisten.
Ik zette het glazen potje op mijn nachtkastje en stak de kaars aan. Het licht vulde mijn kamer met een zachte warmte die bijna oud vertrouwd voelde.
Ik keek naar het rode lampje en fluisterde: ‘Rapporteer wat je wilt, Senti. Maar je wist me niet meer uit.’
Voor één nacht, één ademhaling, was ik vrij.
De vlam bewoog. Ik hield mijn hand erboven. Warm en echt.
En voor het eerst dacht ik niet aan wat ik kon verliezen. Alleen aan wat er misschien eindelijk kon beginnen.

© Bernadette Lugies 2025

Afbeelding gemaakt met AI
mirrorlife, Schrijven, Sneak peeks

Nieuwe Young Adult in 2026!!

✨ Boeknieuws! ✨

Ik heb het contract getekend voor mijn nieuwe young adult-roman Mirrorlife bij Clavis Uitgeverij💜
Het boek verschijnt in de tweede helft van 2026 – en ik kan het eindelijk delen!

Mirrorlife vertelt het verhaal van Julia, een meisje dat haar vader verliest en troost zoekt in een hyperrealistische VR-game. Wat begint als een vlucht uit de werkelijkheid, verandert al snel in iets gevaarlijkers: een wereld die haar niet meer wil laten gaan. 🎮💫

Dit verhaal ligt me enorm na aan het hart. Het gaat over verdriet, verbondenheid en de vraag wat er van ons overblijft als we verdwijnen in een digitale wereld.
Ik ben ontzettend dankbaar dat Clavis in dit project gelooft — en ik kan niet wachten om jullie kennis te laten maken met Julia’s wereld. 💜

#Mirrorlife#BernadetteLugies#ClavisUitgeverij#YoungAdult#NieuwBoek#VR#Spanning#Rouw

Korte verhalen

The Mirror

A story told from someone else’s point of view. What if Snow White wasn’t as innocent as you thought…

They say I went mad. That my jealousy consumed me.
That I couldn’t bear her beauty. That I wanted to poison her, just because she was young, and I… was getting older.
They’re lying.
Or no—they don’t. They believe what she says. And only because she made them believe it.
I was the queen. Mother. Widow. Woman of the people.
Everything I did, I did with my head held high.

When her mother died during childbirth, I took her in as my own child. A scrawny, white baby in a pool of blood.
The midwife looked away when I held her.
“Her skin,” she whispered. “As if she has no blood left.”
At the time, I thought it was grief. Grief and coincidence.
She grew up. Quiet. Obedient. Too obedient. As if she were observing everyone. Learning.
When she was nine, the palace cats started following her.
They looked at her as if they worshipped her — submissive, to the point of being creepy.
One bit its own tongue when she looked at it sternly.

At night, she would sometimes wander through the corridors. Barefoot, her hair loose, like a ghost.
Once, I followed her. I had thrown my cloak over my nightgown, the candle flickering in my hand.
She was standing in the throne room. Alone.
Or… so I thought.
A man was kneeling before her. His neck bent. She stroked his hair. Tenderly.
Then she said, “You may go to sleep now.”
He fell backward, like a puppet whose strings had been pulled.
When she saw me, she smiled. Not caught. Not ashamed. As if I were the one who had done something wrong.
From that moment on, the court began to change.
My advisor became anemic. The court master became restless, never sleeping again. He literally ran himself to death one night.
And Snow White?
She blossomed. Always polite. Always pure.

They called her a blessing. A prodigy. She sang so beautifully that the birds fell silent.
People came from far and wide to see her smile.
And I… I saw her for what she really was.
I sought help from the mirror. An heirloom, passed down from queen to queen.
Cursed, some said. But the mirror is not cursed. It is honest.
It does not believe words — it sees the truth.
“Mirror, mirror on the wall,” I whispered with a dry throat, “who is the fairest in the land?”
The mirror trembled. And then it spoke.
“She. She with skin as white as chalk. Her beauty is a veil. Her eyes drink more than light.”
From that moment on, I knew I had to stop her.
Not for my own honor. Not for beauty, but for the kingdom.
The children no longer slept. The priests prayed to no avail.
And she?
She walked through the nights without shadow. Without tiring.

I called for a hunter. A man without family. Without ties. He was given a silver knife.
I said nothing about who she was. Only what I wanted from him. He did not return.
Days later, we found his body in the forest. Dead. Without a drop of blood.
His face… frozen in an expression of worship.
She fled into the forest. The people cried, called her name, called me a monster.
They believed her.
Because she had enchanted them. Because her voice broke their will. Because her beauty blinds.

Now I sit alone in the tower. No one comes to visit. They say I am poisoned by resentment.
That I lost my throne to my own hatred, but I know better.
The mirror still speaks.
Every evening, when the wind howls through the tower, I look into it.
And then it says: “She’s coming back. And she’s hungry.”

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

De Witte Wieven

De Witte Wieven komen uit oude Nederlandse sagen: vrouwen in witte sluiers die verschenen in de mist om te waarschuwen voor onheil. In dit verhaal keren ze terug, niet alleen als mythische schimmen, maar als echo van een dreiging die vandaag de dag helaas nog steeds bestaat. Femicide en haat tegen vrouwen vullen onze kranten en schermen, en maken duidelijk hoe dodelijk controlerende liefde kan zijn. Dit verhaal verbindt het verleden met het heden – een waarschuwing die we niet mogen negeren.

Hij zei vaak dat hij het beste met me voorhad. Dat hij mij beter kende dan ik mezelf kende. Soms voelde het bijna veilig, hoe hij mijn keuzes uit handen nam: welke koffie ik dronk, welke route ik liep, welke mensen mijn tijd waard waren. Maar zijn zorg drukte als een hand in mijn nek, zacht genoeg om liefde te lijken, hard genoeg om mijn adem even te stokken.

De eerste keer dat ik ze zag, liep ik met hem over de hei. De mist kroop laag over de grond, als witte sluiers die de aarde wilden verbergen. Hij kneep in mijn hand, iets te stevig, alsof ik een bezit was dat hij niet mocht verliezen.
‘Je kijkt weer zo,’ zei hij, zijn glimlach te strak. ‘Je ziet dingen die er niet zijn.’
Ik wilde hem geloven, maar in de nevel zag ik drie vrouwen, vaag en wit, zonder voeten, met ogen die gloeiden als houtskool dat bijna dooft. Toen ik knipperde, waren ze verdwenen.

Die nacht kon ik de stilte niet verdragen. Ik zocht de woorden op die in mijn hoofd bleven hangen: witte vrouwen, mist, heide.
Mijn scherm vulde zich met vergeelde krantenknipsels en Drentse volklore.
Witte Wieven.
Geesten die verschenen bij grafheuvels en moerassen. Soms beschermend, soms wraakzuchtig.
Ze tonen je wat je niet durft te zien.

In de weken erna kwamen ze steeds terug. In de stoom van mijn spiegel. In de weerspiegeling van een tramraam. Soms in mijn dromen, als schaduwen die fluisterden terwijl ik zweette onder de dekens.
Hij liegt.
Hij verraadt je.
Als je blijft, verlies je jezelf.
Ondertussen trok hij de cirkel om me heen steeds kleiner. Hij bestelde mijn drankjes zonder te vragen. Hij wilde weten wie me appte. Zijn vingers bleven langer om mijn pols liggen dan nodig was.
‘Ik wil je beschermen,’ zei hij. ‘Ik doe dit uit liefde.’ Zijn stem klonk warm, maar zijn ogen waren koud.

Op een avond stuurde hij een bericht: Kom naar de hei. We moeten praten.
De mist hing dik en vochtig toen ik hem zag staan. Zijn glimlach was strak, zijn hand half verborgen in zijn jaszak.
‘Geef me je mobiel,’ zei hij zacht.
Achter hem verschenen de drie vrouwen. Hun ogen brandden, hun sluiers bewogen zonder wind.
‘Keer om,’ fluisterde de eerste.
‘Nu,’ zei de tweede.
‘Of je verliest jezelf,’ siste de derde.
Ik klemde mijn telefoon in mijn hand. Hij zette een stap dichterbij.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Ik… ik ga,’ zei ik.
Een korte lach ontsnapte hem, droog en leeg.
‘Je stelt je aan. Maak er eens niet zo’n scène van.’
‘Ik moet gaan. Mijn moeder belde net,’ loog ik.
Maar hij had het door. ‘Lieg niet. Je moeder geeft niets om je. Alleen ik geef om je.’
Ik slikte een ongemak weg.
‘Geef me je telefoon…’ zijn stem klonk dreigender.
‘Nee…’
‘Geef. Me. Je. Telefoon!’
Ik schudde mijn hoofd. Ik kon hier niet blijven. Ik was gewaarschuwd. Dit ging niet goed.
De mist sloot zich achter me toen ik wegrende. Weg van alle controle, weg van alle verplichtingen. Voor het eerst in weken voelde ademen niet meer als overleven.
Pas toen ik de straatlichten in de verte zag, besefte ik dat ik geluk had gehad. Hij was niet achter me aan gerend. Hij had me laten gaan, vermoedelijk opzoek naar zijn volgende slachtoffer. Iemand die hem geloofde, alles van hem toeliet en misschien wel behoefte had aan controle in haar leven, tot het te strak om haar nek zat. Of misschien wel iemand waarbij het geleidelijk gebeurde. Een ruimte die voor haar gecreëerd werd zonder dat ze het door had.
Ik was gewaarschuwd. En ik had geluisterd.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

Te Zoet

Een hervertelling uit het oogpunt van de heks, uit het Grimm sprookje “Hans en Grietje”.

Iedereen noemde mij een heks. Niet omdat ik iemand kwaad deed, maar omdat ik anders was. Omdat ik als meisje al kruiden kon benoemen zonder ze te hoeven ruiken, omdat ik instinctief aanvoelde welke bast de koorts kon breken en welke bloem de slaap verzachtte of juist het hart stillegde. Omdat ik zweeg waar anderen spraken, en liever mijn dagen doorbracht in het gezelschap van bladeren en wortels dan tussen de stemmen van mensen.
Ik groeide op aan de rand van het dorp, waar de huizen verder uit elkaar stonden, de wind vrij spel had tussen de muren en de lucht zwaarder was van stilte. Mijn moeder leerde me wat zij wist—hoe je een wond sluit, hoe je pijn kunt stillen, hoe je moet kijken naar een mens om te weten wat hem ontbreekt. Mensen kwamen bij haar, met kinderen op de arm of angst in de ogen, vroegen om hulp, namen af wat ze kregen en gingen weer, altijd met een zekere schroom, een aarzeling, een halve stap afstand alsof ze dachten dat wij iets droegen wat af zou kunnen geven, iets dat niet uitwasbaar was.
Toen mijn ouders stierven in die barre winter die overal in het dorp tekens van verlies naliet, kwam er niemand aan mijn deur. Geen pan soep, geen hand op mijn schouder, geen stilte die gedeeld werd. Alleen fluisteringen in het voorbijgaan: ‘Ze woont daar nog steeds, dat meisje van de kruiden.’ En daarna: ‘Ze is vreemd.’ En later: ‘Ze is gevaarlijk.’
Ze noemden mij een heks voordat ik het zelf ook maar had overwogen.
En dus besloot ik het maar te zijn, op mijn eigen manier—niet zoals zij het bedoelden, met vloeken en duistere machten en zwarte katten, maar als een vrouw die zich losmaakt van wat haar nooit heeft omarmd, als iemand die geen behoefte heeft aan hun omgang of hun angst. Ik trok me terug, bouwde een huis zoals niemand anders dat ooit had gedaan, diep in het bos waar de eiken oude geheimen bewaren en de lucht anders ruikt, scherper, eerlijker. Ik maakte mijn muren van suikerwerk, mijn dak van drop en kruidkoek, mijn ramen van gekristalliseerde honing, niet om te lokken, niet om te verleiden, maar simpelweg omdat ik het mooi vond en het me vreugde gaf, omdat ik het kon maken zoals ik het wilde—en omdat de bomen niets terugzeggen.
Maar ook daar bleef ik niet onopgemerkt.

