gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden #10 – De Jacht


We vonden hem in de as van zijn eigen verleden.
Prometheus had zich teruggetrokken in een verlaten steengroeve bij Dragtstraat—een plek waar de mist dik op de grond bleef hangen en het zonlicht leek te weigeren om te blijven. Alles rook er naar ijzer, naar schaduw, naar dingen die ooit eeuwig leken maar toch gebroken raakten.
Artemis was de eerste die hem zag. Ze had urenlang zijn sporen gevolgd: vervormde voetafdrukken tussen rotsen, een schaduw die zich door het gruis had gesleept. Hij had zich niet verstopt. Hij had gewacht.
Toen we hem benaderden, stond hij recht, zijn borst geheven alsof hij nog altijd een titan was. Zijn huid was gebarsten van binnenuit, zijn ogen hol, maar zijn stem—die trilde niet.
‘Laat me met rust,’ zei hij. ‘Ik heb jullie niets meer te geven.’
Hermes stapte naar voren, zijn toon kalm, bijna vermanend. ‘We zijn hier niet voor jou. We zoeken Medusa.’
‘Zoals jullie mij hebben gezocht?’ zijn stem had een woedende ondertoon.
‘Je weet dat we haar moeten vinden. Ze vermoordt onschuldige mensen, Prometheus. Ze laat de wereld achter in steen.’
‘In steen…’ Prometheus’ lippen trokken zich in een wrange grijns. ‘Zoals ik eeuwenlang aan steen was geketend? Zoals jullie haar lichaam versteenden en haar hart vergaten? Vergeet het. Ik geef haar niet prijs.’
‘Het is geen keuze meer,’ zei ik.
Hij keek naar mij, zijn blik oud en uitgeblust, maar niet verslagen. ‘Jij, Hades, van alle goden, zou beter moeten weten. Jij ziet de doden. Jij weet dat zij niets is begonnen. Alles wat zij nu doet… is jullie schuld.’
Ik zette een stap dichterbij. Mijn stem werd laag, vloeibaar. ‘Denk aan de mensen, Prometheus. Denk aan de onschuldigen. Help hen. Zoals je altijd hebt gedaan.’
Hij lachte. Kort. Bitter. ‘Je spreekt over onschuld terwijl je zelf uit vergetelheid bent gesneden. Jij kent geen schuld. Je verzamelt alleen wat overblijft. Ik ben degene die gaf. Jij… neemt alleen maar.’
Ik voelde iets knappen in me.
Hij was niet zoals de anderen. Niet breekbaar met woorden.
Ik knielde voor hem, legde een hand op zijn knie. Mijn stem werd zacht, als water dat onder deuren sijpelt.
‘Ik kan haar veilig houden,’ fluisterde ik. ‘Als jij me vertelt waar ze is. Ik ben niet als mijn broers. Ik wil haar geen pijn doen. Ik wil alleen dat het stopt. Voor haar. Voor jou.’
Hij antwoordde niet. Hij keek weg. En in die stilte—die afwijzing—voelde ik iets in mezelf omdraaien.
Geen overtuiging. Geen redelijkheid. Alleen koude, oude macht.
Mijn vingers trokken zich aan. Mijn kracht sloop langs zijn botten, door zijn huid, in zijn herinneringen.
Hij begon te beven. Niet van angst, maar van de pijn die ik naar boven bracht—de adelaars, het vuur, het ijzer dat door zijn ingewanden had geslaan en de pijn dat hij dagelijks vanuit de mensen voelde. Ik liet hem voelen wat tijd hem net had leren vergeten.
‘Zeg het me,’ siste ik. ‘Zeg het.’
Hij gromde, bloedde uit zijn neus, zijn tanden knarsten. Artemis keek toe, haar blik strak. Hermes wendde zijn hoofd af.
Ik voelde het moment.
Dat dunne, trillende moment waarop zelfs titanen buigen.
En toen, met gebroken stem, nauwelijks meer menselijk, fluisterde Prometheus:
‘Onder de oude stad… bij Helsbergen. Daar waar de aarde ademt. Ze zit diep. In een tunnel waar zelfs jij niet graag komt.’
Ik liet hem los.
Hij viel op zijn zij, zijn ademhaling zwaar en ongelijkmatig.
‘Jullie zijn niet anders dan hij,’ fluisterde hij. ‘Ze maakt van jullie wat jullie echt zijn. En dat is het enige waarvoor ik haar bewonder.’
Ik stond op. Mijn handen trilden niet. Maar in mijn borst klopte iets anders—een echo van mezelf die ik liever niet hoorde.
Ik had hem gebroken. Niet omdat het moest, maar omdat het kon.
En wat zegt dat over mij?
Wat zegt dat over een god die het einde draagt, maar het begin is vergeten?

