Een hervertelling uit het oogpunt van de heks, uit het Grimm sprookje “Hans en Grietje”.
Iedereen noemde mij een heks. Niet omdat ik iemand kwaad deed, maar omdat ik anders was. Omdat ik als meisje al kruiden kon benoemen zonder ze te hoeven ruiken, omdat ik instinctief aanvoelde welke bast de koorts kon breken en welke bloem de slaap verzachtte of juist het hart stillegde. Omdat ik zweeg waar anderen spraken, en liever mijn dagen doorbracht in het gezelschap van bladeren en wortels dan tussen de stemmen van mensen.
Ik groeide op aan de rand van het dorp, waar de huizen verder uit elkaar stonden, de wind vrij spel had tussen de muren en de lucht zwaarder was van stilte. Mijn moeder leerde me wat zij wist—hoe je een wond sluit, hoe je pijn kunt stillen, hoe je moet kijken naar een mens om te weten wat hem ontbreekt. Mensen kwamen bij haar, met kinderen op de arm of angst in de ogen, vroegen om hulp, namen af wat ze kregen en gingen weer, altijd met een zekere schroom, een aarzeling, een halve stap afstand alsof ze dachten dat wij iets droegen wat af zou kunnen geven, iets dat niet uitwasbaar was.
Toen mijn ouders stierven in die barre winter die overal in het dorp tekens van verlies naliet, kwam er niemand aan mijn deur. Geen pan soep, geen hand op mijn schouder, geen stilte die gedeeld werd. Alleen fluisteringen in het voorbijgaan: ‘Ze woont daar nog steeds, dat meisje van de kruiden.’ En daarna: ‘Ze is vreemd.’ En later: ‘Ze is gevaarlijk.’
Ze noemden mij een heks voordat ik het zelf ook maar had overwogen.
En dus besloot ik het maar te zijn, op mijn eigen manier—niet zoals zij het bedoelden, met vloeken en duistere machten en zwarte katten, maar als een vrouw die zich losmaakt van wat haar nooit heeft omarmd, als iemand die geen behoefte heeft aan hun omgang of hun angst. Ik trok me terug, bouwde een huis zoals niemand anders dat ooit had gedaan, diep in het bos waar de eiken oude geheimen bewaren en de lucht anders ruikt, scherper, eerlijker. Ik maakte mijn muren van suikerwerk, mijn dak van drop en kruidkoek, mijn ramen van gekristalliseerde honing, niet om te lokken, niet om te verleiden, maar simpelweg omdat ik het mooi vond en het me vreugde gaf, omdat ik het kon maken zoals ik het wilde—en omdat de bomen niets terugzeggen.
Maar ook daar bleef ik niet onopgemerkt.
In de schemering van lange zomerdagen hoorde ik ze soms: kinderen uit het dorp, lachend en fluisterend tussen de struiken, verstoppertje spelend met hun eigen moed. Ze dachten dat ik hen niet zag, maar ik hoorde het knakken van twijgen onder hun voeten, het zachte gegiechel dat uit hun buik leek te komen. En soms, als ik ’s ochtends de deur opende, ontdekte ik dat er een hoek van het raamkozijn was weggeknaagd, en een dag later vond ik sporen van hun overmoed in de vorm van braaksel op het pad. Ze namen wat ze konden, likten hun vingers af en gingen weer terug naar hun wereld.
Op een avond betrapte ik er vier, met kleverige vingers, suiker in hun haar en kruimels op hun wangen. Ik hoefde niets te zeggen—ik keek slechts, en dat was voldoende. Ze dropen af, als muizen betrapt in een voorraadkast, hun moed uit hun voeten gelopen.
Ze kwamen niet meer terug, en ik vond dat niet erg. Dat was juist wat ik wilde: een huis dat men zag, waarover men sprak, maar dat men liever met rust liet. En dat werkte. Jarenlang.
Het begon onschuldig, als alles wat gevaarlijk is. Ik hoorde eerst een tikkend geluid, zacht en ritmisch, alsof iemand met nagels op de buitenmuur trommelde. Toen ik de deur opende, stonden ze daar. Een jongen en een meisje, broodmager, met ingevallen gezichten en modder tot aan hun knieën, alsof ze uit de aarde zelf waren opgegraven. Hun handen waren vol stukken van mijn muur—marsepein, nougat, drop—en ze keken me aan zonder schaamte, zonder angst, alsof ik niets meer was dan een schim in hun weg. En toen lachten ze.