In de schemering van lange zomerdagen hoorde ik ze soms: kinderen uit het dorp, lachend en fluisterend tussen de struiken, verstoppertje spelend met hun eigen moed. Ze dachten dat ik hen niet zag, maar ik hoorde het knakken van twijgen onder hun voeten, het zachte gegiechel dat uit hun buik leek te komen. En soms, als ik ’s ochtends de deur opende, ontdekte ik dat er een hoek van het raamkozijn was weggeknaagd, en een dag later vond ik sporen van hun overmoed in de vorm van braaksel op het pad. Ze namen wat ze konden, likten hun vingers af en gingen weer terug naar hun wereld.
Op een avond betrapte ik er vier, met kleverige vingers, suiker in hun haar en kruimels op hun wangen. Ik hoefde niets te zeggen—ik keek slechts, en dat was voldoende. Ze dropen af, als muizen betrapt in een voorraadkast, hun moed uit hun voeten gelopen.
Ze kwamen niet meer terug, en ik vond dat niet erg. Dat was juist wat ik wilde: een huis dat men zag, waarover men sprak, maar dat men liever met rust liet. En dat werkte. Jarenlang.

Het begon onschuldig, als alles wat gevaarlijk is. Ik hoorde eerst een tikkend geluid, zacht en ritmisch, alsof iemand met nagels op de buitenmuur trommelde. Toen ik de deur opende, stonden ze daar. Een jongen en een meisje, broodmager, met ingevallen gezichten en modder tot aan hun knieën, alsof ze uit de aarde zelf waren opgegraven. Hun handen waren vol stukken van mijn muur—marsepein, nougat, drop—en ze keken me aan zonder schaamte, zonder angst, alsof ik niets meer was dan een schim in hun weg. En toen lachten ze.
Er was iets in die lach dat ik niet helemaal begreep, iets dat me niet beviel, maar ik voelde medelijden. Hoe kon ik dat niet voelen? Ze waren magerder dan ik ooit had gezien, als dode vogeltjes met bonkende harten. Dus ik liet hen binnen. Ik verwarmde melk, sneed brood, bracht dekens en legde ze zacht neer bij de haard. Ze aten zonder een woord, zonder een dank, als beesten die nog net weten hoe een lepel werkt.
Maar in de dagen die volgden veranderde de atmosfeer. Dingen begonnen te verdwijnen. Niet alleen snoep van het huis, maar ook potten uit de keukenkast, kruiden uit mijn werkhoek, een bijl uit het houthok. En op een ochtend, toen ik naar de oven liep, ontdekte ik in het roet kleine vingerafdrukken—plakkerig, zwart, bijna spelend met de rand van wat gevaarlijk is.

Die nacht werd ik wakker van glasgerinkel. Mijn slaapkamerraam—een stuk prachtig gegoten suikerwerk—lag in duizend scherpe scherven over de vloer. En beneden, in de keuken, stond Grietje. In haar hand het mes waarmee ik salie had gesneden, dat ik gebruikte om schors te schrapen en uienringen dunner dan papier te maken. Ze keek niet geschrokken, niet betrapt, maar vastberaden.
Toen ik haar vroeg wat ze aan het doen was, antwoordde ze slechts: ‘Je hebt genoeg gehad.’
Ze keerde terug naar bed, alsof het een droom was die haar even onderbrak, maar de volgende ochtend vond ik de dekens opgevuld met takken. De kinderen waren verdwenen. Alleen de stilte was gebleven.
Tot ik naar buiten keek en Hans op het dak zag. In zijn hand hield hij een ijzeren staaf.
Hij sprong.
Ik struikelde. Ik viel.
Wat er daarna gebeurde is moeilijk te zeggen. Ik herinner me flarden—rook in mijn neus, brandlucht aan mijn huid, de oven die openstond als een hongerige bek. Ze hadden geprobeerd mij te verbranden, daar waar ik het vuur het beste kende.
Ik handelde niet uit woede. Ik handelde uit angst. Uit instinct. Ik duwde hem. Zijn lichaam viel tegen de stenen rand. Iets brak. Zijn nek, vermoedelijk. Of mijn geweten. Of misschien was het verschil tussen die twee allang verdwenen.
Toen begon Grietje te gillen, maar het klonk niet als verdriet, het was geen kind dat rouwde. De klank was rauw en hol, als een echo uit een diepe put, een oerkreet die eindelijk, na al die tijd, aan het oppervlak mocht komen. Ze keek me aan met ogen die ik niet herkende—niet als die van een kind. Ze waren leeg van verdriet, vol van iets anders. Kalmte. Berekening. Beheersing.
Ze raapte het mes op. Mijn mes. Ze bewoog zich naar mij toe met een koele doelgerichtheid, niet als iemand die zichzelf verdedigt, maar als iemand die uit een lange sluimer ontwaakt om te doen waarvoor ze gekomen is.
Ik probeerde me te verweren, maar mijn lichaam werkte niet mee. Mijn arm was slap, mijn hoofd zwaar, en zij—zij duwde me met vaste passen richting de oven, die nog steeds open stond te zinderen. De vlammen likten langs de rand van het gietijzeren mondstuk alsof ze wisten wat eraan kwam.
‘Het brood moet nog even verder,’ zei ze, met een glimlach die scherper was dan welk mes dan ook.
‘Ik ben geen brood,’ fluisterde ik nog.
Maar ze luisterde niet.
Ze keek rond, knikte bijna goedkeurend, en toen zei ze: ‘Je huis is zo mooi.’
En met een zachte maar resolute beweging duwde ze me naar voren.
Mijn rug raakte de rand, mijn voeten gleden weg op een plas gesmolten stroop, en ik viel, viel diep, viel in mijn eigen vuur.
De hitte sloot zich om mij heen als een bek die zich eindelijk sloot. Mijn huid begon te sissen, mijn adem te branden. Alles wat ik ooit had gemaakt, alles wat ik ooit had verzameld, smolt samen met mij.
En terwijl ik nog net kon horen hoe ze mijn kastjes opentrok, hoe glazen flessen braken, hoe kruidenpotten omvielen, hoe snoep werd ingepakt, begreep ik het pas echt.
Ze nam alles. Alsof het altijd al van haar was geweest.
En het laatste wat ik dacht, terwijl mijn lichaam versmolt met de suikerstenen en mijn laatste adem werd opgegeten door de oven, was dit: Ik was nooit het monster in dit verhaal.
Ik dacht alleen dat ik wist wie het wel was.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

De Spiegel

English-> The Mirror
Een vertelling vanuit iemand ander’s oogpunt. Wat als Sneeuwwitje niet zo onschuldig was als jij dacht…

Ze zeggen dat ik krankzinnig ben geworden. Dat mijn jaloezie me verteerde.
Dat ik haar schoonheid niet kon verdragen. Dat ik haar heb willen vergiftigen, alleen maar omdat zij jong was, en ik… ouder werd.
Ze liegen.
Of nee — dat doen ze niet. Ze geloven wat zíj zegt. En alleen omdat zij het hen heeft laten geloven.
Ik was de koningin. Moeder. Weduwe. Vrouw van het volk.
Alles wat ik deed, deed ik met opgeheven hoofd.

Toen haar moeder stierf tijdens de geboorte, nam ik haar op als mijn eigen kind. Een schrale, witte baby in een bassin van bloed.
De vroedvrouw keek weg toen ik haar vasthield.
‘Haar huid,’ fluisterde ze. ‘Alsof ze al geen bloed meer heeft.’
Ik dacht toen nog dat het rouw was. Rouw en toeval.
Ze groeide op. Stil. Gehoorzaam. Té gehoorzaam. Alsof ze iedereen observeerde. Leerde.
Toen ze negen was, begonnen de katten van het paleis haar te volgen.
Ze keken haar aan alsof ze haar aanbaden — onderdanig, tot op het griezelige af.
Eén beet zijn eigen tong door toen ze hem streng aankeek.

’s Nachts dwaalde ze soms door de gangen. Op blote voeten, met haar haren los, als een schim.
Eén keer volgde ik haar. Ik had mijn mantel over mijn nachthemd gegooid, de kaars flakkerde in mijn hand.
Ze stond in de troonzaal. Alleen.
Of… dat dacht ik.
Er zat een man op zijn knieën voor haar. Zijn nek gebogen. Zij streelde zijn haar. Teder.
Toen zei ze: ‘Je mag nu gaan slapen.’
Hij liet zich achterover vallen, als een pop waar het touw uit getrokken was.
Toen ze me zag, glimlachte ze. Niet betrapt. Niet beschaamd. Alsof ík degene was die iets verkeerd deed.
Vanaf dat moment begon het hof te veranderen.
Mijn adviseur kreeg bloedarmoede. De hofmeester werd rusteloos, sliep nooit meer. Hij rende zichzelf op een nacht letterlijk dood.
En Sneeuwwitje?
Zij bloeide juist op. Altijd even beleefd. Altijd even puur.

Ze noemden haar een zegen. Een wonderkind. Ze zong zo mooi dat de vogels stil werden.
Mensen kwamen van heinde en verre om haar glimlach te zien.
En ik… ik zag haar voor wat ze werkelijk was.
Ik zocht hulp bij de spiegel. Een erfstuk, doorgegeven van koningin tot koningin.
Vervloekt, zeiden sommigen. Maar de spiegel is niet vervloekt. Hij is eerlijk.
Hij gelooft geen woorden — hij ziet de waarheid.
‘Spiegel, spiegel aan de wand,’ fluisterde ik met droge keel, ‘wie is het mooiste in dit land?’
De spiegel beefde. En toen sprak hij.
‘Zij. Zij met huid zo wit als kalk. Haar schoonheid is een sluier. Haar ogen drinken meer dan licht.’
Vanaf dat moment wist ik dat ik haar moest stoppen.
Niet om mijn eigen eer. Niet om schoonheid, maar om het koninkrijk.
De kinderen sliepen niet meer. De priesters baden zonder effect.
En zij?
Zij wandelde door de nachten zonder schaduw. Zonder moe te worden.

Ik liet een jager roepen. Een man zonder familie. Zonder banden. Hij kreeg een mes van zilver.
Ik zei niets over wie ze was. Alleen wat ik van hem verlangde. Hij keerde niet terug.
Dagen later vonden we zijn lichaam in het bos. Dood. Zonder een druppel bloed.
Zijn gezicht… bevroren in een uitdrukking van aanbidding.
Ze vluchtte het woud in. De mensen huilden, riepen haar naam, noemden míj een monster.
Ze geloofden haar.
Omdat ze hen had betoverd. Omdat haar stem hun wil brak. Omdat haar schoonheid verblindt.

Nu zit ik alleen in de toren. Niemand komt op bezoek. Ze zeggen dat ik vergiftigd ben door wrok.
Dat ik mijn troon kwijt ben aan mijn eigen haat, maar ik weet beter.
De spiegel spreekt nog steeds.
Elke avond, als de wind door de toren huilt, kijk ik erin.
En dan zegt hij: ‘Ze komt terug. En ze is hongerig.’