Ik heb nooit gejaagd zoals Artemis dat kan.
Waar ik mijzelf beweeg in de stilte van de dood, traag en zonder haast, is zij alles wat scherp en levend is. Haar zintuigen lijken geslepen tot voorbij het menselijke. Ze ziet wat anderen missen, hoort wat zelfs de echo’s nog verbergen, voelt waar de lucht net iets kouder is dan normaal. Als een roofdier in een verlaten bos beweegt ze door de ondergrondse gangen, haar voeten geruisloos, haar adem beheerst, haar ogen altijd op zoek.
Ze loopt voor ons uit en raakt met haar hand de muur aan. Tussen lagen graffiti en schimmel, tussen roestplekken en afbladderend beton, stopt ze plotseling. Haar vingers rusten op een reeks vreemde tekens die in cirkelvormen over de muur kronkelen.
‘Kijk,’ zegt ze zacht, terwijl ze de patronen volgt met haar wijsvinger. ‘Ze zijn met iets scherps gekrast. Niet recent, maar vers genoeg om nog niet vervaagd te zijn. Zie je de vorm? Ronde lussen, als… slangen die zich oprollen.’
Hermes komt naast haar staan en tuurt naar de muur. ‘Of als haar.’
Ik knik langzaam. ‘Ze is hier geweest. Ze heeft dit achtergelaten. Niet als val, maar als teken. Misschien als waarschuwing. Misschien als herinnering.’
Artemis trekt haar hand terug, maar blijft nog even staan, alsof ze luistert naar wat de muur haar wil zeggen. Dan sluit ze haar ogen en ademt diep in.
‘Slangen, stof, steen. Ze houdt zich laag, maar de ruimte is gevuld met haar. Alles voelt zwaarder.’
Ze opent haar ogen weer. De blik die ze me geeft is scherp en helder.
‘We zitten haar op de hielen,’ zegt ze.
Zonder aarzeling beweegt ze zich voort, sneller nu, alsof elke stap haar dichter bij iets brengt dat al te lang buiten bereik was. We volgen haar door de kronkelende tunnel, de lucht wordt vochtiger, benauwder, en het licht steeds schaarser.
De muren lijken te leven—schaduwen verschuiven met elke beweging, en elke stap echoot alsof iets ons terugfluistert.
Dan stopt Artemis opnieuw, haar blik gefixeerd op de grond. Ze hurkt en raapt een stukje spiegel op, een scherf niet groter dan een handpalm.
‘Ze heeft hier naar zichzelf gekeken,’ fluistert ze, meer tegen zichzelf dan tegen ons.
De spiegel ligt in het stof, gebarsten in drie lijnen die samen lijken te wijzen naar de donkere doorgang verderop.
Ik zie iets in Artemis’ gezicht. Niet angst, niet woede, maar iets rauwers. Spijt, misschien. Of schuld die haar lang heeft achtervolgd.
Hermes komt dichterbij. Zijn ogen glijden langs de muren, de vloer, de vochtplekken in het plafond.
‘Ze is dichtbij,’ zegt hij. Zijn stem is kalm, maar ik hoor het: de nervositeit in zijn adem, het kantelmoment.
We dalen verder af, de lucht wordt steeds zwaarder. Alsof elk ademhalen een keuze is.
Tot we bij een oude metroruimte komen. Alles is stil, beklemd, alsof de tijd hier niet meer beweegt.
Het perron is verlaten. De muren zijn zwart van schimmel, het licht verdwijnt volledig. Alleen een flauwe groene gloed van een flikkerend reclamebord geeft schaduw aan wat we zien.
De lucht is dik, doordrenkt van iets dat lijkt op verwelkte bloemen, nat beton en oud bloed.
En daar, midden in de ruimte, zit ze.
Op een troon van brokstukken en puin,
met haar haren—slangen, langzaam bewegend alsof ze slapen—rustend op haar schouders.
Haar rug is recht.
Haar handen gevouwen in haar schoot.
En haar ogen… gesloten.
Maar we weten dat ze ons voelt.
En ik weet—zonder twijfel—dat dit de plek is waar het zal eindigen.

