gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden #10 – De Jacht


We vonden hem in de as van zijn eigen verleden.
Prometheus had zich teruggetrokken in een verlaten steengroeve bij Dragtstraat—een plek waar de mist dik op de grond bleef hangen en het zonlicht leek te weigeren om te blijven. Alles rook er naar ijzer, naar schaduw, naar dingen die ooit eeuwig leken maar toch gebroken raakten.
Artemis was de eerste die hem zag. Ze had urenlang zijn sporen gevolgd: vervormde voetafdrukken tussen rotsen, een schaduw die zich door het gruis had gesleept. Hij had zich niet verstopt. Hij had gewacht.
Toen we hem benaderden, stond hij recht, zijn borst geheven alsof hij nog altijd een titan was. Zijn huid was gebarsten van binnenuit, zijn ogen hol, maar zijn stem—die trilde niet.
‘Laat me met rust,’ zei hij. ‘Ik heb jullie niets meer te geven.’
Hermes stapte naar voren, zijn toon kalm, bijna vermanend. ‘We zijn hier niet voor jou. We zoeken Medusa.’
‘Zoals jullie mij hebben gezocht?’ zijn stem had een woedende ondertoon.
‘Je weet dat we haar moeten vinden. Ze vermoordt onschuldige mensen, Prometheus. Ze laat de wereld achter in steen.’
‘In steen…’ Prometheus’ lippen trokken zich in een wrange grijns. ‘Zoals ik eeuwenlang aan steen was geketend? Zoals jullie haar lichaam versteenden en haar hart vergaten? Vergeet het. Ik geef haar niet prijs.’
‘Het is geen keuze meer,’ zei ik.
Hij keek naar mij, zijn blik oud en uitgeblust, maar niet verslagen. ‘Jij, Hades, van alle goden, zou beter moeten weten. Jij ziet de doden. Jij weet dat zij niets is begonnen. Alles wat zij nu doet… is jullie schuld.’
Ik zette een stap dichterbij. Mijn stem werd laag, vloeibaar. ‘Denk aan de mensen, Prometheus. Denk aan de onschuldigen. Help hen. Zoals je altijd hebt gedaan.’
Hij lachte. Kort. Bitter. ‘Je spreekt over onschuld terwijl je zelf uit vergetelheid bent gesneden. Jij kent geen schuld. Je verzamelt alleen wat overblijft. Ik ben degene die gaf. Jij… neemt alleen maar.’
Ik voelde iets knappen in me.
Hij was niet zoals de anderen. Niet breekbaar met woorden.
Ik knielde voor hem, legde een hand op zijn knie. Mijn stem werd zacht, als water dat onder deuren sijpelt.
‘Ik kan haar veilig houden,’ fluisterde ik. ‘Als jij me vertelt waar ze is. Ik ben niet als mijn broers. Ik wil haar geen pijn doen. Ik wil alleen dat het stopt. Voor haar. Voor jou.’
Hij antwoordde niet. Hij keek weg. En in die stilte—die afwijzing—voelde ik iets in mezelf omdraaien.
Geen overtuiging. Geen redelijkheid. Alleen koude, oude macht.
Mijn vingers trokken zich aan. Mijn kracht sloop langs zijn botten, door zijn huid, in zijn herinneringen.
Hij begon te beven. Niet van angst, maar van de pijn die ik naar boven bracht—de adelaars, het vuur, het ijzer dat door zijn ingewanden had geslaan en de pijn dat hij dagelijks vanuit de mensen voelde. Ik liet hem voelen wat tijd hem net had leren vergeten.
‘Zeg het me,’ siste ik. ‘Zeg het.’
Hij gromde, bloedde uit zijn neus, zijn tanden knarsten. Artemis keek toe, haar blik strak. Hermes wendde zijn hoofd af.
Ik voelde het moment.
Dat dunne, trillende moment waarop zelfs titanen buigen.
En toen, met gebroken stem, nauwelijks meer menselijk, fluisterde Prometheus:
‘Onder de oude stad… bij Helsbergen. Daar waar de aarde ademt. Ze zit diep. In een tunnel waar zelfs jij niet graag komt.’
Ik liet hem los.
Hij viel op zijn zij, zijn ademhaling zwaar en ongelijkmatig.
‘Jullie zijn niet anders dan hij,’ fluisterde hij. ‘Ze maakt van jullie wat jullie echt zijn. En dat is het enige waarvoor ik haar bewonder.’
Ik stond op. Mijn handen trilden niet. Maar in mijn borst klopte iets anders—een echo van mezelf die ik liever niet hoorde.
Ik had hem gebroken. Niet omdat het moest, maar omdat het kon.
En wat zegt dat over mij?
Wat zegt dat over een god die het einde draagt, maar het begin is vergeten?

Ik heb nooit gejaagd zoals Artemis dat kan.
Waar ik mijzelf beweeg in de stilte van de dood, traag en zonder haast, is zij alles wat scherp en levend is. Haar zintuigen lijken geslepen tot voorbij het menselijke. Ze ziet wat anderen missen, hoort wat zelfs de echo’s nog verbergen, voelt waar de lucht net iets kouder is dan normaal. Als een roofdier in een verlaten bos beweegt ze door de ondergrondse gangen, haar voeten geruisloos, haar adem beheerst, haar ogen altijd op zoek.
Ze loopt voor ons uit en raakt met haar hand de muur aan. Tussen lagen graffiti en schimmel, tussen roestplekken en afbladderend beton, stopt ze plotseling. Haar vingers rusten op een reeks vreemde tekens die in cirkelvormen over de muur kronkelen.
‘Kijk,’ zegt ze zacht, terwijl ze de patronen volgt met haar wijsvinger. ‘Ze zijn met iets scherps gekrast. Niet recent, maar vers genoeg om nog niet vervaagd te zijn. Zie je de vorm? Ronde lussen, als… slangen die zich oprollen.’
Hermes komt naast haar staan en tuurt naar de muur. ‘Of als haar.’
Ik knik langzaam. ‘Ze is hier geweest. Ze heeft dit achtergelaten. Niet als val, maar als teken. Misschien als waarschuwing. Misschien als herinnering.’
Artemis trekt haar hand terug, maar blijft nog even staan, alsof ze luistert naar wat de muur haar wil zeggen. Dan sluit ze haar ogen en ademt diep in.
‘Slangen, stof, steen. Ze houdt zich laag, maar de ruimte is gevuld met haar. Alles voelt zwaarder.’
Ze opent haar ogen weer. De blik die ze me geeft is scherp en helder.
‘We zitten haar op de hielen,’ zegt ze.
Zonder aarzeling beweegt ze zich voort, sneller nu, alsof elke stap haar dichter bij iets brengt dat al te lang buiten bereik was. We volgen haar door de kronkelende tunnel, de lucht wordt vochtiger, benauwder, en het licht steeds schaarser.
De muren lijken te leven—schaduwen verschuiven met elke beweging, en elke stap echoot alsof iets ons terugfluistert.
Dan stopt Artemis opnieuw, haar blik gefixeerd op de grond. Ze hurkt en raapt een stukje spiegel op, een scherf niet groter dan een handpalm.
‘Ze heeft hier naar zichzelf gekeken,’ fluistert ze, meer tegen zichzelf dan tegen ons.
De spiegel ligt in het stof, gebarsten in drie lijnen die samen lijken te wijzen naar de donkere doorgang verderop.
Ik zie iets in Artemis’ gezicht. Niet angst, niet woede, maar iets rauwers. Spijt, misschien. Of schuld die haar lang heeft achtervolgd.
Hermes komt dichterbij. Zijn ogen glijden langs de muren, de vloer, de vochtplekken in het plafond.
‘Ze is dichtbij,’ zegt hij. Zijn stem is kalm, maar ik hoor het: de nervositeit in zijn adem, het kantelmoment.
We dalen verder af, de lucht wordt steeds zwaarder. Alsof elk ademhalen een keuze is.
Tot we bij een oude metroruimte komen. Alles is stil, beklemd, alsof de tijd hier niet meer beweegt.
Het perron is verlaten. De muren zijn zwart van schimmel, het licht verdwijnt volledig. Alleen een flauwe groene gloed van een flikkerend reclamebord geeft schaduw aan wat we zien.
De lucht is dik, doordrenkt van iets dat lijkt op verwelkte bloemen, nat beton en oud bloed.
En daar, midden in de ruimte, zit ze.
Op een troon van brokstukken en puin,
met haar haren—slangen, langzaam bewegend alsof ze slapen—rustend op haar schouders.
Haar rug is recht.
Haar handen gevouwen in haar schoot.
En haar ogen… gesloten.
Maar we weten dat ze ons voelt.
En ik weet—zonder twijfel—dat dit de plek is waar het zal eindigen.

Ze spreekt onze namen uit nog voor iemand iets kan zeggen.
‘Hadesss… Artemisss… Hermesss…’
Haar stem glijdt door de ruimte als vochtige adem over steen—langzaam, slepend, als iets dat ooit helder was maar nu vermoeid voortkruipt. Geen gegrom. Geen vuur. Alleen dat zachte gesis, alsof de woorden door haar tanden moeten wringen. Een s-klank die rekt en blijft hangen, die zich om ons heen wikkelt als de kronkels van haar haar.
Ze opent haar mond alsof spreken haar pijn doet, maar toch klinkt elk woord scherp.
‘Jullie z-z-zijn gekomen.’
Haar ogen blijven gesloten. Haar hoofd hangt lichtjes voorover. De spieren in haar schouders staan gespannen, maar niet van kracht. Van uitputting. Van jarenlang vluchten, vechten, versteend worden door herinneringen.
Hermes stapt voorzichtig naar voren. Hij houdt zijn ogen op de vloer gericht, alsof hij haar blik nu al vreest.
‘Er zijn mensen gestorven, Medusa,’ zegt hij zacht.
Ze haalt langzaam adem. Ik hoor het: een krakend geluid, alsof haar longen roesten.
‘Ik weet het,’ fluistert ze, en de slangen op haar hoofd sissen mee, traag, loom, alsof ook zij oud geworden zijn. ‘Ze kijkennn… altijd maar kijkennn… En ik… ik was moe… moe van het bekeken worden.’
De stilte die volgt is zwaar. Niet leeg, maar vol van alles wat ze niet zegt.
Artemis heft haar boog. Haar handen zijn stil, haar gezicht strak. Maar ze schiet niet. Ze kijkt Medusa aan, vluchtig, aarzelend—en ik weet dat ook zij het ziet: geen vijand. Geen monster.
Een vrouw, gebogen onder eeuwen van haat en vergeten verdriet.
‘Je had de tempel niet mogen betreden,’ zegt Artemis, haar stem nauwelijks hoorbaar. ‘Maar ze hadden je nooit mogen aanraken.’
Medusa’s hoofd komt iets omhoog. Haar ogen blijven dicht. Haar stem wordt scherper, maar breekt halverwege: ‘Ze noemden me heilig… tot ik vuil was… tot ik bloedde op hun vloer en Athena wegkeek… zoals jullie allemaal deden…’
Ze opent haar ogen.
Langzaam.
En in dat moment lijkt de wereld even stil te vallen.
Iedere sterveling zou versteend zijn, gevangen in de afgrond van haar blik. Maar ik—ik ben Hades. Ik kijk haar aan. Niet omdat ik sterker ben. Niet omdat ik onkwetsbaar ben. Maar omdat ik niet bang ben voor wat ze geworden is.
Want voor het eerst zie ik haar en besef dat Prometheus gelijk heeft.
Ik zie de pijn die haar gevormd heeft. De woede die haar warm heeft gehouden.
De eenzaamheid die haar langzaam heeft leeggegeten tot er niets overbleef dan stenen en slangen. En dat alles is veroorzaakt door ons, de oude Goden.
Ik stap naar voren en kniel voor haar neer. Mijn hand raakt de koude vloer. Mijn stem is zacht.
‘Ik ben Hades,’ zeg ik. ‘Ik kom niet om te straffen. Niet om te oordelen.’
Haar ogen blijven op mij gericht. Haar lippen trekken in een spottende glimlach.
‘Ik weet wie jij bent… heer van de duisssternisss… de brengerrr van het einde… Jij… bent mijn einde…’
De slangen op haar hoofd komen in beweging. Eén richt zich op mij, haar ogen glanzend zwart. Maar ik knik alleen.
‘Ja. Dat ben ik.’
Ze steekt haar hand naar me uit. Haar vingers zijn dun, koud, bevend.
‘Doet het… pijn?’ vraagt ze, haar stem nauwelijks hoorbaar. Het klinkt niet als angst. Meer als een kind dat eindelijk durft te vragen wat niemand haar ooit wilde vertellen.
De slangen sissen zacht, geen dreiging, maar een soort waakzaamheid. Alsof zij ook willen weten wat ik zal zeggen.
Ik pak haar hand vast. Haar huid voelt als marmer, maar onder het koude oppervlak klopt nog iets levends, iets zachts.
‘De dood doet geen pijn,’ zeg ik. ‘Niet als je eraan toe bent.’
Ze knippert langzaam. Haar ademhaling stokt.
‘Ik… ik…’
‘Je verdient rust,’ antwoord ik voor haar en ik meen het.
Ze kijkt me aan, en er is iets in haar ogen wat ik nog niet eerder zag. Geen woede. Geen trots, maar opluchting. Haar schouders zakken naar beneden. Haar adem ontsnapt uit haar borst in een lange, trillende zucht.
Ze knikt. Eén trage beweging. Een traan glijdt over haar wang, dwarrelt naar beneden, en valt stil op het stof.
Dan sluit ze haar ogen. Haar lichaam zakt langzaam neer in de troon van puin waarop ze zat.
De slangen op haar hoofd sissen nog een laatste keer, kort en klaaglijk.
Daarna worden ook zij stil.