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden #10 – De Jacht


We vonden hem in de as van zijn eigen verleden.
Prometheus had zich teruggetrokken in een verlaten steengroeve bij Dragtstraat—een plek waar de mist dik op de grond bleef hangen en het zonlicht leek te weigeren om te blijven. Alles rook er naar ijzer, naar schaduw, naar dingen die ooit eeuwig leken maar toch gebroken raakten.
Artemis was de eerste die hem zag. Ze had urenlang zijn sporen gevolgd: vervormde voetafdrukken tussen rotsen, een schaduw die zich door het gruis had gesleept. Hij had zich niet verstopt. Hij had gewacht.
Toen we hem benaderden, stond hij recht, zijn borst geheven alsof hij nog altijd een titan was. Zijn huid was gebarsten van binnenuit, zijn ogen hol, maar zijn stem—die trilde niet.
‘Laat me met rust,’ zei hij. ‘Ik heb jullie niets meer te geven.’
Hermes stapte naar voren, zijn toon kalm, bijna vermanend. ‘We zijn hier niet voor jou. We zoeken Medusa.’
‘Zoals jullie mij hebben gezocht?’ zijn stem had een woedende ondertoon.
‘Je weet dat we haar moeten vinden. Ze vermoordt onschuldige mensen, Prometheus. Ze laat de wereld achter in steen.’
‘In steen…’ Prometheus’ lippen trokken zich in een wrange grijns. ‘Zoals ik eeuwenlang aan steen was geketend? Zoals jullie haar lichaam versteenden en haar hart vergaten? Vergeet het. Ik geef haar niet prijs.’
‘Het is geen keuze meer,’ zei ik.
Hij keek naar mij, zijn blik oud en uitgeblust, maar niet verslagen. ‘Jij, Hades, van alle goden, zou beter moeten weten. Jij ziet de doden. Jij weet dat zij niets is begonnen. Alles wat zij nu doet… is jullie schuld.’
Ik zette een stap dichterbij. Mijn stem werd laag, vloeibaar. ‘Denk aan de mensen, Prometheus. Denk aan de onschuldigen. Help hen. Zoals je altijd hebt gedaan.’
Hij lachte. Kort. Bitter. ‘Je spreekt over onschuld terwijl je zelf uit vergetelheid bent gesneden. Jij kent geen schuld. Je verzamelt alleen wat overblijft. Ik ben degene die gaf. Jij… neemt alleen maar.’
Ik voelde iets knappen in me.
Hij was niet zoals de anderen. Niet breekbaar met woorden.
Ik knielde voor hem, legde een hand op zijn knie. Mijn stem werd zacht, als water dat onder deuren sijpelt.
‘Ik kan haar veilig houden,’ fluisterde ik. ‘Als jij me vertelt waar ze is. Ik ben niet als mijn broers. Ik wil haar geen pijn doen. Ik wil alleen dat het stopt. Voor haar. Voor jou.’
Hij antwoordde niet. Hij keek weg. En in die stilte—die afwijzing—voelde ik iets in mezelf omdraaien.
Geen overtuiging. Geen redelijkheid. Alleen koude, oude macht.
Mijn vingers trokken zich aan. Mijn kracht sloop langs zijn botten, door zijn huid, in zijn herinneringen.
Hij begon te beven. Niet van angst, maar van de pijn die ik naar boven bracht—de adelaars, het vuur, het ijzer dat door zijn ingewanden had geslaan en de pijn dat hij dagelijks vanuit de mensen voelde. Ik liet hem voelen wat tijd hem net had leren vergeten.
‘Zeg het me,’ siste ik. ‘Zeg het.’
Hij gromde, bloedde uit zijn neus, zijn tanden knarsten. Artemis keek toe, haar blik strak. Hermes wendde zijn hoofd af.
Ik voelde het moment.
Dat dunne, trillende moment waarop zelfs titanen buigen.
En toen, met gebroken stem, nauwelijks meer menselijk, fluisterde Prometheus:
‘Onder de oude stad… bij Helsbergen. Daar waar de aarde ademt. Ze zit diep. In een tunnel waar zelfs jij niet graag komt.’
Ik liet hem los.
Hij viel op zijn zij, zijn ademhaling zwaar en ongelijkmatig.
‘Jullie zijn niet anders dan hij,’ fluisterde hij. ‘Ze maakt van jullie wat jullie echt zijn. En dat is het enige waarvoor ik haar bewonder.’
Ik stond op. Mijn handen trilden niet. Maar in mijn borst klopte iets anders—een echo van mezelf die ik liever niet hoorde.
Ik had hem gebroken. Niet omdat het moest, maar omdat het kon.
En wat zegt dat over mij?
Wat zegt dat over een god die het einde draagt, maar het begin is vergeten?

Ik heb nooit gejaagd zoals Artemis dat kan.
Waar ik mijzelf beweeg in de stilte van de dood, traag en zonder haast, is zij alles wat scherp en levend is. Haar zintuigen lijken geslepen tot voorbij het menselijke. Ze ziet wat anderen missen, hoort wat zelfs de echo’s nog verbergen, voelt waar de lucht net iets kouder is dan normaal. Als een roofdier in een verlaten bos beweegt ze door de ondergrondse gangen, haar voeten geruisloos, haar adem beheerst, haar ogen altijd op zoek.
Ze loopt voor ons uit en raakt met haar hand de muur aan. Tussen lagen graffiti en schimmel, tussen roestplekken en afbladderend beton, stopt ze plotseling. Haar vingers rusten op een reeks vreemde tekens die in cirkelvormen over de muur kronkelen.
‘Kijk,’ zegt ze zacht, terwijl ze de patronen volgt met haar wijsvinger. ‘Ze zijn met iets scherps gekrast. Niet recent, maar vers genoeg om nog niet vervaagd te zijn. Zie je de vorm? Ronde lussen, als… slangen die zich oprollen.’
Hermes komt naast haar staan en tuurt naar de muur. ‘Of als haar.’
Ik knik langzaam. ‘Ze is hier geweest. Ze heeft dit achtergelaten. Niet als val, maar als teken. Misschien als waarschuwing. Misschien als herinnering.’
Artemis trekt haar hand terug, maar blijft nog even staan, alsof ze luistert naar wat de muur haar wil zeggen. Dan sluit ze haar ogen en ademt diep in.
‘Slangen, stof, steen. Ze houdt zich laag, maar de ruimte is gevuld met haar. Alles voelt zwaarder.’
Ze opent haar ogen weer. De blik die ze me geeft is scherp en helder.
‘We zitten haar op de hielen,’ zegt ze.
Zonder aarzeling beweegt ze zich voort, sneller nu, alsof elke stap haar dichter bij iets brengt dat al te lang buiten bereik was. We volgen haar door de kronkelende tunnel, de lucht wordt vochtiger, benauwder, en het licht steeds schaarser.
De muren lijken te leven—schaduwen verschuiven met elke beweging, en elke stap echoot alsof iets ons terugfluistert.
Dan stopt Artemis opnieuw, haar blik gefixeerd op de grond. Ze hurkt en raapt een stukje spiegel op, een scherf niet groter dan een handpalm.
‘Ze heeft hier naar zichzelf gekeken,’ fluistert ze, meer tegen zichzelf dan tegen ons.
De spiegel ligt in het stof, gebarsten in drie lijnen die samen lijken te wijzen naar de donkere doorgang verderop.
Ik zie iets in Artemis’ gezicht. Niet angst, niet woede, maar iets rauwers. Spijt, misschien. Of schuld die haar lang heeft achtervolgd.
Hermes komt dichterbij. Zijn ogen glijden langs de muren, de vloer, de vochtplekken in het plafond.
‘Ze is dichtbij,’ zegt hij. Zijn stem is kalm, maar ik hoor het: de nervositeit in zijn adem, het kantelmoment.
We dalen verder af, de lucht wordt steeds zwaarder. Alsof elk ademhalen een keuze is.
Tot we bij een oude metroruimte komen. Alles is stil, beklemd, alsof de tijd hier niet meer beweegt.
Het perron is verlaten. De muren zijn zwart van schimmel, het licht verdwijnt volledig. Alleen een flauwe groene gloed van een flikkerend reclamebord geeft schaduw aan wat we zien.
De lucht is dik, doordrenkt van iets dat lijkt op verwelkte bloemen, nat beton en oud bloed.
En daar, midden in de ruimte, zit ze.
Op een troon van brokstukken en puin,
met haar haren—slangen, langzaam bewegend alsof ze slapen—rustend op haar schouders.
Haar rug is recht.
Haar handen gevouwen in haar schoot.
En haar ogen… gesloten.
Maar we weten dat ze ons voelt.
En ik weet—zonder twijfel—dat dit de plek is waar het zal eindigen.

Ze spreekt onze namen uit nog voor iemand iets kan zeggen.
‘Hadesss… Artemisss… Hermesss…’
Haar stem glijdt door de ruimte als vochtige adem over steen—langzaam, slepend, als iets dat ooit helder was maar nu vermoeid voortkruipt. Geen gegrom. Geen vuur. Alleen dat zachte gesis, alsof de woorden door haar tanden moeten wringen. Een s-klank die rekt en blijft hangen, die zich om ons heen wikkelt als de kronkels van haar haar.
Ze opent haar mond alsof spreken haar pijn doet, maar toch klinkt elk woord scherp.
‘Jullie z-z-zijn gekomen.’
Haar ogen blijven gesloten. Haar hoofd hangt lichtjes voorover. De spieren in haar schouders staan gespannen, maar niet van kracht. Van uitputting. Van jarenlang vluchten, vechten, versteend worden door herinneringen.
Hermes stapt voorzichtig naar voren. Hij houdt zijn ogen op de vloer gericht, alsof hij haar blik nu al vreest.
‘Er zijn mensen gestorven, Medusa,’ zegt hij zacht.
Ze haalt langzaam adem. Ik hoor het: een krakend geluid, alsof haar longen roesten.
‘Ik weet het,’ fluistert ze, en de slangen op haar hoofd sissen mee, traag, loom, alsof ook zij oud geworden zijn. ‘Ze kijkennn… altijd maar kijkennn… En ik… ik was moe… moe van het bekeken worden.’
De stilte die volgt is zwaar. Niet leeg, maar vol van alles wat ze niet zegt.
Artemis heft haar boog. Haar handen zijn stil, haar gezicht strak. Maar ze schiet niet. Ze kijkt Medusa aan, vluchtig, aarzelend—en ik weet dat ook zij het ziet: geen vijand. Geen monster.
Een vrouw, gebogen onder eeuwen van haat en vergeten verdriet.
‘Je had de tempel niet mogen betreden,’ zegt Artemis, haar stem nauwelijks hoorbaar. ‘Maar ze hadden je nooit mogen aanraken.’
Medusa’s hoofd komt iets omhoog. Haar ogen blijven dicht. Haar stem wordt scherper, maar breekt halverwege: ‘Ze noemden me heilig… tot ik vuil was… tot ik bloedde op hun vloer en Athena wegkeek… zoals jullie allemaal deden…’
Ze opent haar ogen.
Langzaam.
En in dat moment lijkt de wereld even stil te vallen.
Iedere sterveling zou versteend zijn, gevangen in de afgrond van haar blik. Maar ik—ik ben Hades. Ik kijk haar aan. Niet omdat ik sterker ben. Niet omdat ik onkwetsbaar ben. Maar omdat ik niet bang ben voor wat ze geworden is.
Want voor het eerst zie ik haar en besef dat Prometheus gelijk heeft.
Ik zie de pijn die haar gevormd heeft. De woede die haar warm heeft gehouden.
De eenzaamheid die haar langzaam heeft leeggegeten tot er niets overbleef dan stenen en slangen. En dat alles is veroorzaakt door ons, de oude Goden.
Ik stap naar voren en kniel voor haar neer. Mijn hand raakt de koude vloer. Mijn stem is zacht.
‘Ik ben Hades,’ zeg ik. ‘Ik kom niet om te straffen. Niet om te oordelen.’
Haar ogen blijven op mij gericht. Haar lippen trekken in een spottende glimlach.
‘Ik weet wie jij bent… heer van de duisssternisss… de brengerrr van het einde… Jij… bent mijn einde…’
De slangen op haar hoofd komen in beweging. Eén richt zich op mij, haar ogen glanzend zwart. Maar ik knik alleen.
‘Ja. Dat ben ik.’
Ze steekt haar hand naar me uit. Haar vingers zijn dun, koud, bevend.
‘Doet het… pijn?’ vraagt ze, haar stem nauwelijks hoorbaar. Het klinkt niet als angst. Meer als een kind dat eindelijk durft te vragen wat niemand haar ooit wilde vertellen.
De slangen sissen zacht, geen dreiging, maar een soort waakzaamheid. Alsof zij ook willen weten wat ik zal zeggen.
Ik pak haar hand vast. Haar huid voelt als marmer, maar onder het koude oppervlak klopt nog iets levends, iets zachts.
‘De dood doet geen pijn,’ zeg ik. ‘Niet als je eraan toe bent.’
Ze knippert langzaam. Haar ademhaling stokt.
‘Ik… ik…’
‘Je verdient rust,’ antwoord ik voor haar en ik meen het.
Ze kijkt me aan, en er is iets in haar ogen wat ik nog niet eerder zag. Geen woede. Geen trots, maar opluchting. Haar schouders zakken naar beneden. Haar adem ontsnapt uit haar borst in een lange, trillende zucht.
Ze knikt. Eén trage beweging. Een traan glijdt over haar wang, dwarrelt naar beneden, en valt stil op het stof.
Dan sluit ze haar ogen. Haar lichaam zakt langzaam neer in de troon van puin waarop ze zat.
De slangen op haar hoofd sissen nog een laatste keer, kort en klaaglijk.
Daarna worden ook zij stil.