Ze spreekt onze namen uit nog voor iemand iets kan zeggen.
‘Hadesss… Artemisss… Hermesss…’
Haar stem glijdt door de ruimte als vochtige adem over steen—langzaam, slepend, als iets dat ooit helder was maar nu vermoeid voortkruipt. Geen gegrom. Geen vuur. Alleen dat zachte gesis, alsof de woorden door haar tanden moeten wringen. Een s-klank die rekt en blijft hangen, die zich om ons heen wikkelt als de kronkels van haar haar.
Ze opent haar mond alsof spreken haar pijn doet, maar toch klinkt elk woord scherp.
‘Jullie z-z-zijn gekomen.’
Haar ogen blijven gesloten. Haar hoofd hangt lichtjes voorover. De spieren in haar schouders staan gespannen, maar niet van kracht. Van uitputting. Van jarenlang vluchten, vechten, versteend worden door herinneringen.
Hermes stapt voorzichtig naar voren. Hij houdt zijn ogen op de vloer gericht, alsof hij haar blik nu al vreest.
‘Er zijn mensen gestorven, Medusa,’ zegt hij zacht.
Ze haalt langzaam adem. Ik hoor het: een krakend geluid, alsof haar longen roesten.
‘Ik weet het,’ fluistert ze, en de slangen op haar hoofd sissen mee, traag, loom, alsof ook zij oud geworden zijn. ‘Ze kijkennn… altijd maar kijkennn… En ik… ik was moe… moe van het bekeken worden.’
De stilte die volgt is zwaar. Niet leeg, maar vol van alles wat ze niet zegt.
Artemis heft haar boog. Haar handen zijn stil, haar gezicht strak. Maar ze schiet niet. Ze kijkt Medusa aan, vluchtig, aarzelend—en ik weet dat ook zij het ziet: geen vijand. Geen monster.
Een vrouw, gebogen onder eeuwen van haat en vergeten verdriet.
‘Je had de tempel niet mogen betreden,’ zegt Artemis, haar stem nauwelijks hoorbaar. ‘Maar ze hadden je nooit mogen aanraken.’
Medusa’s hoofd komt iets omhoog. Haar ogen blijven dicht. Haar stem wordt scherper, maar breekt halverwege: ‘Ze noemden me heilig… tot ik vuil was… tot ik bloedde op hun vloer en Athena wegkeek… zoals jullie allemaal deden…’
Ze opent haar ogen.
Langzaam.
En in dat moment lijkt de wereld even stil te vallen.
Iedere sterveling zou versteend zijn, gevangen in de afgrond van haar blik. Maar ik—ik ben Hades. Ik kijk haar aan. Niet omdat ik sterker ben. Niet omdat ik onkwetsbaar ben. Maar omdat ik niet bang ben voor wat ze geworden is.
Want voor het eerst zie ik haar en besef dat Prometheus gelijk heeft.
Ik zie de pijn die haar gevormd heeft. De woede die haar warm heeft gehouden.
De eenzaamheid die haar langzaam heeft leeggegeten tot er niets overbleef dan stenen en slangen. En dat alles is veroorzaakt door ons, de oude Goden.
Ik stap naar voren en kniel voor haar neer. Mijn hand raakt de koude vloer. Mijn stem is zacht.
‘Ik ben Hades,’ zeg ik. ‘Ik kom niet om te straffen. Niet om te oordelen.’
Haar ogen blijven op mij gericht. Haar lippen trekken in een spottende glimlach.
‘Ik weet wie jij bent… heer van de duisssternisss… de brengerrr van het einde… Jij… bent mijn einde…’
De slangen op haar hoofd komen in beweging. Eén richt zich op mij, haar ogen glanzend zwart. Maar ik knik alleen.
‘Ja. Dat ben ik.’
Ze steekt haar hand naar me uit. Haar vingers zijn dun, koud, bevend.
‘Doet het… pijn?’ vraagt ze, haar stem nauwelijks hoorbaar. Het klinkt niet als angst. Meer als een kind dat eindelijk durft te vragen wat niemand haar ooit wilde vertellen.
De slangen sissen zacht, geen dreiging, maar een soort waakzaamheid. Alsof zij ook willen weten wat ik zal zeggen.
Ik pak haar hand vast. Haar huid voelt als marmer, maar onder het koude oppervlak klopt nog iets levends, iets zachts.
‘De dood doet geen pijn,’ zeg ik. ‘Niet als je eraan toe bent.’
Ze knippert langzaam. Haar ademhaling stokt.
‘Ik… ik…’
‘Je verdient rust,’ antwoord ik voor haar en ik meen het.
Ze kijkt me aan, en er is iets in haar ogen wat ik nog niet eerder zag. Geen woede. Geen trots, maar opluchting. Haar schouders zakken naar beneden. Haar adem ontsnapt uit haar borst in een lange, trillende zucht.
Ze knikt. Eén trage beweging. Een traan glijdt over haar wang, dwarrelt naar beneden, en valt stil op het stof.
Dan sluit ze haar ogen. Haar lichaam zakt langzaam neer in de troon van puin waarop ze zat.
De slangen op haar hoofd sissen nog een laatste keer, kort en klaaglijk.
Daarna worden ook zij stil.