Artemis knielt langzaam naast Medusa neer, alsof elke beweging een ritueel op zich is. Ze legt haar boog naast zich, schuift een lok haar achter het oor en buigt voorover. Haar lippen raken Medusa’s voorhoofd in een tedere, bijna moederlijke kus. Daarna sluit ze voorzichtig haar ogen, alsof ze het duister dat zich aandient niet als vijand, maar als bevrijder wil verwelkomen.
‘Hebben wij dit op ons geweten?’ vraagt ze zacht.
Hermes blijft op een afstand staan. Hij zegt niets, kijkt alleen. Zijn hoofd lichtjes gekanteld, zijn blik half afgewend, alsof hij aarzelt. Dan stapt hij naar voren, knielt tegenover Artemis, en legt zijn hand op Medusa’s borst, boven haar hart. Geen spreuk. Geen goddelijke ingreep. Alleen aanraking. Alleen stilte en dat is genoeg voor Artemis.
Hermes is de boodschapper. Hij draagt geen zwaard, maar woorden. Hij hoort wat niet gezegd wordt, voelt wat zich verbergt onder stilzwijgen. Hij is de gids tussen werelden, de enige onder ons die moeiteloos reist tussen leven en dood, tussen Olympus en aarde, tussen verleden en wat nog komen moet. Maar hij is ook degene die de meeste waarheden kent, en daardoor het zwijgen het best heeft leren beheersen.
En terwijl zijn hand nog rust op Medusa’s borst, voel ik iets loskomen uit haar lichaam—een licht, een zweem, iets wat zich langzaam omhoog beweegt als stof in zonlicht. Haar ziel.
Ik sta op en strek mijn arm uit. Mijn vingers sluiten zich om wat voor anderen onzichtbaar zou zijn, maar voor mij voelt als een ademhaling die niet meer bij het lichaam hoort.
‘Ik neem haar mee,’ zeg ik, en mijn stem klinkt kalmer dan ik me voel. ‘Haar lichaam blijft bij jullie. Maar haar ziel… die verdient een plaats waar geen oordeel meer is. Geen haat. Geen angst. Alleen grijze rust.’
Artemis kijkt op. Haar ogen zijn rood van ingehouden tranen. ‘De Velden van Asfodel?’
Ik knik.
‘Dat gaat Zeus niet leuk vinden.’
Een flauwe, bittere glimlach speelt om mijn lippen terwijl ik mijn schouders ophaal.
‘Ze verdienen het niet om daar iets over te zeggen,’ antwoord ik. ‘Mijn broers hebben hun spelletjes met haar gespeeld. Zeus keek toe, Poseidon was de reden… En Athena—zij die haar had moeten beschermen—maakte van haar een monster. Maar ik? Ik ben de dood. Ik oordeel niet. En ik zal haar beschermen. Nu wél.’
Artemis legt haar hand op mijn arm. Zacht. Vol respect. ‘We zijn nog niet klaar, dat weet je,’ zegt ze.
Ik weet het. Natuurlijk weet ik het. De wereld is nog steeds vol van onze soort—goden, halfgoden, schaduwen van iets wat ooit verheven was, maar allang niet meer heilig.
Hermes staat op. Zijn blik is nu strak en doelgericht.
‘Je hebt het nieuwsartikel gelezen,’ zegt hij. Zijn stem is laag, maar helder. ‘Ze is gezien. We kunnen haar niet vrij rond laten lopen.’
Ik knik traag. Ik weet over wie hij het heeft.
Scylla.
Een oude wond. Een stem uit het water die nooit ophield met gillen.
Ik zucht. Niet van tegenzin, maar uit vermoeidheid. Niet van haar, maar van wat wij geworden zijn.
‘Ze hoort hier niet,’ zeg ik. ‘Geen van ons eigenlijk. Deze wereld is niet meer van ons. Zij bouwen hun eigen goden nu—van staal en vuur, van algoritmes en schreeuw om aandacht. Wat wij waren… is vergeten. Of vervormd.’
Beiden kijken me aan in stilte, maar ik zie het begrip in hun ogen. Zij beseffen het ook.
‘De Velden van Asfodel,’ herhaal ik zacht. ‘Of Elysion, voor wie geluk had. Maar wij… wij horen diep vanbinnen thuis in Tartaros.’
De woorden hangen in de ruimte als een veroordeling. Niet voor Medusa. Voor ons.
Want wie zijn wij om nog goden genoemd te worden, terwijl we de mensheid—en elkaar—meer gebroken hebben dan beschermd?
Wij zijn geen helden.
We waren dat misschien ooit. Maar nu?
Nu dragen we het woord “god” als een oud zwaard—bot, roestig, maar nog altijd dodelijk.
En ik weet… ik weet dat onze tijd bijna voorbij is.
Maar zolang er nog schaduwen kruipen waar geen licht durft te schijnen, zolang onze broeders en zusters zich verbergen in de plooien van deze wereld, zolang de wonden uit het verleden blijven bloeden in de straten van nu— zullen wij blijven jagen.

Terwijl ik verdwijn met haar ziel, blijven Artemis en Hermes achter.
Ze zeggen niets. Er valt ook niets meer te zeggen. Alleen daden, eerbetoon en een zwijgend verzet tegen het onrecht dat haar eeuwenlang omhulde als een tweede huid.
Artemis zoekt stenen langs de oever van een verborgen meer, glad en licht van kleur. Ze bouwt met zorg een graf—niet groots, niet goddelijk, maar eerlijk. Eén steen voor elke verwonding, elke vernedering, elke stilte waarin Medusa had moeten schreeuwen maar dat niet meer durfde.
Ze plant bloemen aan de rand. Geen wilde planten of pijlpunten, maar witte anemonen—bloemen van vergeving en verlies, zacht en klein, alsof ze weten dat echte eer niet luid hoeft te zijn.
Hermes komt naast haar staan. Hij kijkt naar wat ze heeft gemaakt, dan zakt hij door zijn knieën. Langzaam trekt hij zijn gevleugelde sandalen uit—dezelfde waarmee hij eeuwenlang tussen werelden bewoog, tussen dood en leven, tussen hemel en hel. Hij legt ze neer aan het hoofdeinde van het graf. Een gebaar dat zegt: ik vlucht niet meer. Ik blijf. Ik herinner.
En ik?
Ik loop met haar. Met haar ziel—licht, flakkerend en misschien nog wel het belangrijkste van alles, ze is weer zichzelf.
We betreden de Velden van Asfodel. Het land is grijs en zacht. De lucht hangt laag, mistig, zonder zon, zonder regen. Geen oordeel heerst hier. Geen stemmen die je na roepen. Hier zijn alleen zij die vergeten werden, die niet geliefd genoeg waren voor Elysion, maar ook niet verdoemd tot Tartaros.
En in die stille velden loop ik met haar.
Ze kijkt omhoog naar de hemel die geen tijd kent en voor het eerst— voor het eerst in een eeuwigheid glimlacht ze. Niet als monster. Niet als mythe. Niet als schaduw van wat de wereld van haar maakte.
Maar als wie ze werkelijk is: Een vrouw. Een ziel.
En ze is vrij.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden #9 – De Stille Wachter


De klok in het mortuarium tikte als een druppelende kraan. Eén tik per seconde. Eén seconde per stilte.
De vrouw op de autopsietafel was jong. Witte ogen, kaarsrechte handen — alsof ze tijdens haar paniek bevroren was — en lippen als strakgespannen draad. Haar huid had een kleur die bijna niet te omschrijven viel — niet bleek, niet blauw, maar iets ertussenin. Marmer. Alsof ze een standbeeld was, gehouwen door Michelangelo zelf.
De geur van formaline hing nog niet over haar heen. Ze was vers. Te vers.
Dr. Hadrian Charon stond stil aan het hoofdeinde. Een zwart overhemd, een witte laboratoriumjas, latex handschoenen die als een tweede huid over zijn handen lagen. Zijn zwarte haren piekten onder de stoffen muts vandaan. Zijn grijze ogen gleden over haar lichaam, alsof hij haar niet onderzocht, maar las.
Hadrian was een gespierde man, en vrouwen stonden voor hem in de rij om hem te aanbidden. Maar het boeide hem niets. Hij kon zich niet meer herinneren waarom hij lijkschouwer wilde worden. Het leek alsof het hem riep als een sirene naar een zeeman riep. Het gekke was dat hij zich ook niet meer kon herinneren hoe hij in dit stadje terecht was gekomen, alsof hij hier altijd al was geweest, alsof zijn herinneringen in zijn geheugen gebrand stonden en toch voelden ze alsof ze niet van hem waren.