Artemis knielt langzaam naast Medusa neer, alsof elke beweging een ritueel op zich is. Ze legt haar boog naast zich, schuift een lok haar achter het oor en buigt voorover. Haar lippen raken Medusa’s voorhoofd in een tedere, bijna moederlijke kus. Daarna sluit ze voorzichtig haar ogen, alsof ze het duister dat zich aandient niet als vijand, maar als bevrijder wil verwelkomen.
‘Hebben wij dit op ons geweten?’ vraagt ze zacht.
Hermes blijft op een afstand staan. Hij zegt niets, kijkt alleen. Zijn hoofd lichtjes gekanteld, zijn blik half afgewend, alsof hij aarzelt. Dan stapt hij naar voren, knielt tegenover Artemis, en legt zijn hand op Medusa’s borst, boven haar hart. Geen spreuk. Geen goddelijke ingreep. Alleen aanraking. Alleen stilte en dat is genoeg voor Artemis.
Hermes is de boodschapper. Hij draagt geen zwaard, maar woorden. Hij hoort wat niet gezegd wordt, voelt wat zich verbergt onder stilzwijgen. Hij is de gids tussen werelden, de enige onder ons die moeiteloos reist tussen leven en dood, tussen Olympus en aarde, tussen verleden en wat nog komen moet. Maar hij is ook degene die de meeste waarheden kent, en daardoor het zwijgen het best heeft leren beheersen.
En terwijl zijn hand nog rust op Medusa’s borst, voel ik iets loskomen uit haar lichaam—een licht, een zweem, iets wat zich langzaam omhoog beweegt als stof in zonlicht. Haar ziel.
Ik sta op en strek mijn arm uit. Mijn vingers sluiten zich om wat voor anderen onzichtbaar zou zijn, maar voor mij voelt als een ademhaling die niet meer bij het lichaam hoort.
‘Ik neem haar mee,’ zeg ik, en mijn stem klinkt kalmer dan ik me voel. ‘Haar lichaam blijft bij jullie. Maar haar ziel… die verdient een plaats waar geen oordeel meer is. Geen haat. Geen angst. Alleen grijze rust.’
Artemis kijkt op. Haar ogen zijn rood van ingehouden tranen. ‘De Velden van Asfodel?’
Ik knik.
‘Dat gaat Zeus niet leuk vinden.’
Een flauwe, bittere glimlach speelt om mijn lippen terwijl ik mijn schouders ophaal.
‘Ze verdienen het niet om daar iets over te zeggen,’ antwoord ik. ‘Mijn broers hebben hun spelletjes met haar gespeeld. Zeus keek toe, Poseidon was de reden… En Athena—zij die haar had moeten beschermen—maakte van haar een monster. Maar ik? Ik ben de dood. Ik oordeel niet. En ik zal haar beschermen. Nu wél.’
Artemis legt haar hand op mijn arm. Zacht. Vol respect. ‘We zijn nog niet klaar, dat weet je,’ zegt ze.
Ik weet het. Natuurlijk weet ik het. De wereld is nog steeds vol van onze soort—goden, halfgoden, schaduwen van iets wat ooit verheven was, maar allang niet meer heilig.
Hermes staat op. Zijn blik is nu strak en doelgericht.
‘Je hebt het nieuwsartikel gelezen,’ zegt hij. Zijn stem is laag, maar helder. ‘Ze is gezien. We kunnen haar niet vrij rond laten lopen.’
Ik knik traag. Ik weet over wie hij het heeft.
Scylla.
Een oude wond. Een stem uit het water die nooit ophield met gillen.
Ik zucht. Niet van tegenzin, maar uit vermoeidheid. Niet van haar, maar van wat wij geworden zijn.
‘Ze hoort hier niet,’ zeg ik. ‘Geen van ons eigenlijk. Deze wereld is niet meer van ons. Zij bouwen hun eigen goden nu—van staal en vuur, van algoritmes en schreeuw om aandacht. Wat wij waren… is vergeten. Of vervormd.’
Beiden kijken me aan in stilte, maar ik zie het begrip in hun ogen. Zij beseffen het ook.
‘De Velden van Asfodel,’ herhaal ik zacht. ‘Of Elysion, voor wie geluk had. Maar wij… wij horen diep vanbinnen thuis in Tartaros.’
De woorden hangen in de ruimte als een veroordeling. Niet voor Medusa. Voor ons.
Want wie zijn wij om nog goden genoemd te worden, terwijl we de mensheid—en elkaar—meer gebroken hebben dan beschermd?
Wij zijn geen helden.
We waren dat misschien ooit. Maar nu?
Nu dragen we het woord “god” als een oud zwaard—bot, roestig, maar nog altijd dodelijk.
En ik weet… ik weet dat onze tijd bijna voorbij is.
Maar zolang er nog schaduwen kruipen waar geen licht durft te schijnen, zolang onze broeders en zusters zich verbergen in de plooien van deze wereld, zolang de wonden uit het verleden blijven bloeden in de straten van nu— zullen wij blijven jagen.

Terwijl ik verdwijn met haar ziel, blijven Artemis en Hermes achter.
Ze zeggen niets. Er valt ook niets meer te zeggen. Alleen daden, eerbetoon en een zwijgend verzet tegen het onrecht dat haar eeuwenlang omhulde als een tweede huid.
Artemis zoekt stenen langs de oever van een verborgen meer, glad en licht van kleur. Ze bouwt met zorg een graf—niet groots, niet goddelijk, maar eerlijk. Eén steen voor elke verwonding, elke vernedering, elke stilte waarin Medusa had moeten schreeuwen maar dat niet meer durfde.
Ze plant bloemen aan de rand. Geen wilde planten of pijlpunten, maar witte anemonen—bloemen van vergeving en verlies, zacht en klein, alsof ze weten dat echte eer niet luid hoeft te zijn.
Hermes komt naast haar staan. Hij kijkt naar wat ze heeft gemaakt, dan zakt hij door zijn knieën. Langzaam trekt hij zijn gevleugelde sandalen uit—dezelfde waarmee hij eeuwenlang tussen werelden bewoog, tussen dood en leven, tussen hemel en hel. Hij legt ze neer aan het hoofdeinde van het graf. Een gebaar dat zegt: ik vlucht niet meer. Ik blijf. Ik herinner.
En ik?
Ik loop met haar. Met haar ziel—licht, flakkerend en misschien nog wel het belangrijkste van alles, ze is weer zichzelf.
We betreden de Velden van Asfodel. Het land is grijs en zacht. De lucht hangt laag, mistig, zonder zon, zonder regen. Geen oordeel heerst hier. Geen stemmen die je na roepen. Hier zijn alleen zij die vergeten werden, die niet geliefd genoeg waren voor Elysion, maar ook niet verdoemd tot Tartaros.
En in die stille velden loop ik met haar.
Ze kijkt omhoog naar de hemel die geen tijd kent en voor het eerst— voor het eerst in een eeuwigheid glimlacht ze. Niet als monster. Niet als mythe. Niet als schaduw van wat de wereld van haar maakte.
Maar als wie ze werkelijk is: Een vrouw. Een ziel.
En ze is vrij.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden #9 – De Stille Wachter


De klok in het mortuarium tikte als een druppelende kraan. Eén tik per seconde. Eén seconde per stilte.
De vrouw op de autopsietafel was jong. Witte ogen, kaarsrechte handen — alsof ze tijdens haar paniek bevroren was — en lippen als strakgespannen draad. Haar huid had een kleur die bijna niet te omschrijven viel — niet bleek, niet blauw, maar iets ertussenin. Marmer. Alsof ze een standbeeld was, gehouwen door Michelangelo zelf.
De geur van formaline hing nog niet over haar heen. Ze was vers. Te vers.
Dr. Hadrian Charon stond stil aan het hoofdeinde. Een zwart overhemd, een witte laboratoriumjas, latex handschoenen die als een tweede huid over zijn handen lagen. Zijn zwarte haren piekten onder de stoffen muts vandaan. Zijn grijze ogen gleden over haar lichaam, alsof hij haar niet onderzocht, maar las.
Hadrian was een gespierde man, en vrouwen stonden voor hem in de rij om hem te aanbidden. Maar het boeide hem niets. Hij kon zich niet meer herinneren waarom hij lijkschouwer wilde worden. Het leek alsof het hem riep als een sirene naar een zeeman riep. Het gekke was dat hij zich ook niet meer kon herinneren hoe hij in dit stadje terecht was gekomen, alsof hij hier altijd al was geweest, alsof zijn herinneringen in zijn geheugen gebrand stonden en toch voelden ze alsof ze niet van hem waren.