Artemis knielt langzaam naast Medusa neer, alsof elke beweging een ritueel op zich is. Ze legt haar boog naast zich, schuift een lok haar achter het oor en buigt voorover. Haar lippen raken Medusa’s voorhoofd in een tedere, bijna moederlijke kus. Daarna sluit ze voorzichtig haar ogen, alsof ze het duister dat zich aandient niet als vijand, maar als bevrijder wil verwelkomen.
‘Hebben wij dit op ons geweten?’ vraagt ze zacht.
Hermes blijft op een afstand staan. Hij zegt niets, kijkt alleen. Zijn hoofd lichtjes gekanteld, zijn blik half afgewend, alsof hij aarzelt. Dan stapt hij naar voren, knielt tegenover Artemis, en legt zijn hand op Medusa’s borst, boven haar hart. Geen spreuk. Geen goddelijke ingreep. Alleen aanraking. Alleen stilte en dat is genoeg voor Artemis.
Hermes is de boodschapper. Hij draagt geen zwaard, maar woorden. Hij hoort wat niet gezegd wordt, voelt wat zich verbergt onder stilzwijgen. Hij is de gids tussen werelden, de enige onder ons die moeiteloos reist tussen leven en dood, tussen Olympus en aarde, tussen verleden en wat nog komen moet. Maar hij is ook degene die de meeste waarheden kent, en daardoor het zwijgen het best heeft leren beheersen.
En terwijl zijn hand nog rust op Medusa’s borst, voel ik iets loskomen uit haar lichaam—een licht, een zweem, iets wat zich langzaam omhoog beweegt als stof in zonlicht. Haar ziel.
Ik sta op en strek mijn arm uit. Mijn vingers sluiten zich om wat voor anderen onzichtbaar zou zijn, maar voor mij voelt als een ademhaling die niet meer bij het lichaam hoort.
‘Ik neem haar mee,’ zeg ik, en mijn stem klinkt kalmer dan ik me voel. ‘Haar lichaam blijft bij jullie. Maar haar ziel… die verdient een plaats waar geen oordeel meer is. Geen haat. Geen angst. Alleen grijze rust.’
Artemis kijkt op. Haar ogen zijn rood van ingehouden tranen. ‘De Velden van Asfodel?’
Ik knik.
‘Dat gaat Zeus niet leuk vinden.’
Een flauwe, bittere glimlach speelt om mijn lippen terwijl ik mijn schouders ophaal.
‘Ze verdienen het niet om daar iets over te zeggen,’ antwoord ik. ‘Mijn broers hebben hun spelletjes met haar gespeeld. Zeus keek toe, Poseidon was de reden… En Athena—zij die haar had moeten beschermen—maakte van haar een monster. Maar ik? Ik ben de dood. Ik oordeel niet. En ik zal haar beschermen. Nu wél.’
Artemis legt haar hand op mijn arm. Zacht. Vol respect. ‘We zijn nog niet klaar, dat weet je,’ zegt ze.
Ik weet het. Natuurlijk weet ik het. De wereld is nog steeds vol van onze soort—goden, halfgoden, schaduwen van iets wat ooit verheven was, maar allang niet meer heilig.
Hermes staat op. Zijn blik is nu strak en doelgericht.
‘Je hebt het nieuwsartikel gelezen,’ zegt hij. Zijn stem is laag, maar helder. ‘Ze is gezien. We kunnen haar niet vrij rond laten lopen.’
Ik knik traag. Ik weet over wie hij het heeft.
Scylla.
Een oude wond. Een stem uit het water die nooit ophield met gillen.
Ik zucht. Niet van tegenzin, maar uit vermoeidheid. Niet van haar, maar van wat wij geworden zijn.
‘Ze hoort hier niet,’ zeg ik. ‘Geen van ons eigenlijk. Deze wereld is niet meer van ons. Zij bouwen hun eigen goden nu—van staal en vuur, van algoritmes en schreeuw om aandacht. Wat wij waren… is vergeten. Of vervormd.’
Beiden kijken me aan in stilte, maar ik zie het begrip in hun ogen. Zij beseffen het ook.
‘De Velden van Asfodel,’ herhaal ik zacht. ‘Of Elysion, voor wie geluk had. Maar wij… wij horen diep vanbinnen thuis in Tartaros.’
De woorden hangen in de ruimte als een veroordeling. Niet voor Medusa. Voor ons.
Want wie zijn wij om nog goden genoemd te worden, terwijl we de mensheid—en elkaar—meer gebroken hebben dan beschermd?
Wij zijn geen helden.
We waren dat misschien ooit. Maar nu?
Nu dragen we het woord “god” als een oud zwaard—bot, roestig, maar nog altijd dodelijk.
En ik weet… ik weet dat onze tijd bijna voorbij is.
Maar zolang er nog schaduwen kruipen waar geen licht durft te schijnen, zolang onze broeders en zusters zich verbergen in de plooien van deze wereld, zolang de wonden uit het verleden blijven bloeden in de straten van nu— zullen wij blijven jagen.