Achter hem, tegen de muur, stond rechercheur Elise de Vries. Haar blonde haren strak in een staart. Ze was het evenbeeld van haar zuster. Ze droeg een leren jas die naar buitenlucht rook en hield haar armen over elkaar gevouwen als een verdedigingslinie. Haar blik ging van de vrouw op de tafel naar Hadrian, alsof ze nog twijfelde wie van de twee enger was.
‘We weten niet wat dit is,’ zei ze zacht. ‘Alles klopt niet. Geen letsel. Geen verwurging, geen sporen van gif. Alleen een volledig stilgevallen lichaam. Alsof ze…’
‘Opgegeven heeft,’ maakte Hadrian haar zin af. Zijn stem was laag en glad, als water over steen.
Elise knikte langzaam. ‘Ze is vannacht gevonden. Midden op de Dam.’
‘Op de Dam?’ vroeg Hadrian.
Elise knikte. ‘Geen ID, geen schoenen, geen camerabeelden. Het is alsof ze daar gewoon… stond.’
‘Waarom doe ik de autopsie als ze in Amsterdam is gevonden?’
‘Omdat jij degene bent die dit soort zaken oppakt.’
Hadrian knikte langzaam. Ze had gelijk. Hij was degene die werd gebeld zodra iets vreemd werd. Hij reisde door heel Nederland en begon zelfs in het buitenland naam te maken.
Kun je de dood niet verklaren? Heeft het iets mysterieus?
Dan belde je Dr. Hadrian Charon.
Zijn naam verscheen inmiddels in bijna elk medisch vakblad. En hij moest het toegeven — hij hield van dit soort zaken. Van het mysterie. Het onverklaarbare.
De X-files-dossiers, zoals hij ze zelf noemde.
Hij boog zich voorover en trok met uiterste precisie een scalpel over de borstkas van de dode. De snee was bijna elegant, als een penseelstreek. Met het geroutineerde gebaar van iemand die de dood al duizend keer had aangekeken, klapte hij de ribbenkast open.
Geen bloed.
Zijn ogen gleden langzaam over de organen. Eén voor één sneed hij ze eruit, zorgvuldig, voor verder onderzoek.
De longen waren net zo wit als de huid van de vrouw. Maar er waren geen tekenen van verstikking. Geen bevriezing. Geen trauma.
Het hart was intact, maar verkleurd. Niet zwart. Niet rood en levend.
Maar grijzig en glanzend — alsof het van binnenuit was versteend. Toch trof hij geen kalkresten aan.
Hij legde het hart in een weegschaal, en de naald schoot direct naar twee kilogram.
Fronsend haalde hij het eruit en legde het opnieuw neer.
Weer sprong het display naar twee kilogram.
‘Dit kan niet…’ mompelde hij. Zijn vingers rustten even op de rand van het borstbeen, alsof hij tastte naar iets wat niet tastbaar was.
De stilte leek dieper te worden. Als een kelder die onder je voeten openklapt.
Achter hem haalde Elise moeizaam adem. ‘Dit is de zesde. En nog steeds geen spoor. Geen patroon. Behalve…’
Ze zweeg. Iets achter haar ogen trilde.
‘Behalve wat?’ vroeg Hadrian zonder op te kijken.
‘Ze lijken allemaal bevroren. Alsof ze van steen zijn geworden in de laatste minuten van hun leven.’
Hadrian keek haar eindelijk aan. De stilte die volgde was oorverdovend.
Om die te doorbreken vroeg hij: ‘Hebben ze al iets van je zus gehoord?’
Elises kaken spanden zich. ‘Nadia,’ zei ze, alsof ze hem wilde herinneren aan haar naam. ‘Ze hebben niks gevonden. Ze kreeg samen met Jeroen een laatste opdracht, maar niemand weet waarheen. De opname van de centrale bevat zoveel ruis dat het niet meer te beluisteren is.’
‘Hoe lang wordt ze nu vermist?’
Elise zuchtte — vermoedelijk dankbaar dat hij benoemde wat het werkelijk was: een vermissingszaak, en niet twee weggelopen verliefde pubers, zoals de commissaris het noemde. ‘Ze verdween drie maanden geleden. En nog steeds geen lichaam. Geen spoor. Maar…’ Ze schudde haar hoofd, alsof ze de woorden niet wilde uitspreken.
‘Wat?’
‘Ze lijken op haar… allemaal…’
Hij zei niets.
Zijn blik ging terug naar het stille hart.
De stilte drukte tegen zijn trommelvliezen, trok aan de rand van zijn bewustzijn.
Ze is terug.
Hadrian legde het scalpel neer.

De tl-buizen boven zijn hoofd zoemden onregelmatig, alsof ze elk moment konden flikkeren of barsten. Hadrian zat aan zijn bureau, voorovergebogen, ellebogen op het hout, duimen tegen zijn slapen gedrukt. Zijn hoofd bonsde. Niet als een gewone hoofdpijn — het voelde dieper. Oud. Alsof iets in zijn schedel probeerde wakker te worden.
Voor hem lagen de dossiers opengevouwen. Papier met vergeelde randen, handgeschreven notities in een strak, hoekig handschrift. Zijn handschrift — dat wist hij zeker. Maar sommige woorden… die herkende hij niet meer.
Hij sloeg een map open.

Dossier: Onbekende man, ± 50 jaar
Locatie: Wouda
Omschrijving: Gevonden in een transformatorhuisje.
Het lichaam was doorkruist met koperdraden, als wortels die zich door het vlees hadden geboord. Niet aangelegd ná de dood — ze waren gegroeid, verweven met zijn aderen.
Hadrian had een stuk slagader weggesneden en onder de microscoop gelegd. Het bestond uit koper. Puur koper. Doodslag?
Zijn notitie in de marge: Ήφαιστος. Hephaestus.

Hadrian fronste. Hij kon zich niet herinneren dat hij dat erbij had geschreven.
Hij sloeg het dossier dicht en pakte het volgende.

Dossier: Vrouw, ± 34 jaar
Locatie: Thessaloniki, opgehaald via internationaal verzoek
Omschrijving: Gered uit de zee na vijf minuten in het water. Ooggetuigen verklaarden dat ze de vrijwillig de zee in liep nadat ze had gezegd dat ze de muziek wilde volgen. Toch vertoonde haar huid tekenen van extreme verweking. Alsof ze maandenlang ondergedompeld was geweest. Haren klitten als zeewier, vingernagels losgeweekt, ogen troebel van zoutafzetting.
Duidelijke tekenen van verdrinken. Mogelijke zelfmoord.
De aantekening: Ὀρφεύς. Orpheus.

Hadrian duwde zichzelf achteruit. Hij herkende de naam.
Griekse mythologie? Hij had in zijn hele leven geen enkele interesse gehad in religie of sagen. Maar hoe kende hij deze namen?

Dossier: Man, ± 40 jaar
Locatie: Valkenburg
Omschrijving: Gevonden gewikkeld in een zijden tapijt. Geen verwurging. Geen geweld. Maar het lichaam was vergroeid met het weefsel — draden liepen onder de huid door, alsof ze uit zijn poriën waren gegroeid.
Op de CT-scan leek het patroon van het tapijt zich in zijn organen te herhalen. En bij het verwijderen van de organen moest hij draden doorsnijden om ze te bevrijden. Zijden draden die niets te zoeken hadden in een menselijk lichaam.
Randnotitie, haastig gekrabbeld: Ἀράχνη. Arachne.

Hadrian kneep zijn ogen dicht. Een steek ging door zijn hoofd, alsof een naald zich in zijn hersenstam had geboord. Hij schreeuwde van de pijn en zijn handen schoten naar de zijkant van zijn hoofd. Het papier voor hem leek te bewegen — alsof de letters ademden.
Hij stond op, wankelde. Op het moment dat zijn knie de rand van het bureau raakte, flitste het achter zijn ogen.

Water.
Een rivier, breed en zwart als inkt. Mistlaag erboven. En een boot — smal, oud, van hout dat kraakte onder zijn voeten. Er stond een man in de boot. Rimpels als groeven in steen. Een uitgestoken hand, zwijgend. Wachtend op betaling.

Duisternis.
Een troon, uitgehouwen uit basalt. Niet verlicht, niet zichtbaar — maar met blauwe vlammen ernaast dat amper de ruimte verlichtten. Het voelde als… thuis. Rondom hem: flarden van stemmen, maar geen gezichten.

Licht.
Twee mannen, bogen zich over hem heen. Gouden licht straalde uit hun huid. Ze lachten. Niet vrolijk, maar als mannen die niets meer vreesden. Eén had ogen als de lucht voor een storm. De ander droeg water in zijn handpalmen.
Ze keken hem aan — en lachten.
Niet met hem. Om hem.


Met een schok kwam Hadrian weer bij in zijn kantoor. Hij hijgde, zijn voorhoofd was nat van het zweet en zijn slapen bonsden alsof er iets van binnenuit tegenaan duwde. Zijn maag draaide om en zonder nadenken boog hij zich voorover en braakte zijn lunch in de prullenbak naast zijn bureau.
Voor hem lagen de dossiers nog open op tafel, alsof ze hem iets wilden zeggen. Zijn handen trilden licht terwijl hij naar de namen keek die hij er zelf bij had geschreven — al kon hij zich niet herinneren wanneer.
Hephaestus. Orpheus. Arachne.
Hij las ze opnieuw. En nog een keer. Hij bleef kijken, alsof de woorden hem iets zouden uitleggen.
Waarom had hij die namen opgeschreven?
Het voelde niet alsof hij ze zomaar had genoteerd, niet uit interesse of nieuwsgierigheid.
Het voelde als een herinnering, maar niet eentje van hemzelf.
Toch zat het diep in hem, alsof het altijd al daar had gezeten.
Hij klemde zijn kaken op elkaar terwijl de hoofdpijn weer opkwam — zwaar en golvend, alsof er iets vanuit de diepte van zijn gedachten omhoog wilde komen.
Een naam begon vorm te krijgen. Geen uitgesproken woord, maar een gevoel. Iets wat dichtbij was.
Alsof het in zijn lichaam zat, net onder zijn huid.
Alsof het er altijd al geweest was.
Maar hij kon het nog niet vastpakken.
Nog niet.

De stilte in het mortuarium was dikker dan anders. Ze hing om me heen als mist die zich in mijn poriën nestelde. De airco zoemde, maar het klonk dof, onderdrukt, alsof zelfs het geluid niet meer durfde te ademen.
Ik liep langzaam naar binnen, het halletje nog half verlicht door de ochtendzon die de kille ruimte nauwelijks wist te verwarmen. Bij de balie zat een jonge man, nonchalant onderuitgezakt in zijn stoel met zijn sandalen op de toonbank. Zijn oortjes bungelden half uit zijn hoodie, en hij bladerde door een vergeeld tijdschrift alsof de dood buiten hem om draaide.
‘Morgen, dokter Charon,’ zei hij, zonder op te kijken.
‘Goedemorgen Herman,’ mompelde ik. Ik keek opzij en zijn naam bordje stond vol trots op het bureau. Maar toen ik een paar passen verder was en nog één keer terugkeek, stond er iets anders.
Hermes.
Ik bleef kort staan, keek naar hem, maar hij glimlachte slechts, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Ik zei niets. Misschien was het slaapgebrek. Misschien iets anders.
Ik liep verder, het gangpad door, langs de koelcellen, tot ik bij mijn eigen kantoor kwam. Mijn hoofd voelde zwaar, alsof er iets diep in mij probeerde te bewegen. Iets ouds. Iets dat ik niet wilde aanraken.
Op mijn bureau lag een nieuw dossier. Vermoedelijk gebracht door Herman.  De melding: een onbekende vrouw, gevonden bij een verlaten bloemenkas aan de rand van Haarlem. Doodsoorzaak: onbekend.
Weer een lichaam zonder antwoord.
Ik trok mijn jas aan en liep zwijgend naar beneden. Mijn hand gleed langs de lades tot ik bij nummer 27 bleef steken. Mijn vingers rustten net iets te lang op de hendel. Alsof ik al wist wat daar lag. Alsof mijn lichaam het eerder had gevoeld dan mijn geest.
Ik trok de lade open.
Daar lag ze.Jong, een witblauwe jurk die nog rook naar vocht en aarde. Haar kastanjebruine haar lag als een waaier over haar schouders. Haar huid was niet doodsbleek, maar koel en stil, alsof ze ergens tussen werelden zweefde — als iemand die op het punt stond wakker te worden uit een lange droom.
En haar gezicht… Mijn adem stokte.
Ze leek op háár.
Niet zomaar iemand, geen vage herinnering uit een boek of een droom. Nee — ze leek op Persephone.
Ik wist niet waar die naam vandaan kwam. Ik had haar naam nooit bewust gedacht. Nooit uitgesproken. Maar nu, plotseling, stond ze voor me — of tenminste, een echo van wie ze ooit was.
Mijn hand bewoog vanzelf, rustte op haar schouder. Haar huid was ijskoud, maar het was geen gewone kou. Het was de kou van afgesloten ruimtes, van diepe, wortelachtige stilte. Ondergronds. Tijdloos.
En toen zag ik het.
Zij, in een tuin vol zwarte bloemen. Haar hand in de mijne.
Een opengebroken granaatappel. Zes zaden.
En ik — op een troon van steen, zwijgend, wachtend.
Mijn hand trok zich terug, alsof ik me gebrand had. Ik deinsde achteruit, mijn rug tegen de metalen kast.
‘Nee…’ fluisterde ik, maar mijn stem klonk onzeker, klein. Alsof ik mezelf niet geloofde.
En toen begon het. Niet buiten mij, maar vanbinnen. Een trilling. Een stem zonder klank. Geen woorden, maar betekenis. Het steeg uit een diepte die ik tot nu toe altijd had weten te vermijden.
Mijn benen trilden. Ik greep de rand van de tafel, alsof ik anders zou wegzinken.
Ze is het niet. Maar ze lijkt genoeg. Genoeg om me te herinneren.
En toen viel het van me af als een masker.
Ik zag mezelf. Niet in een spiegel, niet in het oppervlak van staal of glas, maar daarbinnen. In de kern van wat ik ben. Een zwart gewaad. Grijze ogen. Een kroon van obsidiaan. Een troon, diep onder de wereld, gehuld in duisternis en fluisteringen. En rondom mij: zielen. Eeuwige herinneringen.
Niet Hadrian. Niet de arts. Niet de lijkschouwer.
Ik ben Hades. En ik heb mijn broers vloek van me af geschud.