Achter hem, tegen de muur, stond rechercheur Elise de Vries. Haar blonde haren strak in een staart. Ze was het evenbeeld van haar zuster. Ze droeg een leren jas die naar buitenlucht rook en hield haar armen over elkaar gevouwen als een verdedigingslinie. Haar blik ging van de vrouw op de tafel naar Hadrian, alsof ze nog twijfelde wie van de twee enger was.
‘We weten niet wat dit is,’ zei ze zacht. ‘Alles klopt niet. Geen letsel. Geen verwurging, geen sporen van gif. Alleen een volledig stilgevallen lichaam. Alsof ze…’
‘Opgegeven heeft,’ maakte Hadrian haar zin af. Zijn stem was laag en glad, als water over steen.
Elise knikte langzaam. ‘Ze is vannacht gevonden. Midden op de Dam.’
‘Op de Dam?’ vroeg Hadrian.
Elise knikte. ‘Geen ID, geen schoenen, geen camerabeelden. Het is alsof ze daar gewoon… stond.’
‘Waarom doe ik de autopsie als ze in Amsterdam is gevonden?’
‘Omdat jij degene bent die dit soort zaken oppakt.’
Hadrian knikte langzaam. Ze had gelijk. Hij was degene die werd gebeld zodra iets vreemd werd. Hij reisde door heel Nederland en begon zelfs in het buitenland naam te maken.
Kun je de dood niet verklaren? Heeft het iets mysterieus?
Dan belde je Dr. Hadrian Charon.
Zijn naam verscheen inmiddels in bijna elk medisch vakblad. En hij moest het toegeven — hij hield van dit soort zaken. Van het mysterie. Het onverklaarbare.
De X-files-dossiers, zoals hij ze zelf noemde.
Hij boog zich voorover en trok met uiterste precisie een scalpel over de borstkas van de dode. De snee was bijna elegant, als een penseelstreek. Met het geroutineerde gebaar van iemand die de dood al duizend keer had aangekeken, klapte hij de ribbenkast open.
Geen bloed.
Zijn ogen gleden langzaam over de organen. Eén voor één sneed hij ze eruit, zorgvuldig, voor verder onderzoek.
De longen waren net zo wit als de huid van de vrouw. Maar er waren geen tekenen van verstikking. Geen bevriezing. Geen trauma.
Het hart was intact, maar verkleurd. Niet zwart. Niet rood en levend.
Maar grijzig en glanzend — alsof het van binnenuit was versteend. Toch trof hij geen kalkresten aan.
Hij legde het hart in een weegschaal, en de naald schoot direct naar twee kilogram.
Fronsend haalde hij het eruit en legde het opnieuw neer.
Weer sprong het display naar twee kilogram.
‘Dit kan niet…’ mompelde hij. Zijn vingers rustten even op de rand van het borstbeen, alsof hij tastte naar iets wat niet tastbaar was.
De stilte leek dieper te worden. Als een kelder die onder je voeten openklapt.
Achter hem haalde Elise moeizaam adem. ‘Dit is de zesde. En nog steeds geen spoor. Geen patroon. Behalve…’
Ze zweeg. Iets achter haar ogen trilde.
‘Behalve wat?’ vroeg Hadrian zonder op te kijken.
‘Ze lijken allemaal bevroren. Alsof ze van steen zijn geworden in de laatste minuten van hun leven.’
Hadrian keek haar eindelijk aan. De stilte die volgde was oorverdovend.
Om die te doorbreken vroeg hij: ‘Hebben ze al iets van je zus gehoord?’
Elises kaken spanden zich. ‘Nadia,’ zei ze, alsof ze hem wilde herinneren aan haar naam. ‘Ze hebben niks gevonden. Ze kreeg samen met Jeroen een laatste opdracht, maar niemand weet waarheen. De opname van de centrale bevat zoveel ruis dat het niet meer te beluisteren is.’
‘Hoe lang wordt ze nu vermist?’
Elise zuchtte — vermoedelijk dankbaar dat hij benoemde wat het werkelijk was: een vermissingszaak, en niet twee weggelopen verliefde pubers, zoals de commissaris het noemde. ‘Ze verdween drie maanden geleden. En nog steeds geen lichaam. Geen spoor. Maar…’ Ze schudde haar hoofd, alsof ze de woorden niet wilde uitspreken.
‘Wat?’
‘Ze lijken op haar… allemaal…’
Hij zei niets.
Zijn blik ging terug naar het stille hart.
De stilte drukte tegen zijn trommelvliezen, trok aan de rand van zijn bewustzijn.
Ze is terug.
Hadrian legde het scalpel neer.

De tl-buizen boven zijn hoofd zoemden onregelmatig, alsof ze elk moment konden flikkeren of barsten. Hadrian zat aan zijn bureau, voorovergebogen, ellebogen op het hout, duimen tegen zijn slapen gedrukt. Zijn hoofd bonsde. Niet als een gewone hoofdpijn — het voelde dieper. Oud. Alsof iets in zijn schedel probeerde wakker te worden.
Voor hem lagen de dossiers opengevouwen. Papier met vergeelde randen, handgeschreven notities in een strak, hoekig handschrift. Zijn handschrift — dat wist hij zeker. Maar sommige woorden… die herkende hij niet meer.
Hij sloeg een map open.

Dossier: Onbekende man, ± 50 jaar
Locatie: Wouda
Omschrijving: Gevonden in een transformatorhuisje.
Het lichaam was doorkruist met koperdraden, als wortels die zich door het vlees hadden geboord. Niet aangelegd ná de dood — ze waren gegroeid, verweven met zijn aderen.
Hadrian had een stuk slagader weggesneden en onder de microscoop gelegd. Het bestond uit koper. Puur koper. Doodslag?
Zijn notitie in de marge: Ήφαιστος. Hephaestus.

Hadrian fronste. Hij kon zich niet herinneren dat hij dat erbij had geschreven.
Hij sloeg het dossier dicht en pakte het volgende.

Dossier: Vrouw, ± 34 jaar
Locatie: Thessaloniki, opgehaald via internationaal verzoek
Omschrijving: Gered uit de zee na vijf minuten in het water. Ooggetuigen verklaarden dat ze de vrijwillig de zee in liep nadat ze had gezegd dat ze de muziek wilde volgen. Toch vertoonde haar huid tekenen van extreme verweking. Alsof ze maandenlang ondergedompeld was geweest. Haren klitten als zeewier, vingernagels losgeweekt, ogen troebel van zoutafzetting.
Duidelijke tekenen van verdrinken. Mogelijke zelfmoord.
De aantekening: Ὀρφεύς. Orpheus.

Hadrian duwde zichzelf achteruit. Hij herkende de naam.
Griekse mythologie? Hij had in zijn hele leven geen enkele interesse gehad in religie of sagen. Maar hoe kende hij deze namen?

Dossier: Man, ± 40 jaar
Locatie: Valkenburg
Omschrijving: Gevonden gewikkeld in een zijden tapijt. Geen verwurging. Geen geweld. Maar het lichaam was vergroeid met het weefsel — draden liepen onder de huid door, alsof ze uit zijn poriën waren gegroeid.
Op de CT-scan leek het patroon van het tapijt zich in zijn organen te herhalen. En bij het verwijderen van de organen moest hij draden doorsnijden om ze te bevrijden. Zijden draden die niets te zoeken hadden in een menselijk lichaam.
Randnotitie, haastig gekrabbeld: Ἀράχνη. Arachne.

Hadrian kneep zijn ogen dicht. Een steek ging door zijn hoofd, alsof een naald zich in zijn hersenstam had geboord. Hij schreeuwde van de pijn en zijn handen schoten naar de zijkant van zijn hoofd. Het papier voor hem leek te bewegen — alsof de letters ademden.
Hij stond op, wankelde. Op het moment dat zijn knie de rand van het bureau raakte, flitste het achter zijn ogen.

Water.
Een rivier, breed en zwart als inkt. Mistlaag erboven. En een boot — smal, oud, van hout dat kraakte onder zijn voeten. Er stond een man in de boot. Rimpels als groeven in steen. Een uitgestoken hand, zwijgend. Wachtend op betaling.

Duisternis.
Een troon, uitgehouwen uit basalt. Niet verlicht, niet zichtbaar — maar met blauwe vlammen ernaast dat amper de ruimte verlichtten. Het voelde als… thuis. Rondom hem: flarden van stemmen, maar geen gezichten.

Licht.
Twee mannen, bogen zich over hem heen. Gouden licht straalde uit hun huid. Ze lachten. Niet vrolijk, maar als mannen die niets meer vreesden. Eén had ogen als de lucht voor een storm. De ander droeg water in zijn handpalmen.
Ze keken hem aan — en lachten.
Niet met hem. Om hem.


Met een schok kwam Hadrian weer bij in zijn kantoor. Hij hijgde, zijn voorhoofd was nat van het zweet en zijn slapen bonsden alsof er iets van binnenuit tegenaan duwde. Zijn maag draaide om en zonder nadenken boog hij zich voorover en braakte zijn lunch in de prullenbak naast zijn bureau.
Voor hem lagen de dossiers nog open op tafel, alsof ze hem iets wilden zeggen. Zijn handen trilden licht terwijl hij naar de namen keek die hij er zelf bij had geschreven — al kon hij zich niet herinneren wanneer.
Hephaestus. Orpheus. Arachne.
Hij las ze opnieuw. En nog een keer. Hij bleef kijken, alsof de woorden hem iets zouden uitleggen.
Waarom had hij die namen opgeschreven?
Het voelde niet alsof hij ze zomaar had genoteerd, niet uit interesse of nieuwsgierigheid.
Het voelde als een herinnering, maar niet eentje van hemzelf.
Toch zat het diep in hem, alsof het altijd al daar had gezeten.
Hij klemde zijn kaken op elkaar terwijl de hoofdpijn weer opkwam — zwaar en golvend, alsof er iets vanuit de diepte van zijn gedachten omhoog wilde komen.
Een naam begon vorm te krijgen. Geen uitgesproken woord, maar een gevoel. Iets wat dichtbij was.
Alsof het in zijn lichaam zat, net onder zijn huid.
Alsof het er altijd al geweest was.
Maar hij kon het nog niet vastpakken.
Nog niet.

De stilte in het mortuarium was dikker dan anders. Ze hing om me heen als mist die zich in mijn poriën nestelde. De airco zoemde, maar het klonk dof, onderdrukt, alsof zelfs het geluid niet meer durfde te ademen.
Ik liep langzaam naar binnen, het halletje nog half verlicht door de ochtendzon die de kille ruimte nauwelijks wist te verwarmen. Bij de balie zat een jonge man, nonchalant onderuitgezakt in zijn stoel met zijn sandalen op de toonbank. Zijn oortjes bungelden half uit zijn hoodie, en hij bladerde door een vergeeld tijdschrift alsof de dood buiten hem om draaide.
‘Morgen, dokter Charon,’ zei hij, zonder op te kijken.
‘Goedemorgen Herman,’ mompelde ik. Ik keek opzij en zijn naam bordje stond vol trots op het bureau. Maar toen ik een paar passen verder was en nog één keer terugkeek, stond er iets anders.
Hermes.
Ik bleef kort staan, keek naar hem, maar hij glimlachte slechts, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Ik zei niets. Misschien was het slaapgebrek. Misschien iets anders.
Ik liep verder, het gangpad door, langs de koelcellen, tot ik bij mijn eigen kantoor kwam. Mijn hoofd voelde zwaar, alsof er iets diep in mij probeerde te bewegen. Iets ouds. Iets dat ik niet wilde aanraken.
Op mijn bureau lag een nieuw dossier. Vermoedelijk gebracht door Herman.  De melding: een onbekende vrouw, gevonden bij een verlaten bloemenkas aan de rand van Haarlem. Doodsoorzaak: onbekend.
Weer een lichaam zonder antwoord.
Ik trok mijn jas aan en liep zwijgend naar beneden. Mijn hand gleed langs de lades tot ik bij nummer 27 bleef steken. Mijn vingers rustten net iets te lang op de hendel. Alsof ik al wist wat daar lag. Alsof mijn lichaam het eerder had gevoeld dan mijn geest.
Ik trok de lade open.
Daar lag ze.Jong, een witblauwe jurk die nog rook naar vocht en aarde. Haar kastanjebruine haar lag als een waaier over haar schouders. Haar huid was niet doodsbleek, maar koel en stil, alsof ze ergens tussen werelden zweefde — als iemand die op het punt stond wakker te worden uit een lange droom.
En haar gezicht… Mijn adem stokte.
Ze leek op háár.
Niet zomaar iemand, geen vage herinnering uit een boek of een droom. Nee — ze leek op Persephone.
Ik wist niet waar die naam vandaan kwam. Ik had haar naam nooit bewust gedacht. Nooit uitgesproken. Maar nu, plotseling, stond ze voor me — of tenminste, een echo van wie ze ooit was.
Mijn hand bewoog vanzelf, rustte op haar schouder. Haar huid was ijskoud, maar het was geen gewone kou. Het was de kou van afgesloten ruimtes, van diepe, wortelachtige stilte. Ondergronds. Tijdloos.
En toen zag ik het.
Zij, in een tuin vol zwarte bloemen. Haar hand in de mijne.
Een opengebroken granaatappel. Zes zaden.
En ik — op een troon van steen, zwijgend, wachtend.
Mijn hand trok zich terug, alsof ik me gebrand had. Ik deinsde achteruit, mijn rug tegen de metalen kast.
‘Nee…’ fluisterde ik, maar mijn stem klonk onzeker, klein. Alsof ik mezelf niet geloofde.
En toen begon het. Niet buiten mij, maar vanbinnen. Een trilling. Een stem zonder klank. Geen woorden, maar betekenis. Het steeg uit een diepte die ik tot nu toe altijd had weten te vermijden.
Mijn benen trilden. Ik greep de rand van de tafel, alsof ik anders zou wegzinken.
Ze is het niet. Maar ze lijkt genoeg. Genoeg om me te herinneren.
En toen viel het van me af als een masker.
Ik zag mezelf. Niet in een spiegel, niet in het oppervlak van staal of glas, maar daarbinnen. In de kern van wat ik ben. Een zwart gewaad. Grijze ogen. Een kroon van obsidiaan. Een troon, diep onder de wereld, gehuld in duisternis en fluisteringen. En rondom mij: zielen. Eeuwige herinneringen.
Niet Hadrian. Niet de arts. Niet de lijkschouwer.
Ik ben Hades. En ik heb mijn broers vloek van me af geschud.