Terwijl ik verdwijn met haar ziel, blijven Artemis en Hermes achter.
Ze zeggen niets. Er valt ook niets meer te zeggen. Alleen daden, eerbetoon en een zwijgend verzet tegen het onrecht dat haar eeuwenlang omhulde als een tweede huid.
Artemis zoekt stenen langs de oever van een verborgen meer, glad en licht van kleur. Ze bouwt met zorg een graf—niet groots, niet goddelijk, maar eerlijk. Eén steen voor elke verwonding, elke vernedering, elke stilte waarin Medusa had moeten schreeuwen maar dat niet meer durfde.
Ze plant bloemen aan de rand. Geen wilde planten of pijlpunten, maar witte anemonen—bloemen van vergeving en verlies, zacht en klein, alsof ze weten dat echte eer niet luid hoeft te zijn.
Hermes komt naast haar staan. Hij kijkt naar wat ze heeft gemaakt, dan zakt hij door zijn knieën. Langzaam trekt hij zijn gevleugelde sandalen uit—dezelfde waarmee hij eeuwenlang tussen werelden bewoog, tussen dood en leven, tussen hemel en hel. Hij legt ze neer aan het hoofdeinde van het graf. Een gebaar dat zegt: ik vlucht niet meer. Ik blijf. Ik herinner.
En ik?
Ik loop met haar. Met haar ziel—licht, flakkerend en misschien nog wel het belangrijkste van alles, ze is weer zichzelf.
We betreden de Velden van Asfodel. Het land is grijs en zacht. De lucht hangt laag, mistig, zonder zon, zonder regen. Geen oordeel heerst hier. Geen stemmen die je na roepen. Hier zijn alleen zij die vergeten werden, die niet geliefd genoeg waren voor Elysion, maar ook niet verdoemd tot Tartaros.
En in die stille velden loop ik met haar.
Ze kijkt omhoog naar de hemel die geen tijd kent en voor het eerst— voor het eerst in een eeuwigheid glimlacht ze. Niet als monster. Niet als mythe. Niet als schaduw van wat de wereld van haar maakte.
Maar als wie ze werkelijk is: Een vrouw. Een ziel.
En ze is vrij.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden #9 – De Stille Wachter