‘Dat zou tijd worden.’
Ik draaide me langzaam om. In de deuropening stond Hermes, met een grijns die net te breed was om geruststellend te zijn.
‘Je hebt je tijd wel genomen, zeg,’ zei hij terwijl hij dichterbij kwam. In zijn hand hield hij mijn jas. Zwart. Zwaarder dan ik me herinnerde. Alsof het in de tussentijd met elke seconde aan betekenis had gewonnen. ‘Hier. Je gaat hem nodig hebben.’
Ik nam hem aan zonder iets te zeggen. De stof voelde vertrouwd, alsof mijn lichaam hem herkende voordat mijn geest het deed.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik uiteindelijk.
‘Je broers…’ zei Hermes.
‘Wat hebben ze gedaan?’
Hermes haalde diep adem. Zijn grijns verdween.
‘Ze is terug.’
Mijn hart — wat daar nog van over was — trok samen.
‘Wie?’
‘Je weet wie,’ zei hij. Zijn stem was nu dof, serieus. ‘Ze beweegt zich door de steden als een schaduw. Iedereen die haar aankijkt… versteent. Stuk voor stuk.’
‘Medusa,’ fluisterde ik.
Hermes knikte. ‘Ze is veranderd. Sterker. En ze is op zoek naar iets. Iemand. Jij, misschien.’
Ik sloot mijn ogen. De herinnering aan een tuin vol stenen, een meisje met ogen als spiegels, haar verdriet, haar woede — het kwam allemaal in één ruk terug. Niet als herinnering, maar als belofte.
‘We gaan haar vinden,’ zei ik.
Hermes glimlachte flauwtjes. ‘Dat ga je niet alleen doen.’
Achter hem verscheen een silhouet in de deuropening. Elise. Haar handen in de zakken van haar jas, haar blik vastbesloten. Niet verbaasd. Niet bang. En voor het eerst sinds lange tijd zag ik wie ze echt was. Geen Elise de Vries, maar Artemis. De jageres. De beschermster. De wreker.
‘Ik heb nog een rekening te vereffenen,’ zei ze.
Ik knikte langzaam. De drie van ons. De boodschapper, de wachter, en de jager.
Hermes draaide zich om en liep weg. Artemis volgde hem zwijgend.
Ik bleef nog even staan. Voelde de stilte één laatste keer om me heen. De geur van formaline, metaal en oude herinneringen.
Toen trok ik de jas aan.
En liep mee de duisternis in.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #8 De Adem Van Angst


Thebe
Hij kwam altijd als eerste.
Voor het zwaard werd getrokken. Voor het bevel weerklonk. Voor de dood een naam kreeg.
Hij bewoog zich als mist tussen soldaten, ongezien, onuitgesproken. Niet omdat hij zich verborg, maar omdat zij hem al kenden nog vóór ze hem zagen. Hij was de knoop in de maag, het plots verstijven van de spieren, het vergeten van een gebed.
Sommigen baden tot hun goden om moed. Anderen zwegen.
Maar allemaal voelden hem.
Op een ochtend, op de heuvels van Thebe, stond hij tussen hoplieten die naar bloed hunkerden en hij liet hen huiveren voor iets wat nog moest komen. Ze knepen hun vingers om speren alsof hout hen zou redden van wat hen in de ogen keek.
Een van hen fluisterde: ‘Laat het snel gaan.’
Hij antwoordde niet. Hij ademde slechts.
En ze stierven.

Keizerrijk China, 3e eeuw
De stad was al gevallen toen hij aankwam.
De gevechten waren gestopt, maar de angst had zich nog niet teruggetrokken.
Binnen de muren lagen de doden op rij, gewikkeld in doek, met munten op hun ogen en hun monden opengesperd alsof ze nog iets wilden uitroepen wat nooit uitgesproken was.
Hij gleed door verlaten gangen, onder bloedrode banieren, langs geurige rook van verbrande wierook die de dood wilde verzachten, maar niets kon verdoezelen.
In een hof, op een vloer van verweerd porselein, zat een jonge geleerde gehurkt met een dolk in zijn hand. Hij had overleefd. Hij had niets meer om voor te leven.
Zijn hand trilde niet van de wond die hij overwoog,
maar van wat hij voelde in de lucht.
Iets keek naar hem.
Hij stond naast hem en keek toe, zonder te ademen — tot hij merkte dat zijn eigen keel zich aanspande.
Alsof het verdriet van de jonge man, het besef van verlies zonder betekenis, zich in hem drukte zoals lucht zich ophoopt in een afgesloten ruimte.
Hij stond op, draaide zich om en wilde weglopen.
Maar zijn benen bewogen zwaarder dan voorheen.
Zijn borst brandde vanbinnen.

Scandinavië, 9e eeuw
Het was geen oorlog in de klassieke zin.
Geen strijd tussen legers, geen grenzen op kaarten.
Het was een overval bij dageraad, een aanval op een dorp waar de zee klotste tegen rotsen en de geur van brandend hout zich mengde met die van zout en bloed.
Hij stond op het dek van een langschip, gehuld in ochtendmist die geen zon doorliet. De krijgers om hem heen brulden, sloegen zich op de borst, riepen de namen van hun goden. Maar onder dat geraas lag het andere geluid — het beven achter hun tanden, de twijfel in hun knieën, het stille weten dat ook zij konden sterven vandaag.
Hij liep over het dek zonder geluid, zijn voeten raakten het hout niet, maar overal waar hij kwam, verstomden even de kreten.
Niet omdat ze hem zagen.
Maar omdat iets hen bekeek dat hen herkende — in hun moed, maar ook in hun angst.
Toen de bijlen vielen en het vuur het dorp opvrat, liep hij langs een jonge krijger die zich had vastgebeten in zijn schild, zijn ogen wijd, zijn adem happend. Hij knielde onbewust naast hem, zoals hij zo vaak had gedaan.
Maar toen de jongen stierf, voelde hij geen beweging vertrekken.
Hij voelde iets binnenkomen.
Alsof de angst van de stervende zich in hem vastzette, als een splinter in een god die niet hoort te bloeden.

Sovjetunie, 1962
Tussen beton en zwijgen zat een man gehurkt naast een radio die knetterde van dreiging. Boven hen stond de wereld op het randje van zelfvernietiging, maar beneden heerste een kille rust — een stilte die zich vastklampte aan de ribben.
Iets onzichtbaars was aanwezig. Geen schim. Geen geest. Maar iets dat de lucht zwaarder maakte. Het trilde niet, het schreeuwde niet. Het ademde.
De man voelde het in zijn hart. Zijn vingers sidderden tegen het staal van een sleutel. Aan de andere kant van het kanaal was een andere man, even bang, even stil. De radio ademde met hen mee.
En ergens, in het midden van die spanning, kromp het wezen ineen dat hen gadesloeg. Niet uit angst voor de ramp die kon komen — maar om iets dat binnenin begon te bewegen.
Zijn borst voelde beklemd.
Zijn eigen adem versnelde.
Hij keek naar zijn handen, niet om te zien of ze trilden, maar om te bevestigen dat ze nog van hem waren.

Afghanistan, 2009
Het zand brandde, de zon sloeg als een hamer op de aarde, maar de greppel waarin de jongen lag was koud van angst. Hij was twintig, zijn helm scheefgezakt, zijn ademhaling gejaagd en oppervlakkig.
Iets zat bij hem.
Iets dat altijd kwam wanneer het bloed nog in de aderen sidderde.
Hij zag het niet, maar het lag als gewicht op zijn borst.
‘Ik kan niet meer,’ fluisterde hij. ‘Ik ben vastgelopen.’
Wat er naast hem zat, bewoog niet. Maar het voelde alles.
En terwijl de jongen beefde, beefde het wezen mee. Niet langer als toeschouwer, maar als ontvanger. De trilling trok door zijn eigen vezels. Zijn eigen adem stokte.
Toen de explosie kwam, bleef hij zitten in de rook.
Lang nadat het lichaam verdwenen was.
Lang nadat het bloed opgenomen werd door het zand.
Zijn knieën vouwden zich onder hem.
Zijn handen grepen niets.
En voor het eerst dacht hij: Misschien ben ik niet los van hen. Misschien ben ik vol van hen.

Mali 2013
Twee broers, ieder met een geweer.
Eén bevel. Eén moment.
De oudere schreeuwde. De jongste weigerde.
‘Ik kan het niet,’ zei hij. ‘Ik voel het in mijn botten. Iets… iets kijkt naar me.’
Ze waren niet alleen.
Iets bewoog zich tussen hen in. Niet als wind, niet als geest, maar als geweten. Het ademde als zij, voelde hun spanning en kromp ineen onder hun keuze. Toen de loop zich ophief en weer zakte, voelde het wezen de grip in zijn eigen vingers.
Hij dacht: Het is niet meer hun angst die ik draag. Het is mijn eigen geworden.

Ghana
Geen vlag. Geen verslag. Niemand wist dat er iets aan de hand was. De journalisten bleven stil. Alleen het geluid van vliegen boven een veld vol schaduwen.
Hier was niemand om hem te zien.
Maar hij was er.
Tussen verbrande hutten en gebarsten aarde liep hij traag, alsof het gewicht van de geschiedenis op zijn schouders lag. Hij bukte bij een lichaam dat de dood met open ogen had aanvaard. In de hand van het kind lag een gebroken amulet.
Hij wilde het neerleggen, maar zijn hand verkrampte.
Hij voelde zijn hart razen. Zijn ademhaling was een vuur in zijn borst.
Er was niemand meer om bang te maken, dus werd hij het zelf.