‘Dat zou tijd worden.’
Ik draaide me langzaam om. In de deuropening stond Hermes, met een grijns die net te breed was om geruststellend te zijn.
‘Je hebt je tijd wel genomen, zeg,’ zei hij terwijl hij dichterbij kwam. In zijn hand hield hij mijn jas. Zwart. Zwaarder dan ik me herinnerde. Alsof het in de tussentijd met elke seconde aan betekenis had gewonnen. ‘Hier. Je gaat hem nodig hebben.’
Ik nam hem aan zonder iets te zeggen. De stof voelde vertrouwd, alsof mijn lichaam hem herkende voordat mijn geest het deed.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik uiteindelijk.
‘Je broers…’ zei Hermes.
‘Wat hebben ze gedaan?’
Hermes haalde diep adem. Zijn grijns verdween.
‘Ze is terug.’
Mijn hart — wat daar nog van over was — trok samen.
‘Wie?’
‘Je weet wie,’ zei hij. Zijn stem was nu dof, serieus. ‘Ze beweegt zich door de steden als een schaduw. Iedereen die haar aankijkt… versteent. Stuk voor stuk.’
‘Medusa,’ fluisterde ik.
Hermes knikte. ‘Ze is veranderd. Sterker. En ze is op zoek naar iets. Iemand. Jij, misschien.’
Ik sloot mijn ogen. De herinnering aan een tuin vol stenen, een meisje met ogen als spiegels, haar verdriet, haar woede — het kwam allemaal in één ruk terug. Niet als herinnering, maar als belofte.
‘We gaan haar vinden,’ zei ik.
Hermes glimlachte flauwtjes. ‘Dat ga je niet alleen doen.’
Achter hem verscheen een silhouet in de deuropening. Elise. Haar handen in de zakken van haar jas, haar blik vastbesloten. Niet verbaasd. Niet bang. En voor het eerst sinds lange tijd zag ik wie ze echt was. Geen Elise de Vries, maar Artemis. De jageres. De beschermster. De wreker.
‘Ik heb nog een rekening te vereffenen,’ zei ze.
Ik knikte langzaam. De drie van ons. De boodschapper, de wachter, en de jager.
Hermes draaide zich om en liep weg. Artemis volgde hem zwijgend.
Ik bleef nog even staan. Voelde de stilte één laatste keer om me heen. De geur van formaline, metaal en oude herinneringen.
Toen trok ik de jas aan.
En liep mee de duisternis in.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #8 De Adem Van Angst


Thebe
Hij kwam altijd als eerste.
Voor het zwaard werd getrokken. Voor het bevel weerklonk. Voor de dood een naam kreeg.
Hij bewoog zich als mist tussen soldaten, ongezien, onuitgesproken. Niet omdat hij zich verborg, maar omdat zij hem al kenden nog vóór ze hem zagen. Hij was de knoop in de maag, het plots verstijven van de spieren, het vergeten van een gebed.
Sommigen baden tot hun goden om moed. Anderen zwegen.
Maar allemaal voelden hem.
Op een ochtend, op de heuvels van Thebe, stond hij tussen hoplieten die naar bloed hunkerden en hij liet hen huiveren voor iets wat nog moest komen. Ze knepen hun vingers om speren alsof hout hen zou redden van wat hen in de ogen keek.
Een van hen fluisterde: ‘Laat het snel gaan.’
Hij antwoordde niet. Hij ademde slechts.
En ze stierven.

Keizerrijk China, 3e eeuw
De stad was al gevallen toen hij aankwam.
De gevechten waren gestopt, maar de angst had zich nog niet teruggetrokken.
Binnen de muren lagen de doden op rij, gewikkeld in doek, met munten op hun ogen en hun monden opengesperd alsof ze nog iets wilden uitroepen wat nooit uitgesproken was.
Hij gleed door verlaten gangen, onder bloedrode banieren, langs geurige rook van verbrande wierook die de dood wilde verzachten, maar niets kon verdoezelen.
In een hof, op een vloer van verweerd porselein, zat een jonge geleerde gehurkt met een dolk in zijn hand. Hij had overleefd. Hij had niets meer om voor te leven.
Zijn hand trilde niet van de wond die hij overwoog,
maar van wat hij voelde in de lucht.
Iets keek naar hem.
Hij stond naast hem en keek toe, zonder te ademen — tot hij merkte dat zijn eigen keel zich aanspande.
Alsof het verdriet van de jonge man, het besef van verlies zonder betekenis, zich in hem drukte zoals lucht zich ophoopt in een afgesloten ruimte.
Hij stond op, draaide zich om en wilde weglopen.
Maar zijn benen bewogen zwaarder dan voorheen.
Zijn borst brandde vanbinnen.

Scandinavië, 9e eeuw
Het was geen oorlog in de klassieke zin.
Geen strijd tussen legers, geen grenzen op kaarten.
Het was een overval bij dageraad, een aanval op een dorp waar de zee klotste tegen rotsen en de geur van brandend hout zich mengde met die van zout en bloed.
Hij stond op het dek van een langschip, gehuld in ochtendmist die geen zon doorliet. De krijgers om hem heen brulden, sloegen zich op de borst, riepen de namen van hun goden. Maar onder dat geraas lag het andere geluid — het beven achter hun tanden, de twijfel in hun knieën, het stille weten dat ook zij konden sterven vandaag.
Hij liep over het dek zonder geluid, zijn voeten raakten het hout niet, maar overal waar hij kwam, verstomden even de kreten.
Niet omdat ze hem zagen.
Maar omdat iets hen bekeek dat hen herkende — in hun moed, maar ook in hun angst.
Toen de bijlen vielen en het vuur het dorp opvrat, liep hij langs een jonge krijger die zich had vastgebeten in zijn schild, zijn ogen wijd, zijn adem happend. Hij knielde onbewust naast hem, zoals hij zo vaak had gedaan.
Maar toen de jongen stierf, voelde hij geen beweging vertrekken.
Hij voelde iets binnenkomen.
Alsof de angst van de stervende zich in hem vastzette, als een splinter in een god die niet hoort te bloeden.

Sovjetunie, 1962
Tussen beton en zwijgen zat een man gehurkt naast een radio die knetterde van dreiging. Boven hen stond de wereld op het randje van zelfvernietiging, maar beneden heerste een kille rust — een stilte die zich vastklampte aan de ribben.
Iets onzichtbaars was aanwezig. Geen schim. Geen geest. Maar iets dat de lucht zwaarder maakte. Het trilde niet, het schreeuwde niet. Het ademde.
De man voelde het in zijn hart. Zijn vingers sidderden tegen het staal van een sleutel. Aan de andere kant van het kanaal was een andere man, even bang, even stil. De radio ademde met hen mee.
En ergens, in het midden van die spanning, kromp het wezen ineen dat hen gadesloeg. Niet uit angst voor de ramp die kon komen — maar om iets dat binnenin begon te bewegen.
Zijn borst voelde beklemd.
Zijn eigen adem versnelde.
Hij keek naar zijn handen, niet om te zien of ze trilden, maar om te bevestigen dat ze nog van hem waren.

Afghanistan, 2009
Het zand brandde, de zon sloeg als een hamer op de aarde, maar de greppel waarin de jongen lag was koud van angst. Hij was twintig, zijn helm scheefgezakt, zijn ademhaling gejaagd en oppervlakkig.
Iets zat bij hem.
Iets dat altijd kwam wanneer het bloed nog in de aderen sidderde.
Hij zag het niet, maar het lag als gewicht op zijn borst.
‘Ik kan niet meer,’ fluisterde hij. ‘Ik ben vastgelopen.’
Wat er naast hem zat, bewoog niet. Maar het voelde alles.
En terwijl de jongen beefde, beefde het wezen mee. Niet langer als toeschouwer, maar als ontvanger. De trilling trok door zijn eigen vezels. Zijn eigen adem stokte.
Toen de explosie kwam, bleef hij zitten in de rook.
Lang nadat het lichaam verdwenen was.
Lang nadat het bloed opgenomen werd door het zand.
Zijn knieën vouwden zich onder hem.
Zijn handen grepen niets.
En voor het eerst dacht hij: Misschien ben ik niet los van hen. Misschien ben ik vol van hen.

Mali 2013
Twee broers, ieder met een geweer.
Eén bevel. Eén moment.
De oudere schreeuwde. De jongste weigerde.
‘Ik kan het niet,’ zei hij. ‘Ik voel het in mijn botten. Iets… iets kijkt naar me.’
Ze waren niet alleen.
Iets bewoog zich tussen hen in. Niet als wind, niet als geest, maar als geweten. Het ademde als zij, voelde hun spanning en kromp ineen onder hun keuze. Toen de loop zich ophief en weer zakte, voelde het wezen de grip in zijn eigen vingers.
Hij dacht: Het is niet meer hun angst die ik draag. Het is mijn eigen geworden.

Ghana
Geen vlag. Geen verslag. Niemand wist dat er iets aan de hand was. De journalisten bleven stil. Alleen het geluid van vliegen boven een veld vol schaduwen.
Hier was niemand om hem te zien.
Maar hij was er.
Tussen verbrande hutten en gebarsten aarde liep hij traag, alsof het gewicht van de geschiedenis op zijn schouders lag. Hij bukte bij een lichaam dat de dood met open ogen had aanvaard. In de hand van het kind lag een gebroken amulet.
Hij wilde het neerleggen, maar zijn hand verkrampte.
Hij voelde zijn hart razen. Zijn ademhaling was een vuur in zijn borst.
Er was niemand meer om bang te maken, dus werd hij het zelf.