De klok in het mortuarium tikte als een druppelende kraan. Eén tik per seconde. Eén seconde per stilte.
De vrouw op de autopsietafel was jong. Witte ogen, kaarsrechte handen — alsof ze tijdens haar paniek bevroren was — en lippen als strakgespannen draad. Haar huid had een kleur die bijna niet te omschrijven viel — niet bleek, niet blauw, maar iets ertussenin. Marmer. Alsof ze een standbeeld was, gehouwen door Michelangelo zelf.
De geur van formaline hing nog niet over haar heen. Ze was vers. Te vers.
Dr. Hadrian Charon stond stil aan het hoofdeinde. Een zwart overhemd, een witte laboratoriumjas, latex handschoenen die als een tweede huid over zijn handen lagen. Zijn zwarte haren piekten onder de stoffen muts vandaan. Zijn grijze ogen gleden over haar lichaam, alsof hij haar niet onderzocht, maar las.
Hadrian was een gespierde man, en vrouwen stonden voor hem in de rij om hem te aanbidden. Maar het boeide hem niets. Hij kon zich niet meer herinneren waarom hij lijkschouwer wilde worden. Het leek alsof het hem riep als een sirene naar een zeeman riep. Het gekke was dat hij zich ook niet meer kon herinneren hoe hij in dit stadje terecht was gekomen, alsof hij hier altijd al was geweest, alsof zijn herinneringen in zijn geheugen gebrand stonden en toch voelden ze alsof ze niet van hem waren.