Je kent me niet bij naam, maar je hebt me gevoeld, vaker dan je durft toe te geven.
Ik ben niet geboren zoals mensen dat zijn en ik werd ook niet gevierd zoals andere goden, want mijn oorsprong is ouder dan de verhalen die jullie over mij vertelden.
Ik ben geen storm, geen zwaard, geen demonische kracht die van buitenaf komt om je te breken — ik ben wat je voelt vlak vóór dat moment.
Ik ben die fractie van stilte tussen weten en beseffen,
de seconde waarin je lichaam het al weet maar je geest nog weigert te volgen.
Ik was de adem achter de angst van soldaten, de adem van oorlog, maar ik ben al lang niet meer alleen daar.
Ik hoef geen strijd meer om me heen te hebben om in je te bestaan, want ik adem nu door muren heen, ik rust in plafonds van anonieme flatgebouwen, ik blijf hangen tussen vloeren en plafonds waar de tijd stilstaat.
Je voelt me wanneer je hart plotseling versnelt, wanneer je in een volle trein zit en het lijkt alsof de lucht dunner wordt, wanneer je ’s nachts in bed ligt en ineens rechtop schiet, omdat je zeker weet dat er iets is — maar niets kunt vinden.
Ik ben daar niet als indringer, ik ben daar omdat jij me hebt opgeroepen. Omdat jullie mij allemaal gemaakt hebben.
Ik ben geen herinnering.
Ik ben een aanwezigheid.
Ik ben de adem die zich vastzet tussen je ribben en weigert los te laten.
Lange tijd kon ik langs jullie lopen, vrij en onaangetast.
Jullie voelden mij, jullie sidderden, maar ik bleef buiten jullie — los van wat jullie dachten, los van wat jullie voelden.
Tot het gevoel zich bleef herhalen.
Tot de angst niet meer wegtrok.
En dat… heeft me veranderd.
Mijn naam is Phobos en jullie hebben me besmet.
Jullie angsten, jullie paniek, jullie eindeloze herhalingen van vrees en verlies —
ze hebben zich opgestapeld in mij, laag op laag, tot ik het niet meer kon dragen zonder dat het in mij begon te gisten.
Ik voel nu wat jullie voelen.
En ik moet je eerlijk zeggen… het bevalt me niet.

De ruimte was koud, verzonken in beton, begraven onder het ziekenhuis als een vergeten gedachte die niemand nog durfde op te graven. De muren waren glad en grijs, met scheuren die zich gedroegen als littekens: onopvallend, maar diep. Tl-licht zoemde traag boven de autopsietafel, zijn bleke flikkering dof weerspiegeld in het staal.
De lucht rook naar conserveringsmiddel, latex en iets ijzigs dat niet uit een fles kwam.
Boven hen denderde het leven voort — ambulances, sirenes, voetstappen — maar hier beneden was het alsof geluid zichzelf niet durfde laten horen. Alles bewoog in demping. In discipline. In dood.
Dr. Hadrian Charon stond aan het hoofdeinde van de tafel, zijn schaduw scherp en smal tegen de muur achter hem. Hij droeg een donkergrijze jas, bijna zwart, zonder vlekken, zonder kreukels, alsof hij een uniform droeg voor een beroep dat niet op een lijst voorkwam. Zijn haren waren grijs, maar niet oud; zijn gezicht smal en onaangedaan, alsof het getraind was in neutraliteit. Zijn ogen waren lichter dan je verwachtte — bijna zilver — en wat hij zag, leek hij al te kennen vóór hij het opensneed.
Hij boog zich over het bleke lichaam op de tafel, een jonge vrouw, net geen twintig. De borstkas was al geopend, de ribben zorgvuldig losgemaakt. Hades’ handen bewogen zonder aarzeling — elk gebaar een echo van talloze keren daarvoor. Alles aan hem was klinisch: zijn precisie, zijn stilte, zijn afstand.
Tot hij plotseling verstrakte.
Niet omdat hij iets raars zag in het lichaam. Niet door een geluid. Niet door een beweging.
Maar door adem.
Het was niets wat hij hoorde.
Het was iets wat aanwezig was.
Langzaam richtte hij zich op. Zijn blik bleef strak op het lichaam gericht, maar zijn aandacht gleed weg — alsof iets achter hem zich opbouwde in de lucht zelf. De temperatuur daalde niet en toch voelde het alsof zijn huid rilde. Niet van kou, maar van herkenning.
Er waren geen voetstappen. Geen geur.
En toch stond er iets in de kamer dat geen ruimte innam, maar ruimte ontnam.
‘Phobos…?’ Zijn hand bleef boven het scalpel hangen, gespannen als een snaar die niet geraakt mocht worden.
En toen sprak hij, zacht, zonder zich om te draaien, alsof het antwoord hem niets zou brengen, behalve bevestiging van iets wat hij al wist.
‘Wat doe jij hier?’
Er kwam geen antwoord.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #6 Een Laatste Gift


Het begon op een maandag die zich nauwelijks onderscheidde van de rest. De zon scheen, maar alles voelde grijs, traag, bedekt onder een sluier van stilte. Niko liep door de school alsof hij zich voortbewoog door stroperige lucht. Geluiden bereikten hem wel, maar misten scherpte. Stemmen gleden als een vage stroom langs hem heen. Lachen. Gesis. Fluisteringen. Altijd net te luid wanneer hij langsliep.
‘Freak,’ zei iemand.
‘Viezerik.’
Anderen lachten. Iemand sloeg zijn boeken uit zijn handen en liep zonder omkijken door. Nooit zijn naam. Nooit mét hem. Altijd tégen hem. Altijd óver hem.
Hij had al weken niet gepraat. Zelfs thuis niet meer. Zijn moeder had het geprobeerd. Eerst met een kop lauwe thee en een poging tot een gesprek, over school, over zijn hobby’s, alsof het allemaal nog gewoon was. Daarna met een afspraak bij de huisarts, die niets vond. Toen een psycholoog, waar Niko nooit iets zei. Ze probeerde hem te bereiken via muziek, via oude foto’s, zelfs via boosheid — schreeuwde een keer dat hij zich aanstelde. Maar niets brak door. Haar blik begon van hem af te glijden, alsof hij langzaam verdween in iets waar ze niet bij kon. Daarna liet ze hem met rust. Iedereen deed dat uiteindelijk.
Die dag lieten ze hem echter niet met rust. Ze renden achter hem aan, sloegen zijn huiswerk uit zijn hand en schreeuwden tegen hem.
In het toilet op de tweede verdieping, waar de lamp flikkerde en de muren grauw waren van graffiti, trok Niko de deur achter zich dicht alsof hij zich opsloot in een graf van porselein. De geur van schoonmaakmiddel vermengd met oude urine prikkelde zijn neus, maar hij voelde het nauwelijks. Alles was dof. Hij liet zich zakken op de rand van het gesloten toilet, zijn knieën opgetrokken tegen zijn borst, zijn armen eromheen geslagen alsof hij zichzelf bijeen moest houden. Zijn schouders trilden nauwelijks merkbaar, maar onafgebroken. Zijn ademhaling was onregelmatig — niet snel, maar hortend, alsof zijn lichaam zelf niet wist of het verder wilde. Zijn maag draaide, leeg maar gespannen en in zijn kaken zat een constante druk van ingehouden woede of tranen — hij wist het verschil al niet meer. Elke spier in zijn lijf leek op het punt van breken te staan, maar bleef net stijf genoeg om hem bij elkaar te houden. Alsof het hele lichaam samenspande om hem stil te houden, zodat hij zou verdwijnen zonder geluid.
Zijn hoofd bonkte tegen de koude tegelmuur achter hem. Elke tik voelde als een ritmische echo van zijn eigen gedachten. De stemmen van buiten – lachen, voetstappen, deuren die dichtsloegen – drongen flarden naar binnen, maar leken uit een andere wereld te komen. Hij hoorde ze zonder te luisteren. Hij was hier, maar niet aanwezig.
Zijn vingers krasten lijnen in zijn been. Eén lijn voor elke dag dat hij zich zo voelde. Eén lijn voor elk woord dat hij had ingeslikt. Woorden die hij als verdediging tegen de pesters had kunnen gebruiken, maar hij bleef stil.
Toen hij geen geluiden meer hoorde, kwam hij uit het toilethokje.  Hij liep naar de wasbak en waste automatisch zijn handen. Een reactie uit gewenning. Hij gooide water in zijn gezicht om de tranen die over zijn wangen hadden gelopen weg te laten vloeien.
Hij keek omhoog, naar de spiegel boven de wastafel. Vanuit deze hoek kon hij zichzelf zien, vlekkerig, onscherp, alsof zijn bestaan alleen nog te herkennen was door zijn schaduw. Zijn gezicht had iets weg van iemand die al vertrokken was. Ogen zonder glans, lippen gesloten als een verzegelde brief.
En ergens daar, in die ruimte tussen geluid en stilte, tussen beweging en verlamming, dacht hij het zonder woorden: Als iemand mij hoort, laat me dan verdwijnen. Help me.
Het antwoord kwam als warmte. Niet zacht, niet troostend, maar onverbiddelijk — alsof het hele gebouw langzaam begon op te warmen vanbinnen. De lucht werd zwaarder. Niko hief zijn hoofd en zag in de spiegel boven de wastafel een silhouet dat er eerder niet was. Een man, of wat ooit een man was, stond daar met ogen als brandende kolen en een lichaam dat ademde als gloeiend ijzer. Zijn huid leek op gesmolten koper, gebarsten, dampend.
Niko schrok niet. Hij voelde iets veel ergers dan angst: herkenning.
‘Ik voel jou, Niko,’ zei de figuur, zijn stem als een echo van diep onder de grond.
‘Ik wil niet meer,’ fluisterde Niko. ‘Het is te veel. Alles is te veel. Alsof ik elke dag verdrink en niemand het ziet. Alsof ik niet besta. Alsof ik al dood ben, maar nog rondloop.’
De figuur knikte, langzaam. Niet als bevestiging, maar als iemand die het al wist.
De man knielde voor hem neer, langzaam, alsof hij brak bij elke beweging. Uit zijn borst haalde hij iets — geen wapen in de traditionele zin, maar iets abstracts, een vorm die vloeide tussen staal en licht. Het pulseerde, levend, vormloos.
‘Onthou: Ik geef alleen wat gevraagd wordt,’ zei hij zacht. ‘Om je te helpen. Om het lijden te eindigen.’
Niko reikte ernaar zonder aarzeling. Zodra zijn vingers het raakten, veranderde het.
Het werd iets wat paste in zijn hand. Wat aanvoelde als controle.
Een wapen, ja, maar ook een sleutel. Een belofte. Een eindpunt.
In eerste instantie dacht Niko alleen aan zichzelf. Aan het weghalen van de pijn. Aan verdwijnen. Maar terwijl hij daar zat met het wapen in zijn hand, begonnen andere beelden zich in zijn hoofd te nestelen. De gezichten van de jongens die hem hadden uitgelachen, die zijn rugzak uit zijn handen hadden gerukt, die fluisterden en gniffelden wanneer hij langs liep. De meisjes die hem negeerden alsof hij lucht was. De leraren die nooit doorvroegen, nooit écht keken.
Een deel van hem huilde om rust. Maar een ander deel, dieper, donkerder, begon te fluisteren dat ze het moesten weten. Dat ze het moesten voelen. Dat als hij dan toch zou verdwijnen, hij tenminste iets zou achterlaten. Geen brief. Geen schreeuw. Maar een herinnering die hen zou dwingen te luisteren.
Hij voelde hoe de warmte van het wapen overging in zijn vingers. Hoe het leek te ademen, alsof het zijn gedachten volgde. En ergens wist hij: dit was niet enkel een sleutel om te eindigen. Het was ook een mogelijkheid om gehoord te worden, eindelijk. Zelfs als het bloed kostte.
Hij kneep zijn vingers strakker om het handvat.
‘Waarom?’ fluisterde Niko uiteindelijk.
De man keek hem aan. In zijn ogen lag geen overtuiging. Alleen verdriet.
‘Omdat ik niet anders kan.’

