English-> The Mirror
Een vertelling vanuit iemand ander’s oogpunt. Wat als Sneeuwwitje niet zo onschuldig was als jij dacht…
Ze zeggen dat ik krankzinnig ben geworden. Dat mijn jaloezie me verteerde.
Dat ik haar schoonheid niet kon verdragen. Dat ik haar heb willen vergiftigen, alleen maar omdat zij jong was, en ik… ouder werd.
Ze liegen.
Of nee — dat doen ze niet. Ze geloven wat zíj zegt. En alleen omdat zij het hen heeft laten geloven.
Ik was de koningin. Moeder. Weduwe. Vrouw van het volk.
Alles wat ik deed, deed ik met opgeheven hoofd.
Toen haar moeder stierf tijdens de geboorte, nam ik haar op als mijn eigen kind. Een schrale, witte baby in een bassin van bloed.
De vroedvrouw keek weg toen ik haar vasthield.
‘Haar huid,’ fluisterde ze. ‘Alsof ze al geen bloed meer heeft.’
Ik dacht toen nog dat het rouw was. Rouw en toeval.
Ze groeide op. Stil. Gehoorzaam. Té gehoorzaam. Alsof ze iedereen observeerde. Leerde.
Toen ze negen was, begonnen de katten van het paleis haar te volgen.
Ze keken haar aan alsof ze haar aanbaden — onderdanig, tot op het griezelige af.
Eén beet zijn eigen tong door toen ze hem streng aankeek.
’s Nachts dwaalde ze soms door de gangen. Op blote voeten, met haar haren los, als een schim.
Eén keer volgde ik haar. Ik had mijn mantel over mijn nachthemd gegooid, de kaars flakkerde in mijn hand.
Ze stond in de troonzaal. Alleen.
Of… dat dacht ik.
Er zat een man op zijn knieën voor haar. Zijn nek gebogen. Zij streelde zijn haar. Teder.
Toen zei ze: ‘Je mag nu gaan slapen.’
Hij liet zich achterover vallen, als een pop waar het touw uit getrokken was.
Toen ze me zag, glimlachte ze. Niet betrapt. Niet beschaamd. Alsof ík degene was die iets verkeerd deed.
Vanaf dat moment begon het hof te veranderen.
Mijn adviseur kreeg bloedarmoede. De hofmeester werd rusteloos, sliep nooit meer. Hij rende zichzelf op een nacht letterlijk dood.
En Sneeuwwitje?
Zij bloeide juist op. Altijd even beleefd. Altijd even puur.
Ze noemden haar een zegen. Een wonderkind. Ze zong zo mooi dat de vogels stil werden.
Mensen kwamen van heinde en verre om haar glimlach te zien.
En ik… ik zag haar voor wat ze werkelijk was.
Ik zocht hulp bij de spiegel. Een erfstuk, doorgegeven van koningin tot koningin.
Vervloekt, zeiden sommigen. Maar de spiegel is niet vervloekt. Hij is eerlijk.
Hij gelooft geen woorden — hij ziet de waarheid.
‘Spiegel, spiegel aan de wand,’ fluisterde ik met droge keel, ‘wie is het mooiste in dit land?’
De spiegel beefde. En toen sprak hij.
‘Zij. Zij met huid zo wit als kalk. Haar schoonheid is een sluier. Haar ogen drinken meer dan licht.’
Vanaf dat moment wist ik dat ik haar moest stoppen.
Niet om mijn eigen eer. Niet om schoonheid, maar om het koninkrijk.
De kinderen sliepen niet meer. De priesters baden zonder effect.
En zij?
Zij wandelde door de nachten zonder schaduw. Zonder moe te worden.
Ik liet een jager roepen. Een man zonder familie. Zonder banden. Hij kreeg een mes van zilver.
Ik zei niets over wie ze was. Alleen wat ik van hem verlangde. Hij keerde niet terug.
Dagen later vonden we zijn lichaam in het bos. Dood. Zonder een druppel bloed.
Zijn gezicht… bevroren in een uitdrukking van aanbidding.
Ze vluchtte het woud in. De mensen huilden, riepen haar naam, noemden míj een monster.
Ze geloofden haar.
Omdat ze hen had betoverd. Omdat haar stem hun wil brak. Omdat haar schoonheid verblindt.
Nu zit ik alleen in de toren. Niemand komt op bezoek. Ze zeggen dat ik vergiftigd ben door wrok.
Dat ik mijn troon kwijt ben aan mijn eigen haat, maar ik weet beter.
De spiegel spreekt nog steeds.
Elke avond, als de wind door de toren huilt, kijk ik erin.
En dan zegt hij: ‘Ze komt terug. En ze is hongerig.’
©Bernadette Lugies 2025