Achter hem, tegen de muur, stond rechercheur Elise de Vries. Haar blonde haren strak in een staart. Ze was het evenbeeld van haar zuster. Ze droeg een leren jas die naar buitenlucht rook en hield haar armen over elkaar gevouwen als een verdedigingslinie. Haar blik ging van de vrouw op de tafel naar Hadrian, alsof ze nog twijfelde wie van de twee enger was.
‘We weten niet wat dit is,’ zei ze zacht. ‘Alles klopt niet. Geen letsel. Geen verwurging, geen sporen van gif. Alleen een volledig stilgevallen lichaam. Alsof ze…’
‘Opgegeven heeft,’ maakte Hadrian haar zin af. Zijn stem was laag en glad, als water over steen.
Elise knikte langzaam. ‘Ze is vannacht gevonden. Midden op de Dam.’
‘Op de Dam?’ vroeg Hadrian.
Elise knikte. ‘Geen ID, geen schoenen, geen camerabeelden. Het is alsof ze daar gewoon… stond.’
‘Waarom doe ik de autopsie als ze in Amsterdam is gevonden?’
‘Omdat jij degene bent die dit soort zaken oppakt.’
Hadrian knikte langzaam. Ze had gelijk. Hij was degene die werd gebeld zodra iets vreemd werd. Hij reisde door heel Nederland en begon zelfs in het buitenland naam te maken.
Kun je de dood niet verklaren? Heeft het iets mysterieus?
Dan belde je Dr. Hadrian Charon.
Zijn naam verscheen inmiddels in bijna elk medisch vakblad. En hij moest het toegeven — hij hield van dit soort zaken. Van het mysterie. Het onverklaarbare.
De X-files-dossiers, zoals hij ze zelf noemde.
Hij boog zich voorover en trok met uiterste precisie een scalpel over de borstkas van de dode. De snee was bijna elegant, als een penseelstreek. Met het geroutineerde gebaar van iemand die de dood al duizend keer had aangekeken, klapte hij de ribbenkast open.
Geen bloed.
Zijn ogen gleden langzaam over de organen. Eén voor één sneed hij ze eruit, zorgvuldig, voor verder onderzoek.
De longen waren net zo wit als de huid van de vrouw. Maar er waren geen tekenen van verstikking. Geen bevriezing. Geen trauma.
Het hart was intact, maar verkleurd. Niet zwart. Niet rood en levend.
Maar grijzig en glanzend — alsof het van binnenuit was versteend. Toch trof hij geen kalkresten aan.
Hij legde het hart in een weegschaal, en de naald schoot direct naar twee kilogram.
Fronsend haalde hij het eruit en legde het opnieuw neer.
Weer sprong het display naar twee kilogram.
‘Dit kan niet…’ mompelde hij. Zijn vingers rustten even op de rand van het borstbeen, alsof hij tastte naar iets wat niet tastbaar was.
De stilte leek dieper te worden. Als een kelder die onder je voeten openklapt.
Achter hem haalde Elise moeizaam adem. ‘Dit is de zesde. En nog steeds geen spoor. Geen patroon. Behalve…’
Ze zweeg. Iets achter haar ogen trilde.
‘Behalve wat?’ vroeg Hadrian zonder op te kijken.
‘Ze lijken allemaal bevroren. Alsof ze van steen zijn geworden in de laatste minuten van hun leven.’
Hadrian keek haar eindelijk aan. De stilte die volgde was oorverdovend.
Om die te doorbreken vroeg hij: ‘Hebben ze al iets van je zus gehoord?’
Elises kaken spanden zich. ‘Nadia,’ zei ze, alsof ze hem wilde herinneren aan haar naam. ‘Ze hebben niks gevonden. Ze kreeg samen met Jeroen een laatste opdracht, maar niemand weet waarheen. De opname van de centrale bevat zoveel ruis dat het niet meer te beluisteren is.’
‘Hoe lang wordt ze nu vermist?’
Elise zuchtte — vermoedelijk dankbaar dat hij benoemde wat het werkelijk was: een vermissingszaak, en niet twee weggelopen verliefde pubers, zoals de commissaris het noemde. ‘Ze verdween drie maanden geleden. En nog steeds geen lichaam. Geen spoor. Maar…’ Ze schudde haar hoofd, alsof ze de woorden niet wilde uitspreken.
‘Wat?’
‘Ze lijken op haar… allemaal…’
Hij zei niets.
Zijn blik ging terug naar het stille hart.
De stilte drukte tegen zijn trommelvliezen, trok aan de rand van zijn bewustzijn.
Ze is terug.
Hadrian legde het scalpel neer.

De tl-buizen boven zijn hoofd zoemden onregelmatig, alsof ze elk moment konden flikkeren of barsten. Hadrian zat aan zijn bureau, voorovergebogen, ellebogen op het hout, duimen tegen zijn slapen gedrukt. Zijn hoofd bonsde. Niet als een gewone hoofdpijn — het voelde dieper. Oud. Alsof iets in zijn schedel probeerde wakker te worden.
Voor hem lagen de dossiers opengevouwen. Papier met vergeelde randen, handgeschreven notities in een strak, hoekig handschrift. Zijn handschrift — dat wist hij zeker. Maar sommige woorden… die herkende hij niet meer.
Hij sloeg een map open.

Dossier: Onbekende man, ± 50 jaar
Locatie: Wouda
Omschrijving: Gevonden in een transformatorhuisje.
Het lichaam was doorkruist met koperdraden, als wortels die zich door het vlees hadden geboord. Niet aangelegd ná de dood — ze waren gegroeid, verweven met zijn aderen.
Hadrian had een stuk slagader weggesneden en onder de microscoop gelegd. Het bestond uit koper. Puur koper. Doodslag?
Zijn notitie in de marge: Ήφαιστος. Hephaestus.