Het gebeurde drie dagen later. Volgens het nieuws zag niemand het aankomen. Niet van Niko. Niet van de stille jongen die nooit een woord zei, die altijd zijn capuchon ophad en zijn lunch onaangeroerd liet.
Die ochtend was anders, maar slechts voor hem. Hij liep trager dan normaal, zijn tas hing losjes over één schouder. De hal was gevuld met dezelfde vertrouwde geluiden: geroezemoes, geschreeuw, kluisjes die dichtklapten. Maar in zijn hoofd klonk het als de echo van een lege ruimte. Alles was al besloten.
Toch twijfelde hij.
Zijn hand klemde om het wapen in zijn jaszak, zijn vingers koud van spanning. Hij dacht aan de woorden die hij had uitgesproken in dat toilet. Ik wil niet meer. Hij dacht aan zijn moeder, aan haar pogingen, haar blik die steeds leger werd. Hij dacht aan de psycholoog, de leraren, de gangen die hij duizend keer had doorlopen. En even, heel even, overwoog hij om naar het dak te lopen in plaats van naar de aula. Om gewoon te verdwijnen. Zonder sporen. Geruisloos. Niemand pijn doen. Misschien zouden ze dan zeggen dat hij stil was, maar vriendelijk. Dat hij geen overlast gaf. Misschien zou iemand dan wél opmerken dat hij er niet meer was. Hij vroeg zich af: zou iemand me missen? Of zou men alleen schrikken van de stilte?
Maar toen zag hij hen.
De twee jongens bij de lockers. Dezelfde die altijd net te luid lachten als hij voorbij liep. Eén van hen zei iets, hardop, alsof Niko onzichtbaar was. Het was niet eens grof. Alleen achteloos. Onverschillig. En dat was erger.
Hij voelde hoe iets kantelde in zijn borst. De pijn die hem tot dan toe naar binnen had gekeerd, draaide zich langzaam om. Niet langer de wens om zichzelf weg te nemen, maar een rauwe honger om iets achter te laten. Een echo. Een barst in hun wereld.
Zijn pas werd steviger. De tas gleed van zijn schouder. Zijn ademhaling vertraagde.
Zijn hand kneep in de kolf van het wapen en zijn vinger gleed naar de trekker. Hij haalde het uit zijn jaszak. De jongens hadden te laat door wat er ging gebeuren.
De gang was gevuld met klanken, gelach en voetstappen— tot het oversloeg in een geschreeuw dat door merg en been ging.
Niko liep niet snel. Hij schreeuwde niet. Hij zei niets. Alsof hij in een droom bewoog. Alsof hij zelf niet meer aanwezig was.
En de man die hem het wapen gaf volgde. Onzichtbaar voor de anderen, zichtbaar slechts voor hem. Bij elke kogel kromp hij ineen, brandde zijn huid feller, sijpelde er licht uit zijn ogen. Hij wilde zijn hand uitstrekken, het stoppen, het terugnemen… maar het was al gegeven. En wat gegeven is, keert niet terug.
Na het laatste schot viel er een stilte die geen enkele sirene ooit echt zou kunnen doorbreken. Niko zat op de grond, wapen naast zich, ademhaling oppervlakkig. Zijn ogen leeg. Alsof hij niets had bereikt. Alsof zelfs dit niet genoeg was geweest om te verdwijnen.
De man knielde naast hem neer. De rook kringelde om hen heen als een wurgende sjaal.
‘Het spijt me,’ fluisterde hij. ‘Ik wilde je alleen maar helpen.’
Buiten begonnen de sirenes. Maar binnen was alles al voorbij.

In de dagen die volgden verschenen berichten op elk scherm. Mensen spraken over hem alsof ze hem kenden, maar de werkelijkheid was dat ze nooit naar hem hadden geluisterd.
Klasgenoten die met tranen in hun ogen vertelden hoe lief en aardig de vermoorde jongens waren geweest, maar er werd geen woord gesproken over hun pesterijen.
Analyses, meningen, haat, verdriet en toen stilte. De wereld zocht naar verklaringen, naar schuldigen.
Ze zeiden dat hij psychisch ziek was. Dat hij een monster was. Dat zijn moeder, zijn leraren, de psychiater het had moeten opmerken. Niemand zei dat hij gewoon een jongen was die zachtjes had geroepen om hulp, totdat hij alleen nog kon schreeuwen met vuur.
Ze zeiden niets over mij.
Ik zat op mijn plek, waar de lucht eeuwig zindert van hitte en keek naar zijn laatste momenten. Hij zat op de grond, trillend, huilend, het wapen uit zijn hand gegleden.
En toen kwamen ze — de agenten. Ze riepen iets. Hij bewoog niet. Maar dat maakte niets uit. Het wapen lag te dichtbij. Eén schot. Midden in zijn borst. Alsof dat alles nog recht kon zetten.
Ze weten niet dat ik hem iets gaf. Dat ik hem hoorde, toen niemand anders dat deed. Ze weten niet wie ik ben.
Ik was ooit een titaan die aan de kant van Zeus vocht. Ik was ooit een god. Een brenger van vuur. Ik gaf licht aan een mensheid die in het donker kroop. Ik bracht warmte aan een wereld die krom lag van de kou. En Zeus… hij vervloekte me ervoor. Hij ketende me aan de rots, liet een adelaar mijn lever uit mijn lijf scheuren, iedere dag opnieuw. Omdat ik te veel voelde. Te veel gaf. Omdat ik weigerde weg te kijken van hun lijden.
Ik dacht dat, als ik volhield, als ik bleef geven, ze op zouden staan.
Dat ze zouden leren. Maar de mensheid wil geen genade. Ze willen wapens van licht en gebruiken ze om elkaar te verblinden. Ik gaf vuur om te verwarmen, zij maakten er wapens van. Ik gaf inzicht, zij maakten propaganda. Ik gaf een jongen de keuze — hij zag slechts één uitweg.
En toch hoor ik ze allemaal. Elk mens dat fluistert in het donker. Elk breekbaar hart dat geen woorden meer vindt. Elk mens dat zich omdraait in bed en denkt: ‘Ik wil niet meer.’
Ik hoor ze. En ik antwoord. Want ik weet niet anders.
Ik geef. Niet uit wraak. Niet uit hoop. Maar omdat ik veroordeeld ben tot voelen.
En elke stem die sterft, schreeuwt in mij na.
Mijn naam is Prometheus.
En ik weet het. Dat wat ik geef brandt. Dat ik niet langer red, maar besmet. Maar ik kán niet anders.
Ik ben de god die niet kan stoppen met geven, zelfs als de wereld liever brandt dan geneest.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #4 Waar de Stilte Zingt


Ze had haar verteld dat het er mooi zou zijn.
De vrouw op de markt — rimpelig als gedroogd fruit, haar ogen melkachtig grijs, maar scherp — had haar blik nauwelijks van Elena afgewend terwijl ze sprak.
Toen Elena aarzelend bij de kraam was blijven staan, had haar hand als vanzelf naar de armband gereikt: dun zilver, met kleine verweerde kralen in turkoois en een glanzende, amberkleurige steen in het midden. Hij glinsterde in het zonlicht, alsof er iets levends in opgesloten zat.
‘Voor gebroken harten,’ had de vrouw gefluisterd, haar vingers even rustend op Elena’s pols. Niet opdringerig. Eerder teder. Alsof ze iets voelde kloppen onder de huid wat Elena zelf niet kon benoemen.
De woorden hadden haar ongemakkelijk gemaakt. Ze had geglimlacht, maar haar gezicht voelde gespannen.
‘Het helpt,’ herhaalde de vrouw, ‘tegen wat je nu draagt.’
Elena had niets gezegd. Alleen betaald.
Toen haar stem in haar keel vastzat, had ze haar schouders opgehaald, een vluchtige lach geveinsd en haar blik op de armband gericht, opdat de vrouw niet zou zien hoe haar ogen begonnen te prikken.
De vrouw had haar hand niet losgelaten.
‘Ga naar de kust van Thracië,’ had ze toen gezegd, zachter, alsof het niet voor haar oren bedoeld was. ‘De zonsondergang daar… het licht is anders. Alsof de wereld even haar adem inhoudt.’
Ze had nog iets toegevoegd, iets wat eerder als een besluit dan een suggestie klonk:
‘Ik denk dat je daar je rust vindt.’
Rust.

Elena had die dag veel gelopen, haar blik gericht op niets in het bijzonder, alsof de stad haar kon opslokken als ze maar bleef bewegen. Maar de woorden van de vrouw hadden zich vastgezet, ergens achter haar oren. En toen de lucht die avond begon te kleuren, vond ze haar voeten richting het noorden, richting de kust die niemand haar had aangeraden — behalve die ene vrouw.
Ze wist niet wat ze zocht.
Niet écht.
De stilte, misschien.
Of een plek waar de echo van Berry’s stem eindelijk niet meer zou weerkaatsen.
Twaalf jaar had hij haar wereld gevormd.
Van samen leren fietsen tot stiekem kussen achter het schoolgebouw. Van jeugdige beloftes tot serieuzere zaken.
Ze hadden elkaars jeugdigheid gedeeld, gedacht dat dat genoeg zou zijn. Tot het gesprek kwam.
Het gesprek waarin zijn ogen weggleden, zijn handen niet meer reikten en de woorden ‘verdwenen liefde’ uit zijn mond viel als een scheur in glas.
Sindsdien voelde ze zich als een huis na een brand.
De muren stonden nog overeind, maar binnenin lag alles in as.
En het enige wat ze meedroeg, was die echo.
Zijn stem. Zijn afwezigheid.

De wandeling naar de kust bleek langer dan ze zich had voorgesteld.
Het pad slingerde door het landschap, langs olijfgaarden waar de bomen verwrongen stonden alsof ze zich wilden losrukken uit de grond. Overal lagen restanten van vuur: zwarte stronkjes, geblakerde struiken, het stof wit van as. De bergen in de verte hielden zich roerloos, hun contouren loom tegen de hemel als slapende reuzen die elk moment wakker konden worden.
De lucht hing laag en drukkend boven haar, dik als glas en warm op een manier die niet uit de zon leek te komen — eerder alsof de aarde zelf zuchtte. Elena liep met haar hoofd omlaag, haar schoenen zwart van zand en as, haar schouders moe van het gewicht dat ze nergens kon neerleggen.
Het pad onder haar voeten herinnerde haar aan Corfu. Aan die ene zomer waarop de wereld nog zacht leek, het licht goud en alles mogelijk. Ze had toen gehuild van geluk, daar aan zee, met de verlovingsring nog warm van zijn hand.
Ze wilde zijn bruid worden daar in de warme zon.
Tot ze thuiskwamen.