Je kent me niet bij naam, maar je hebt me gevoeld, vaker dan je durft toe te geven.
Ik ben niet geboren zoals mensen dat zijn en ik werd ook niet gevierd zoals andere goden, want mijn oorsprong is ouder dan de verhalen die jullie over mij vertelden.
Ik ben geen storm, geen zwaard, geen demonische kracht die van buitenaf komt om je te breken — ik ben wat je voelt vlak vóór dat moment.
Ik ben die fractie van stilte tussen weten en beseffen,
de seconde waarin je lichaam het al weet maar je geest nog weigert te volgen.
Ik was de adem achter de angst van soldaten, de adem van oorlog, maar ik ben al lang niet meer alleen daar.
Ik hoef geen strijd meer om me heen te hebben om in je te bestaan, want ik adem nu door muren heen, ik rust in plafonds van anonieme flatgebouwen, ik blijf hangen tussen vloeren en plafonds waar de tijd stilstaat.
Je voelt me wanneer je hart plotseling versnelt, wanneer je in een volle trein zit en het lijkt alsof de lucht dunner wordt, wanneer je ’s nachts in bed ligt en ineens rechtop schiet, omdat je zeker weet dat er iets is — maar niets kunt vinden.
Ik ben daar niet als indringer, ik ben daar omdat jij me hebt opgeroepen. Omdat jullie mij allemaal gemaakt hebben.
Ik ben geen herinnering.
Ik ben een aanwezigheid.
Ik ben de adem die zich vastzet tussen je ribben en weigert los te laten.
Lange tijd kon ik langs jullie lopen, vrij en onaangetast.
Jullie voelden mij, jullie sidderden, maar ik bleef buiten jullie — los van wat jullie dachten, los van wat jullie voelden.
Tot het gevoel zich bleef herhalen.
Tot de angst niet meer wegtrok.
En dat… heeft me veranderd.
Mijn naam is Phobos en jullie hebben me besmet.
Jullie angsten, jullie paniek, jullie eindeloze herhalingen van vrees en verlies —
ze hebben zich opgestapeld in mij, laag op laag, tot ik het niet meer kon dragen zonder dat het in mij begon te gisten.
Ik voel nu wat jullie voelen.
En ik moet je eerlijk zeggen… het bevalt me niet.

De ruimte was koud, verzonken in beton, begraven onder het ziekenhuis als een vergeten gedachte die niemand nog durfde op te graven. De muren waren glad en grijs, met scheuren die zich gedroegen als littekens: onopvallend, maar diep. Tl-licht zoemde traag boven de autopsietafel, zijn bleke flikkering dof weerspiegeld in het staal.
De lucht rook naar conserveringsmiddel, latex en iets ijzigs dat niet uit een fles kwam.
Boven hen denderde het leven voort — ambulances, sirenes, voetstappen — maar hier beneden was het alsof geluid zichzelf niet durfde laten horen. Alles bewoog in demping. In discipline. In dood.
Dr. Hadrian Charon stond aan het hoofdeinde van de tafel, zijn schaduw scherp en smal tegen de muur achter hem. Hij droeg een donkergrijze jas, bijna zwart, zonder vlekken, zonder kreukels, alsof hij een uniform droeg voor een beroep dat niet op een lijst voorkwam. Zijn haren waren grijs, maar niet oud; zijn gezicht smal en onaangedaan, alsof het getraind was in neutraliteit. Zijn ogen waren lichter dan je verwachtte — bijna zilver — en wat hij zag, leek hij al te kennen vóór hij het opensneed.
Hij boog zich over het bleke lichaam op de tafel, een jonge vrouw, net geen twintig. De borstkas was al geopend, de ribben zorgvuldig losgemaakt. Hades’ handen bewogen zonder aarzeling — elk gebaar een echo van talloze keren daarvoor. Alles aan hem was klinisch: zijn precisie, zijn stilte, zijn afstand.
Tot hij plotseling verstrakte.
Niet omdat hij iets raars zag in het lichaam. Niet door een geluid. Niet door een beweging.
Maar door adem.
Het was niets wat hij hoorde.
Het was iets wat aanwezig was.
Langzaam richtte hij zich op. Zijn blik bleef strak op het lichaam gericht, maar zijn aandacht gleed weg — alsof iets achter hem zich opbouwde in de lucht zelf. De temperatuur daalde niet en toch voelde het alsof zijn huid rilde. Niet van kou, maar van herkenning.
Er waren geen voetstappen. Geen geur.
En toch stond er iets in de kamer dat geen ruimte innam, maar ruimte ontnam.
‘Phobos…?’ Zijn hand bleef boven het scalpel hangen, gespannen als een snaar die niet geraakt mocht worden.
En toen sprak hij, zacht, zonder zich om te draaien, alsof het antwoord hem niets zou brengen, behalve bevestiging van iets wat hij al wist.
‘Wat doe jij hier?’
Er kwam geen antwoord.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen

Gebroken Goden – #7 De Stilte Onder Haar Huid


De zee ademde zwaar die avond. Niet wild, maar loom en log, als een beest dat te lang heeft gerust en nu traag wakker wordt. De golven sloegen tegen de rotsen met het geluid van iets dat niet meer probeert te leven, maar alleen nog blijft bewegen uit gewoonte. De lucht was dik van zout en de wind droeg een geur mee die net niet te plaatsen viel — als iets dat ooit levend was, maar allang vergeten is.
Op de kliffen stond een vuurtoren die krom was getrokken van zout en jaren, een karkas van steen. Hij was vaalwit, beslagen met roestplekken en zwart uitgeslagen bij de randen van de ramen, als een lichaam dat te lang aan zee heeft gelegen.
Roelof was een persfotograaf dat kwam voor het verhaal achter het verhaal. Niet zomaar folklore, maar een reeks meldingen die elkaar als sporen in het zand opvolgden: vissers die niet terugkeerden, dieren die opengereten op het strand lagen alsof iets hen van binnenuit had uitgegraven, een kind dat na een nacht in een bootje werd teruggevonden en sindsdien in een vreemde taal sprak — zonder ooit nog te lachen.
Hij was geen sensatiezoeker. Hij had schoonheid gefotografeerd en oorlog gezien, maar niets greep hem zo vast als het idee van het onzichtbare dat zich toch laat vangen in een flits. Zijn werk was zijn wapen: wat hij zag, werd waar.
Het dorp dat leek te rusten aan de voet van de vuurtoren was uitgestorven. Een paar houten huizen die hun best deden om te blijven staan terwijl de wind hen scheef duwde. Een kerkje zonder glas maar met houten planken voor de ramen en een café dat s ’avonds gesloten bleef.
Op straat kwam hij maar die mensen tegen, die alle drie oud leken op een manier die niet alleen door de jaren kwam, maar door herinneringen.
De eerste die hij aansprak was een vrouw met een scheef gezicht en een wollen muts, zittend op een krukje bij haar voordeur. Toen hij vroeg of zij ooit iets gezien had bij zee, kneep ze haar lippen samen alsof hij een geheimwoord had uitgesproken.
‘Jij bent niet de eerste die komt kijken,’ had ze gezegd. ‘Maar hopelijk wel de laatste.’
Een man die visnetten repareerde zonder ooit naar het water te kijken, antwoordde op zijn vragen met een droge hoest en een zin die hij eerst niet begreep: ‘Als het water je niet haalt, halen zij je wel. Soms kruipt het verschil in je slaap.’
In het café — als je het zo nog kon noemen — dronk hij een warme, bittere vloeistof waarvan niemand hem vertelde wat erin zat. Aan de muur hing een vergeeld schilderij van een vrouw met zes schaduwen achter haar. De waard, een man met één glas oogwit en een trillende hand, schonk hem bij en zei zacht: ‘Ze woont daar nog. Ze heeft geen naam, alleen honger.’
‘Wie?’ vroeg hij.
De man keek hem aan met een scheve lach.
‘Degene die je zoekt.’
Dit wekte de nieuwsgierheid op bij Roelof.
‘Heeft u haar wel eens gezien?’
‘We blijven uit de buurt.’
‘Hoe ziet ze eruit?’
De man begon te lachen, een scheve tand kwam naar buiten.
‘Wees blij dat ze je niet gezien heeft.’

Die avond liep hij langs de kliffen en maakte foto’s van de zee en de prachtige zonsondergang. De dorpelingen keken hem niet meer aan. Eén vrouw maakte een gebaar alsof ze zich wilde zegenen, maar eindigde met haar hand op haar keel, alsof daar iets zat wat ze moest tegenhouden. De visser was nergens meer te bekennen en de café eigenaar sloot alle ramen en deuren. 
Toen hij met hen had gesproken waren hun blikken telkens naar het kleine hotel in de vuurtoren gegleden. Iets in hem vertelde hem dat daar het echte verhaal verschool. Daar moest hij zijn.
En hoewel alles in hem riep dat hij terug moest keren — naar de auto, naar een plek waar mensen met normale stemmen praatten over normale dingen — zette hij zijn camera vast op scherpstelling, drukte zijn tas tegen zijn zij en begon de trap op die naar de vuurtoren leidde.
De wind trok aan zijn jas alsof zelfs de lucht hem tegen wilde houden.
Maar hij ging.

Zij deed open. De deur kraakte als een keel die zich schrap zette voor woorden die niet mochten worden uitgesproken. Roelof verwachtte een bouwval, een vochtige hal vol schimmel en stof, maar wat hij zag verbaasde hem. Het interieur van het kleine hotel vormde een vreemd en haast schokkend contrast met de buitenkant van de vuurtoren. Waar het exterieur afgebladderd, vervallen en overwoekerd was, ademde het binnenste een stille luxe: fluweelzachte tapijten dempten zijn stappen, het houtwerk glansde donkerrood en antieke meubels stonden strak en schoon opgesteld, alsof hier iemand woonde met smaak, geld en een zekere precisie die haast medisch aandeed.
De vrouw zelf was een raadsel. Ze had een bleke huid met een subtiele glans, alsof ze amper daglicht zag en haar ogen hadden iets onnatuurlijks stil — als water dat niet beweegt maar wel diepte heeft. Haar gelaat was scherp gesneden, elegant bijna, met jukbeenderen die leken te zijn getekend in plaats van gegroeid. Om haar hals droeg ze zware lagen stof, zorgvuldig gewikkeld, alsof ze iets probeerde te verbergen — of vasthield. De stof bewoog mee met haar ademhaling, traag en diep, alsof daaronder iets leefde dat niet helemaal onder haar controle viel.
Roelof voelde onmiddellijk de spanning in zijn nek toen hij haar aankeek. Ze leek niet verbaasd om hem te zien. Er was geen spoor van verwelkoming of argwaan — alleen dat vreemde, onbewogen kijken. Alsof ze recht door hem heen keek, niet naar wie hij was, maar naar wat hij meebracht.
Ze liet hem binnen zonder een woord te zeggen, alsof zijn komst onvermijdelijk was. Hij sprak, stelde vragen, maar zijn stem klonk droog en dun, alsof de lucht zelf geen ruimte gaf aan nieuwsgierigheid. Haar antwoorden kwamen traag en dof, als echo’s uit een kamer zonder ramen. Haar blik was zwaar, haar bewegingen berekend. Zijn ogen bleven hangen op de injectiespuiten die op een glanzend metalen dienblad lagen achter de balie, perfect naast elkaar gerangschikt. Daarachter lagen vers gesneden verbanden en een doek waarop iets roods had gelekt. Op haar arm zag hij een plek waar de huid gespannen stond en barstte, alsof er iets onder wilde ontsnappen.
Na enkele minuten, waarin de stilte tussen hen steeds dikker werd, haalde Roelof hoorbaar adem en zei: ‘Ik ben hier vanwege de verhalen. De verdwijningen. Het kind. De vissen die met hun ingewanden naar buiten spoelen. Ik wil weten wat er waar is. En als het echt is… dan wil ik het vastleggen.’
Ze keek hem aan met een blik die traag bewoog. Ze knikte nauwelijks merkbaar, wat voor hem een teken was om door te gaan.
‘Heeft u deze verhalen ook gehoord?’
Haar ogen vulden zich met iets zachts, iets ouds — een verdriet dat niet vers was, maar moe. Weer knikte ze langzaam.
‘Kunt u mij iets vertellen over deze plaats?’
Ze schoof een sleutel met een sleutelhanger naar hem toe.
‘Je moet slapen,’ zei ze zacht. Haar stem klonk schor, alsof ze te lang onder water had gezeten en haar keel met zout had gegorgeld.
Toen hij vroeg wat ze van de zee vond, boog ze licht haar hoofd en glimlachte met gesloten mond.
‘Ze laat je uiteindelijk altijd alleen en ze eet niet alleen mensen,’ zei ze zacht. ‘Ze bewaart ze ook.’