Er was iets in die lach dat ik niet helemaal begreep, iets dat me niet beviel, maar ik voelde medelijden. Hoe kon ik dat niet voelen? Ze waren magerder dan ik ooit had gezien, als dode vogeltjes met bonkende harten. Dus ik liet hen binnen. Ik verwarmde melk, sneed brood, bracht dekens en legde ze zacht neer bij de haard. Ze aten zonder een woord, zonder een dank, als beesten die nog net weten hoe een lepel werkt.
Maar in de dagen die volgden veranderde de atmosfeer. Dingen begonnen te verdwijnen. Niet alleen snoep van het huis, maar ook potten uit de keukenkast, kruiden uit mijn werkhoek, een bijl uit het houthok. En op een ochtend, toen ik naar de oven liep, ontdekte ik in het roet kleine vingerafdrukken—plakkerig, zwart, bijna spelend met de rand van wat gevaarlijk is.
Die nacht werd ik wakker van glasgerinkel. Mijn slaapkamerraam—een stuk prachtig gegoten suikerwerk—lag in duizend scherpe scherven over de vloer. En beneden, in de keuken, stond Grietje. In haar hand het mes waarmee ik salie had gesneden, dat ik gebruikte om schors te schrapen en uienringen dunner dan papier te maken. Ze keek niet geschrokken, niet betrapt, maar vastberaden.
Toen ik haar vroeg wat ze aan het doen was, antwoordde ze slechts: ‘Je hebt genoeg gehad.’
Ze keerde terug naar bed, alsof het een droom was die haar even onderbrak, maar de volgende ochtend vond ik de dekens opgevuld met takken. De kinderen waren verdwenen. Alleen de stilte was gebleven.
Tot ik naar buiten keek en Hans op het dak zag. In zijn hand hield hij een ijzeren staaf.
Hij sprong.
Ik struikelde. Ik viel.
Wat er daarna gebeurde is moeilijk te zeggen. Ik herinner me flarden—rook in mijn neus, brandlucht aan mijn huid, de oven die openstond als een hongerige bek. Ze hadden geprobeerd mij te verbranden, daar waar ik het vuur het beste kende.
Ik handelde niet uit woede. Ik handelde uit angst. Uit instinct. Ik duwde hem. Zijn lichaam viel tegen de stenen rand. Iets brak. Zijn nek, vermoedelijk. Of mijn geweten. Of misschien was het verschil tussen die twee allang verdwenen.
Toen begon Grietje te gillen, maar het klonk niet als verdriet, het was geen kind dat rouwde. De klank was rauw en hol, als een echo uit een diepe put, een oerkreet die eindelijk, na al die tijd, aan het oppervlak mocht komen. Ze keek me aan met ogen die ik niet herkende—niet als die van een kind. Ze waren leeg van verdriet, vol van iets anders. Kalmte. Berekening. Beheersing.
Ze raapte het mes op. Mijn mes. Ze bewoog zich naar mij toe met een koele doelgerichtheid, niet als iemand die zichzelf verdedigt, maar als iemand die uit een lange sluimer ontwaakt om te doen waarvoor ze gekomen is.
Ik probeerde me te verweren, maar mijn lichaam werkte niet mee. Mijn arm was slap, mijn hoofd zwaar, en zij—zij duwde me met vaste passen richting de oven, die nog steeds open stond te zinderen. De vlammen likten langs de rand van het gietijzeren mondstuk alsof ze wisten wat eraan kwam.
‘Het brood moet nog even verder,’ zei ze, met een glimlach die scherper was dan welk mes dan ook.
‘Ik ben geen brood,’ fluisterde ik nog.
Maar ze luisterde niet.
Ze keek rond, knikte bijna goedkeurend, en toen zei ze: ‘Je huis is zo mooi.’
En met een zachte maar resolute beweging duwde ze me naar voren.
Mijn rug raakte de rand, mijn voeten gleden weg op een plas gesmolten stroop, en ik viel, viel diep, viel in mijn eigen vuur.
De hitte sloot zich om mij heen als een bek die zich eindelijk sloot. Mijn huid begon te sissen, mijn adem te branden. Alles wat ik ooit had gemaakt, alles wat ik ooit had verzameld, smolt samen met mij.
En terwijl ik nog net kon horen hoe ze mijn kastjes opentrok, hoe glazen flessen braken, hoe kruidenpotten omvielen, hoe snoep werd ingepakt, begreep ik het pas echt.
Ze nam alles. Alsof het altijd al van haar was geweest.
En het laatste wat ik dacht, terwijl mijn lichaam versmolt met de suikerstenen en mijn laatste adem werd opgegeten door de oven, was dit: Ik was nooit het monster in dit verhaal.
Ik dacht alleen dat ik wist wie het wel was.
©Bernadette Lugies 2025