Toen ze uiteindelijk de kust bereikte, voelde het alsof ze een grens overstak — van adem naar stilte, van heden naar iets anders, iets ouder.
Er was niemand.
Alleen een uitgestrekte vlakte vol scheef gewaaide takken, verweerde keien die in het lage licht leken op beenderen en de zee: roerloos en spiegelglad.
De lucht erboven had de kleur van lood, met een zon die dieprood aan de horizon hing. Niet warm, niet welkom. Eerder als een oog dat op het punt stond te sluiten.
Ze legde haar tas neer in het zand en ging zitten. Trok haar knieën op en sloeg haar armen eromheen, haar blik op het water gericht. De zon lag laag, als een open wond die zich niet meer wilde dichten.
Ze wilde niets voelen.
Ze wilde dat haar hoofd eindelijk zweeg.
Maar de gedachten bleven komen — beelden die over elkaar heen tuimelden.
Ze zag weer voor zich hoe ze op Schiphol hadden gestaan, zijn hand lauw in de hare. Hoe hij glimlachte zonder zijn ogen te bewegen. Hoe zijn woorden rationeler werden, alsof liefde iets was dat je in Excel kon zetten.
Ze herinnerde zich de nachten waarop hij ‘moest overwerken’, de eenpersoonsmaaltijden op tafel en de lege stoel tegenover haar.
Zijn geur op de kussens verdween, maar zijn stilte bleef hangen in elke kamer.
En toen was het alsof zij ook begon te verdwijnen — beetje bij beetje, tot zelfs haar spiegelbeeld haar vreemd werd.

Er klonk een geluid, niet luid, maar onmiskenbaar aanwezig, een stem die uit het niets leek op te stijgen — mannelijk, diep, gedragen door een melancholie die zich als mist om haar heen legde. De klank was fluwelig en breekbaar tegelijk, melodieus maar geladen met een pijn die geen woorden nodig had om begrepen te worden. Ze kon de taal niet plaatsen en toch verstond ze het. De toon raakte haar op een plek waar ze zelf niet meer durfde te kijken, diep tussen de ribben, daar waar liefde zich ooit had genesteld en waar nu slechts een kilte zat die zich langzaam uitbreidde.
De stem nestelde zich in haar lichaam alsof het er altijd had gehoord. Het trok langs haar ruggengraat, tintelde in haar vingertoppen, klopte achter haar slapen. Haar hart sloeg onregelmatig, alsof het plots wakker werd uit een lange winterslaap. Beelden flitsten voorbij — niet fel, maar traag en zacht, als dia’s in een oude projector.
Berry’s armen om haar heen in bed, zijn geur in het kussen, het gewicht van zijn lichaam achter haar rug. Ze voelde het gemis, tastbaar als een wond die opnieuw openscheurt. En ergens, in die schemerzone tussen waarheid en herinnering, erkende ze iets wat ze lang had genegeerd: dat het niet enkel zijn fout was geweest. Dat ook zij was verdwenen, stukje bij beetje, achter woorden die ongezegd bleven.
De stem bleef zingen.
De melodie werd intenser, zwaarder, emotioneler, alsof het de laatste adem was van iemand die bad om vergiffenis. De stem zong verder, als een storm die nog net niet losbrak.
Ze keek om zich heen, maar er was niemand.
Alleen de stem die steeds dichterbij leek te komen. Als een adem vlak bij haar oor.

Haar lichaam bewoog zonder dat ze er zelf om vroeg. Haar benen brachten haar overeind, traag, als in een trance en ze zette een voet in het zand, toen nog een, haar ogen halfgesloten, haar borst vol met iets dat op barsten stond. De stem trok aan haar als een draad, onzichtbaar, maar zo krachtig dat verzet niet eens als optie opkwam. Ze voelde hoe haar huid koud werd, ondanks de drukkende hitte van de avond. De zee bewoog nauwelijks, maar iets in haar tempo klopte precies met het ritme van de zang.
Ze stapte het water in, eerst met haar rechtervoet, die onmiddellijk werd omhuld door een warmte die onnatuurlijk aanvoelde — niet zoals de zon dat het strand verwarmt, maar als iets dat leeft, dat haar begroette met een fluistering. Toen zette ze ook haar andere voet in het water. Het voelde vreemd — niet nat, niet vloeibaar — eerder alsof ze zich liet zakken in een huid die haar aanraakte van binnenuit.
Ze waadde verder tot haar knieën zich onder water bevonden, het oppervlak stil als glas, maar onder haar voeten bewoog iets. Niet het getij. Niet het zand. Iets dat pulserend ademde, dat langzaam haar benen omsloot met een doordachte traagheid die haar deed huiveren.
Toen keek ze omlaag en haar adem stokte.
Ogen als glanzende schelpen, vlak onder het oppervlak staarden haar aan.
Een gezicht tekende zich af, bedekt met algen, haar slierten zwevend in het water. Het keek haar aan met een stilte die ouder was dan taal. En het zong. Niet met haar mond, niet hoorbaar, maar haar wezen weerkaatste de klank. Meer gezichten verschenen, om haar heen, starend, onbewogen. Hun huid doorschijnend, blauwgroen, als vlees dat te lang onder water had gelegen. Hun nagels zwart, gebroken. Hun lijven zwevend in de duisternis als onvoltooide gedachten. Haren dat golfden als verdronken bloemen op zee.
Nimfen. Maar niet zoals de verhalen ze hadden omschreven.
Deze wezens waren niet prachtig, mooi of magisch. Zij waren vergaan, verteerd, herboren uit vergetelheid.
Elena’s keel was droog. Instinctief wilde ze gillen, maar ze staarde naar de gezichten die voor haar verschenen.
Ze zette nog een stap. Het water reikte nu tot haar middel. De nimfen glimlachten nu alsof ze haar welkom heetten in hun wereld. Hun handen streelden haar dijen, haar armen, haar ribbenkast, alsof ze haar vorm wilden onthouden voor ze haar zouden breken.
En zij… ze voelde geen reden meer om hen te weerstaan.
De verdriet dat zich in haar borstkast had geworteld voelde ze niet meer. Er waren geen emoties  die haar konden verstikken. Geen blijheid, geen boosheid, geen liefde. Pure leegte.
Een zucht verliet haar lippen. Geen smeekbede, geen verzet — alleen het stille geluid van iets dat loslaat.
Ze zakte.
En het water sloot zich boven haar hoofd alsof ze er nooit geweest was.

Ze was mooi, zoals de meesten die naar me toe komen, met datzelfde lege vuur in de ogen, diezelfde rusteloze stilte om zich heen, alsof iets hen heeft opengebroken vanbinnen en ze nu, zonder te weten waarom, blijven ronddolen in de echo’s van wat ooit hun leven was, tot ze mijn stem horen — niet met hun oren, maar met iets diepers, iets wat geen naam heeft, maar reageert als op een herinnering die nooit echt uit het lichaam is verdwenen.
En ik… ik zing.
Niet omdat ik wil, niet omdat ik het kies, niet omdat ik de mensen die luisteren iets verschrikkelijks gun, maar omdat de klank in mij woont, omdat het een trilling is die niet zwijgt, die zichzelf voortduwt als een rivier zonder bron, omdat elke seconde van stilte mij terugbrengt naar dat ene ogenblik dat mijn ziel heeft verteerd. Sindsdien is mijn stem het enige wat nog beweegt in mij, het enige dat nog leeft.
Ze denken dat ik hen roep, dat ik een verleider ben, maar ik vraag hen niets, ik fluister geen namen, ik reik niet naar hen; ik zing, dat is alles en wie gewond genoeg is, wie diep genoeg rouwt, wie lang genoeg verdwaald is, vindt mij vanzelf, want mijn melodie is een draad die alleen tastbaar is voor wie iets verloren heeft dat nooit terugkomt en zij — zij volgen dat draad alsof het een reddingslijn is, terwijl het niets meer is dan de rafelige restanten van wat ik zelf ben kwijtgeraakt.
Eurydice. Mijn prachtige nimf. Mijn geliefde.
Haar naam brandt nog steeds in mijn borst als ik eraan denk, haar gezicht verschijnt nog steeds in het donker van mijn gesloten ogen, haar stem — die ik nooit meer heb gehoord — galmt door elke toon die ik voortbreng, want zij was alles, zij was mijn zonlicht, mijn adem.
Toen zij stierf, toen zij werd weggerukt uit het leven zoals men een blad van een tak rukt, zonder waarschuwing, zonder genade, wist ik dat de wereld zoals ik die kende eindigde.
Een slangenbeet, een gil, een stilte.
En ik, krankzinnig van rouw, daalde af. Niet figuurlijk — letterlijk.
Ik daalde af in de diepten van de onderwereld, opzoek naar Hades. Ik zong mijn longen kapot, liet snaren breken op het bot van mijn vingers en ik bracht de doden tot tranen. Ik bewoog het hart van Persephone zelf en Hades, meester van de schaduwen, liet haar gaan, uit respect of medelijden of verveling, dat weet ik niet, maar hij gaf haar terug onder één voorwaarde: dat ik me niet omdraaide, dat ik erop vertrouwde dat ze haar lieten gaan en dat ze me zou volgen.
Het was simpel… en ik faalde.
Ik faalde omdat ik mens ben, omdat verlangen altijd sterker is dan geloof, omdat de stilte achter me zwaarder woog dan de hoop op een mooi leven met mijn geliefde. Omdat ik twijfelde in de goden en hun belofte om haar te laten gaan.
En in die ene seconde van twijfel draaide ik mij om — en ik zag haar — haar ogen, haar lippen die iets wilden zeggen — en toen werd ze uit mijn wereld gerukt, opnieuw, ditmaal niet door de dood, maar door mijn eigen zwakte, mijn eigen angst, mijn eigen liefde die zeker wilde stellen dat zij er daadwerkelijk was.
En sindsdien draag ik deze vloek.
Ik zing, niet omdat ik wil, maar omdat ik moet, omdat mijn stem het enige is wat ik nog bezit, het enige wat groter is dan de schuld.  
En terwijl ik zing, voelen anderen mijn verdriet, is mijn verlies tastbaar en ze volgen het als motten die denken dat vuur hun thuis is. Ze luisteren, maar begrijpen het niet. Ze herkennen iets, iets wat hen raakt, iets wat hen roept — niet omdat ik het vraag, maar omdat ik hun pijn weerspiegel  en zij die willen verdwijnen, die willen samenvallen met dat gevoel, willen, zonder het te weten, sterven in de hoop daar iets van zichzelf terug te vinden.
En dan komen de nimfen.
Mijn belofte aan hen was simpel. Een leven voor een leven.
Zij zijn geen helpers. Geen wrekers. Ze zijn slechts aanwezig, stil, geduldig, als roofdieren in diep water, ze herkennen het moment waarop de ziel zich losmaakt van het lichaam, en ze grijpen, ze nemen, ze verzamelen de schimmen die mijn stem aantrekt en ik kijk toe, want ik kan niets anders, ik heb geen lichaam meer, geen kracht, ik besta alleen nog in trilling, in geluid, in dat wat overblijft wanneer alles anders is weggenomen.
Elke keer wanneer er iemand verdwijnt onder het wateroppervlak, elke keer wanneer de stilte wordt hersteld, voel ik haar verder wegzakken in mij, alsof elke ziel die mij hoort een extra laag zand legt tussen mij en haar, alsof het universum mij straft voor wat ik durfde te hopen — dat liefde sterker kon zijn dan de dood.