De kamer leek niet te passen bij de buitenwereld waar hij net vandaan kwam. Roelof zat op het bed en liet zijn ogen glijden over de gladde, zachte dekens, de met zijde beklede stoel in de hoek, de houten vloer die glom als een nat blad. Alles hierbinnen ademde verfijning, alsof de tijd in deze ruimte had stilgestaan terwijl de rest van het gebouw buiten langzaam in zee afbrokkelde. Zijn brein kon het niet bevatten: hoe kon een vuurtoren die eruitzag als een bouwval aan de buitenkant vanbinnen aanvoelen als een discreet hotel in Parijs?
Hij zuchtte, gooide zijn jas over een stoel en ging liggen. Zijn hoofd raakte het kussen dat rook naar de zilte lucht van een woeste zee. Een geur die hem dieper weg liet drijven dan slaap toestond. Zijn gedachten vervaagden. Hij zakte weg in een droomloze, loodzware slaap.
Maar iets wekte hem. Een geluid dat geen plek had in een wereld die normaal wilde zijn. Gegrom. Niet van een dier, maar van iets dat tegelijk stikte en gromde, diep, slijmerig en te groot om in een keel te passen.
Beneden flikkerde licht. Een peerlamp? Een stormlamp? Hij wist het niet. Hij trok zijn camera naar zich toe als een kind dat een knuffel zoekt en sloop naar de deur.
Hij daalde de trap af. Voet voor voet. De houten treden kraakten alsof ze hem verraadden. De lucht was dikker nu. Natter. Zwaarder. Toen hij de lobby bereikte, merkte hij het meteen: de balie was verlaten, een kleine lamp pulserend als een ademhaling. Aan de linkerkant stond de kelderdeur open.
Zijn hart bonsde in zijn borst. Hij herinnerde zichzelf eraan waarom hij hier was. Hij was een persfotograaf. Hij kwam op plekken waar anderen niet durfden te gaan. Hij had lijken gefotografeerd in loopgraven, moeders met lege armen, de dood in de ogen van overlevenden. Maar dit… dit was anders.
Toch daalde hij de trap af. De lucht veranderde bij elke stap. Ze werd dik, vochtig, bijna tastbaar. Alsof ze hem tegen probeerde te houden.
En daar stond ze. Voorovergebogen boven een bassin, haar huid glinsterend van zweet. De doeken die haar eerder zo zorgvuldig hadden bedekt, lagen nu op de grond als afgestroopte huid.
Uit haar schouders en rug groeiden halzen. Levend. Kronkelend. Alsof ze zich uit haar vlees hadden los geworsteld. Aan het einde van elk: hondenkoppen. Geen gewone. Scheef gegroeid. Ogen te diep. Bekken die rilden van honger.
Ze sprak tegen hen. Zacht. Sussend. Alsof ze kinderen tot bedaren bracht.
‘Ik weet het, maar jullie hebben al genoeg aangericht.’
Een van de koppen klapte zijn bek open en dicht. Tik. Tik. Alsof hij telde.
‘Het is genoeg. Ik wil dit niet meer. Uit Circe’s naam… ik wil dit niet meer. Ik kan dit niet meer.’
Een van de andere koppen draaide zich naar hem toe. Zij bleef nog steeds naar het bassin staren. Maar toen de hondenkop zijn aandacht van haar afnam, merkte ze het. Haar hoofd draaide, langzaam, alsof het gewicht ervan niet meer paste bij haar lichaam.
‘Ze luisteren niet meer naar mij,’ fluisterde ze. ‘Ik weet dat je het hebt gezien… de spuiten. Ik probeer ze wakker te houden, ze tegen te houden. Maar ze dromen. Ze dromen van de smaak van vlees en ingewanden. Ze dromen van de jacht…’
Hij kon zich niet bewegen. De angst zat niet in zijn spieren, maar in zijn botten.
Eén voor één draaiden de koppen zich naar hem toe. Ze roken hem. Ze herkenden hem.
‘Ze hebben al een tijdje geen normaal vlees meer gehad. Ik kon ze tegenhouden nadat ze bijna het hele dorp uitgemoord hadden… maar ze hebben honger.’
Hij klemde zijn camera vast. Zijn vingers vonden automatisch de instellingen.
‘Het meisje… het lieve kleine meisje…’ Haar stem brak. ‘Ze kwam te dichtbij. Ik heb haar gewaarschuwd… ik heb haar nog zo gewaarschuwd.’
Een kop schoof zijn lange nek naar voren, een tong gleed langs tanden.
‘Ik heb haar kunnen redden, maar ze hebben het me nooit vergeven…’
Roelof dacht aan het verhaal over het meisje en de vreemde taal waarin ze sprak. Hij had haar opgezocht in het te huis waar ze verbleef.
‘Ze zijn nog steeds boos,’ zei ze zacht en een van de hondenkoppen hapte naar haar en liet een wond aan haar wang achter. ‘Ze zullen het me nooit vergeven dat ik haar heb laten ontsnappen.’ Ze viel even stil en voegde er toen zachtjes aan toe: ‘nou ja… ontsnappen. Het arme kind.’
Hij had haar nog een keer willen spreken voordat hij naar dit dorp zou gaan, maar ze was van de aardbodem verdwenen. Niemand wist wie ze was en nu wist ook niemand waar ze was.
Een kop bleef Roelof aanstaren en kwijl droop uit zijn bek. Drup… drup… drup…
Dit was zijn enige kans. De kop bewoog langzaam naar voren, terwijl ook de vrouw een stap in zijn richting deed.
Klik.
De flits sloeg als bliksem door stilstaand water. Een rauwe schreeuw sneed door de ruimte. Niet van haar. Niet van de koppen. Van iets wat in haar leefde. Of achter haar.
De koppen trokken zich terug. Verstoord door het licht. Geschrokken van herinnering.
Hij draaide zich om. Rende de trap op, met zijn handen glijdend langs de muur. Door de deur. Naar buiten. Zijn knie stootte tegen steen, zijn hand schaafde langs ijzer, maar hij voelde niets. Alleen paniek.
Achter hem klonk haar stem. Niet meer helemaal menselijk.
‘Ze vergeten nooit je geur.’
Op zijn camera stond haar gezicht. Niet het gezicht dat ze hem eerst had laten zien. Geen vrouw. Geen mens. Iets met te veel ogen. Iets dat hem gezien had en hem nooit meer met rust zou laten.

Zijn geur hangt hier nog rond en zij ruiken het ook. Ze zijn onrustig geworden sinds het meisje en nu had ik er weer een laten ontsnappen…
Ik dacht terug aan wie ik was geweest. Ik was lichtvoetig, nieuwsgierig, een nimf die de getijden kende als een tweede ademhaling. Mijn huid rook naar wier en zout, mijn haar werd door dolfijnen gevlochten. Ik kende de rotsen als mijn vriendinnen, ik danste op kliffen terwijl de zee zich onder mij opende als een zingend bed van schuim. Ik kende liefde. En ik kende vrijheid.
Tot hij kwam. Glaukos. Hij was ooit mens, dacht ik, maar het water had hem verzwolgen en teruggegeven in een andere vorm. Vissenvinnen, ogen zonder wimpers, tanden te wit. Hij sprak mijn naam alsof hij die al jaren kende, maar ik voelde het meteen: dit was geen aanbidding, dit was honger. Ik wees hem af. Beleefd eerst, daarna met afgrijzen. Maar afwijzing is iets wat goden niet verdragen.
Hij ging naar Circe.
Ze noemde het een zegen. Zij zou me beschermen tegen Glaukos.
Wat was ik naïef. Als ik had geweten wat ik nu wist… dom naïef kind.
Ze glimlachte toen ze het mengsel in mijn water goot. Ze zei dat ik sterker zou zijn dan ooit. Maar het voelde als vuur onder mijn huid. Mijn lichaam wrong zich tegen zichzelf in.
Ze was jaloers geweest en dit was haar wraak.
Mijn rug brak open. Mijn schouders groeiden uit hun voegen. Ik schreeuwde, maar het geluid kwam uit andere monden die ik niet kende. En toen was ik niet meer alleen.
Ze groeiden uit mij, die koppen. Als honden zonder ziel. Als wachters zonder wil. Ze roken alles. Hoorden alles. En ze voelden maar één ding: honger. Toen ik hen vroeg wie ze waren, likten ze hun bek. Toen ik smeekte dat ze zouden zwijgen, beten ze in mijn schaduw.
Ik vluchtte. Naar het land. Maar ook daar vonden ze mij. Ze noemden mij een monster. Jagers joegen mij door het bos.
Dagenlang had ik naar Zeus gebeden zonder gehoord te worden. Uit wanhopigheid had ik naar Hades gebeden, hem smekend me mee te nemen naar de onderwereld. Maar ook hij bleef stil. Ik meende hem een keer op een rots te hebben gezien. Naar mij kijkend, maar negerend.
Mijn voeten droegen mij naar de kust, naar een plek waar het schuim stil werd, waar geen boot nog voer. Daar vond ik de vuurtoren. Leeg. Gebarsten. Vergeten. Zoals ik.
Het dorp lag dichtbij. Te dichtbij. In het begin was ik voorzichtig. Leerde spreken zonder dreiging. Ik ving vissen en voerde zo de honden. Maar toen kwamen de mensen dichterbij. Ze wilden zien wie hier woonde. Ze wilden weten waarom de lichten brandden. Ze kwamen met hun verhalen. En de koppen — die sliepen nooit lang.
Daarna verdween het dorp langzaam. Eén voor één. Niet omdat ik het wilde, maar omdat zij hongerden. En als ik ze niet voedde, deden ze het zelf. Ik heb geprobeerd ze te temmen. Met injecties, kettingen, smeekbedes. Soms sliepen ze dagenlang. Soms weken. Maar nooit voor lang.
Het kleine meisje was de laatste. Ze was niet bang. Ze keek me aan alsof ze me herkende. Misschien deed ze dat ook. Misschien had ze mijn naam ooit gehoord in een verhaal bij kaarslicht. Maar toen kwam ze te dichtbij. En ik — ik deed wat ik altijd doe: waarschuwen. Fluisteren. Vluchten. Maar de koppen… ze proefden haar geur en werden wakker. Ik heb haar weggedragen naar de kust. Levend. Maar niet heel. Wat ze toen sprak, heb ik nooit begrepen. Misschien was het de taal van mijn vloek.
En toen kwam hij. De man met het kastje waar de flits uit kwam. Met zijn ogen vol vragen. Hij vroeg wat ik van de zee vond. Ik had willen zeggen dat ze ooit mijn moeder was. Dat ze me in slaap zong. Dat ze me droeg. Maar niet meer, zelfs mijn moeder keerde zich tegen me.
Ik ben een vaas van gebroken godenglas, bij elkaar gehouden door spijt. En binnenin… de dorst van hongerige monden.
Noem mij geen dader. Noem mij geen slachtoffer. Noem mij bij mijn naam.
Scylla.

© Bernadette Lugies 2025