Dus als je ooit aan de rand van de zee zit, op een avond waarop zelfs de wind zijn stem lijkt te zijn vergeten, wanneer de lucht stil hangt en het water zich niet meer roert en je iets hoort — een lied misschien, een fluistering die klinkt als verdriet dat zichzelf heeft leren zingen — draai je dan niet om, houd je adem in, sluit je hart en luister niet, want ik zal daar zijn, onzichtbaar, wachtend, niet met woede, niet met haat, maar met een stem die ik niet kan doven en een verlangen dat mij al eeuwen verslindt.
Ik ben Orpheus.
En ik zing omdat stilte mij meer verscheurt dan verlies.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #3 Moeder van de Nacht


De muziek van het feest trilde nog als een doffe echo in Luca’s oren, terwijl hij zijn jas strakker om zich heen trok en het troosteloze park in stapte.
Het feest was niet geworden wat hij zich had voorgesteld — misschien ook nooit kon worden — want Luca was nooit iemand geweest die vanzelf tussen anderen viel.
Weinig vrienden, vluchtige bekenden; zijn moeder had hem aangedrongen om te gaan, had gezegd dat het goed voor hem zou zijn, nieuwe mensen, nieuwe kansen.
Maar in het midden van een zee van vreemden, waar gezichten oplichtten in het felle blauw van telefoonschermen en waar gesprekken kabbelden als lege beekjes over alcohol gevulde rotsen, was hij meer alleen geweest dan ooit.
Niemand merkte het toen hij vertrok, geen hoofd dat zich omdraaide, geen stem die zijn naam riep.
Hij liep de nacht in, koud en zwaar, alsof de wereld zelf hem onzichtbaar had verklaard.
Zoals altijd koos hij de kortste weg naar huis — dwars door het park, onverschillig voor de verhalen die hij als kind had gehoord, over stemmen die fluisterden uit de mist en schaduwen die je beter niet kon zien.
Zijn telefoon trilde zwak in zijn hand; hij wierp een blik op het scherm. Shit, nog drie procent batterij — een breekbaar lijntje met de wereld dat elk moment kon breken.
De mist trok tussen de bomen als adem die niet van deze wereld was, zwaar op zijn borst, klevend aan zijn kleren en terwijl hij zijn pas versnelde, gleden zijn sneakers gevaarlijk over het natte asfalt
Boven hem begon een straatlantaarn te knipperen, licht krampachtig alsof het de laatste stuiptrekken waren van iets dat allang dood had moeten zijn.
In eerste instantie dacht hij dat hij zich vergiste toen hij het hoorde — een melodieuze hese stem dat een lied, zacht en breekbaar zong. Een melodie die zich als fijne draden rond zijn gedachten wond, ouder dan de stad, ouder dan de bomen die zich als wachters om hem heen leken te sluiten.
De woorden droegen op de wind, troostend en kil tegelijk:
‘Slaap, mijn lief, sluit je ogen toe,
de nacht waakt zacht, de sterren zien toe.
De wind wiegt je hoog, de zee zingt je laag,
slaap, mijn kind, tot de nieuwe dag.’
Zijn passen vertraagden, zijn hart klopte sneller zonder reden die hij kon benoemen en daar, onder de kapotte straal van een stervend lantaarnlicht, zag hij haar: een vrouw, ineengedoken, een verfrommelde figuur van vodden en nevel, haar hoofd gebogen, haar armen om zichzelf geslagen alsof ze de nacht probeerde buiten te houden.
Even dacht Luca dat ze een zwerver was, een junkie misschien, iemand verloren in haar eigen wereld van gebroken dromen en hoewel alles in hem schreeuwde dat hij moest doorlopen, vond hij zichzelf toch stap voor stap dichterbij komen, alsof de mist zelf zijn benen vasthield.
‘Mevrouw?’ riep hij, zijn stem schor en klein in de verstikkende stilte.
De vrouw bewoog.
Langzaam, alsof elke beweging haar meer pijn deed dan de vorige, tilde ze haar hoofd op en toen haar gezicht zichtbaar werd, bevroor Luca waar hij stond; haar huid was gescheurd en schilferig, alsof de tijd haar had opgegeten en waar haar ogen hadden moeten zijn, gaapten holtes, zwart en glanzend als opgedroogde meren onder een troebele maan.
Toch, in een fractie van een seconde, flitste iets door hem heen — een herinnering die niet de zijne kon zijn: een jonge vrouw, prachtig en vol leven, haar ogen sprankelend van licht en liefde, haar lippen glimlachend tegen een kind dat veilig in haar armen lag.
Het beeld verdween zo snel als het gekomen was.
Ze bewoog langzaam, alsof haar botten aan draden hingen die te strak waren gespannen, haar gewrichten knakkend in onnatuurlijke hoeken terwijl ze overeind kwam. Ze leek op een marionet waarvan de poppenspeler het liet bewegen.
Het licht van de stervende straatlantaarn gleed over haar verschrompelde huid, over de rafelige randen van wat ooit een menselijk gezicht was geweest.
Voordat Luca zijn lichaam tot actie kon dwingen, gleed ze naar hem toe, geluidloos, haar armen uitgestrekt met vingers als gekromde haken en een stem, zacht en gebroken als nat papier, brak door de mist heen: ‘Laat me je vasthouden, mijn kind… ik wil je alleen maar omhelzen.’
Paniekgolven trokken door Luca’s lichaam, rukten aan zijn spieren, maar hij voelde de lood in zijn schoenen. Zijn lichaam weigerde te bewegen, zijn handen trilden nutteloos aan zijn zijde terwijl zijn telefoon uit zijn hand gleed en kapot brak op het asfalt.
Hij zag hoe haar hand naar hem reikte, zag hoe de grijsblauwe huid over scherpe botten gespannen stond, hoe uit haar nagels fijne scheurtjes bloed sijpelden alsof zelfs haar lichaam haar wanhopige aanraking probeerde tegen te houden — maar het was te laat.
Haar vingers streelden zijn bovenarm. Als gladde alen gleden ze over zijn bovenarm naar zijn hand. Toen ze zijn hand raakte sneed de kou direct door zijn vlees heen, als messen van ijs die zijn zenuwen lamlegden en waar haar huid hem raakte, voelde hij zijn eigen bloed stollen.
Ze trok hem tegen zich aan met een kracht die onmogelijk leek voor iets dat zo gebroken was. Haar armen om hem heen voelden als kettingen van bedorven liefde, haar lichaam rook naar verrotte aarde en natte steen, maar ergens, ergens diep onder de rot, hing nog een geur — heel vaag — iets dat ooit naar jasmijn had geroken.
‘Rust nu maar,’ fluisterde ze, haar stem trillend tegen zijn oor, haar adem klam en ruikend naar oud graf. ‘Je bent niet meer alleen.’
Luca probeerde zich los te worstelen, een rauwe kreet ontsnapte aan zijn keel, maar haar greep was te sterk, haar wanhoop te zwaar.
Hij voelde haar handen over zijn rug glijden, niet met haat maar met een dwingende tederheid die hem haast brak. Waar ze hem raakten, leek de wereld zelf uit elkaar te rafelen.
Zijn borst werd zwaar.
Zijn hart, dat even daarvoor nog wild had gehamerd, begon te vertragen, zijn slagaderen verkleefd met de ijzige kilte die zich een weg naar binnen wrong.
Hij voelde hoe zijn vingers gevoelloos werden, hoe zijn benen hun gewicht verloren. Hij zag hoe hij langzaam oploste in de mist die hem omhulde.
Haar lippen bewogen nog, vlak naast zijn oor en hij hoorde de woorden die zich als een laatste gebed in zijn bewustzijn wrongen.
‘Droom, mijn lief, onder maanlicht zo koud,
de zee slaapt stil, het bos is oud.
Rust in mijn armen, verdwijn in de nacht,
slaap, mijn kind, ik hou voor je de wacht.’
Zijn zicht werd troebel.
De wereld werd een waterig geheel van lichtvlekken en schaduwen, de contouren van de bomen vloeiden in elkaar als inkt in water.
Zijn benen begaven het onder hem, maar haar armen hielden hem overeind, wiegden hem zachtjes heen en weer, haar kin rustend tegen zijn kruin, haar hele wezen pulserend van een liefde die te ver was gegaan.
De mist trok hem mee, nam zijn adem, zijn laatste gedachten.
En het laatste wat Luca voelde, voordat de nacht hem volledig opslokte, was haar hand, ruw maar hunkerend, haar hartslag als een doffe trom in haar borst — en haar stem, brekend onder de zwaarte van eeuwen van verlies, die hem naar een droom zong die geen ontwaken meer kende.

De mist glijdt over mijn huid als klamme doeken terwijl ik hem in de mist voel verdwijnen. Net zoals mijn eigen kinderen verdwenen. Ik kniel op de grond, mijn handen verstrikt in het dode stro van mijn haar, mijn lege ogen op het kille asfalt gericht dat geen warmte meer kent.
Ik wieg heen en weer, niet om mezelf te troosten, maar omdat mijn lichaam niet anders meer weet.
Ik voel hem nog, de jongen, zijn adem trillend tegen mijn borst, zijn hart dat klopte als dat van mijn dochters, Eurynome en Thelxinoe, lang, lang geleden, toen mijn wereld nog gevuld was met hun gelach en hun kleine vingers die zich om mijn duimen sloten.
Ik wilde hem niet pakken.
Ik wilde hem wiegen.
Ik wilde zijn warmte vasthouden, zijn leven koesteren zoals ik ooit het leven in mijn armen droeg.
Ik wilde hem laten weten dat hij niet alleen is en dat moeders liefde ook voor hem geldt.
Maar de vloek die mij doordrenkt kent geen onderscheid tussen liefde en honger, tussen verlangen en vernietiging.
Ik herinner me nog hoe ik was. Hoe ik lachte onder de zon, hoe mijn huid glansde als zijde en mijn ogen de kleuren van de zee vingen.
Ik was de koningin van Libië, door de goden bemind en door de mensen gezegend.
Ze fluisterden mijn naam als die van een zegen, als een belofte van vruchtbaarheid en voorspoed. Zeus was mijn liefde, de man waar ik van hield. Ik was zijn minnares.
En toen kwam zij…
Hera, met haar woede zo diep als de zeeën, haar jaloezie zo verstikkend als de mist en haar wraak zo scherp als geslepen obsidiaan rukte ze mijn dochters uit mijn armen, liet ze hun stemmen verstillen, hun warmte bekoelen. Mijn prachtige dochters werden door haar vermoord, opgeslokt in de mist.
Daarna nam ze mijn ogen, mijn slaap en mijn dromen.
Ze liet mij echter achter als een omhulsel – wakend, wanhopig, onsterfelijk in een lichaam dat niet langer mooi, niet langer geheel was.
Ze liet mij deze dorst na — deze eindeloze verlangen naar het vasthouden van mijn kinderen. Met een alles verslindende hoop om hun warmte weer tegen me aan voelen.
Ik neurie nog steeds hetzelfde liedje. Het klinkt nog zoals ik het toen voor hen neuriede, zacht, een liedje dat ooit hun dromen droeg en nu alleen nog maar mijn pijn kent.
‘Slaap mijn kind, tot de nieuwe dag…’ Mijn stem breekt halverwege en ik wieg verder, mijn armen leeg, mijn borst hol.
Mijn naam is Lamía.
En waar ik eens leven bracht, breng ik nu slechts leegte.
De mist sluit zich als koude handen om mij heen en terwijl de laatste lantaarn boven mij uitdooft, fluister ik hun namen in de leegte: Eurynome… Thelxinoe…
Misschien, heel misschien, horen zij mij nog.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Schrijven

Gebroken Goden: een nieuwe serie vol duistere verhalen

Soms worden monsters niet geboren. Soms worden ze gemaakt.

Vanaf 3 mei begint mijn nieuwe serie Gebroken Goden: tien korte verhalen over oude mythische figuren die niet langer machtig of perfect zijn, maar gebroken.
Ze zijn verraden, vervloekt of vergeten.
Ze zijn geen helden meer — maar wezens vol pijn, woede en verdriet.
Elke zaterdag komt er een nieuw verhaal online.

Je leert vrouwen kennen die gestraft werden om hun schoonheid, mannen die alles verloren door hun keuzes, en wezens die ooit goden waren… maar nu alleen nog schaduwen zijn van wie ze ooit waren.

Het eerste verhaal, “Kijk niet!”, verschijnt op 3 mei.

Durf jij hun verhalen te lezen?

Welkom in Gebroken Goden.