Hadrian fronste. Hij kon zich niet herinneren dat hij dat erbij had geschreven.
Hij sloeg het dossier dicht en pakte het volgende.

Dossier: Vrouw, ± 34 jaar
Locatie: Thessaloniki, opgehaald via internationaal verzoek
Omschrijving: Gered uit de zee na vijf minuten in het water. Ooggetuigen verklaarden dat ze de vrijwillig de zee in liep nadat ze had gezegd dat ze de muziek wilde volgen. Toch vertoonde haar huid tekenen van extreme verweking. Alsof ze maandenlang ondergedompeld was geweest. Haren klitten als zeewier, vingernagels losgeweekt, ogen troebel van zoutafzetting.
Duidelijke tekenen van verdrinken. Mogelijke zelfmoord.
De aantekening: Ὀρφεύς. Orpheus.

Hadrian duwde zichzelf achteruit. Hij herkende de naam.
Griekse mythologie? Hij had in zijn hele leven geen enkele interesse gehad in religie of sagen. Maar hoe kende hij deze namen?

Dossier: Man, ± 40 jaar
Locatie: Valkenburg
Omschrijving: Gevonden gewikkeld in een zijden tapijt. Geen verwurging. Geen geweld. Maar het lichaam was vergroeid met het weefsel — draden liepen onder de huid door, alsof ze uit zijn poriën waren gegroeid.
Op de CT-scan leek het patroon van het tapijt zich in zijn organen te herhalen. En bij het verwijderen van de organen moest hij draden doorsnijden om ze te bevrijden. Zijden draden die niets te zoeken hadden in een menselijk lichaam.
Randnotitie, haastig gekrabbeld: Ἀράχνη. Arachne.

Hadrian kneep zijn ogen dicht. Een steek ging door zijn hoofd, alsof een naald zich in zijn hersenstam had geboord. Hij schreeuwde van de pijn en zijn handen schoten naar de zijkant van zijn hoofd. Het papier voor hem leek te bewegen — alsof de letters ademden.
Hij stond op, wankelde. Op het moment dat zijn knie de rand van het bureau raakte, flitste het achter zijn ogen.

Water.
Een rivier, breed en zwart als inkt. Mistlaag erboven. En een boot — smal, oud, van hout dat kraakte onder zijn voeten. Er stond een man in de boot. Rimpels als groeven in steen. Een uitgestoken hand, zwijgend. Wachtend op betaling.

Duisternis.
Een troon, uitgehouwen uit basalt. Niet verlicht, niet zichtbaar — maar met blauwe vlammen ernaast dat amper de ruimte verlichtten. Het voelde als… thuis. Rondom hem: flarden van stemmen, maar geen gezichten.

Licht.
Twee mannen, bogen zich over hem heen. Gouden licht straalde uit hun huid. Ze lachten. Niet vrolijk, maar als mannen die niets meer vreesden. Eén had ogen als de lucht voor een storm. De ander droeg water in zijn handpalmen.
Ze keken hem aan — en lachten.
Niet met hem. Om hem.


Met een schok kwam Hadrian weer bij in zijn kantoor. Hij hijgde, zijn voorhoofd was nat van het zweet en zijn slapen bonsden alsof er iets van binnenuit tegenaan duwde. Zijn maag draaide om en zonder nadenken boog hij zich voorover en braakte zijn lunch in de prullenbak naast zijn bureau.
Voor hem lagen de dossiers nog open op tafel, alsof ze hem iets wilden zeggen. Zijn handen trilden licht terwijl hij naar de namen keek die hij er zelf bij had geschreven — al kon hij zich niet herinneren wanneer.
Hephaestus. Orpheus. Arachne.
Hij las ze opnieuw. En nog een keer. Hij bleef kijken, alsof de woorden hem iets zouden uitleggen.
Waarom had hij die namen opgeschreven?
Het voelde niet alsof hij ze zomaar had genoteerd, niet uit interesse of nieuwsgierigheid.
Het voelde als een herinnering, maar niet eentje van hemzelf.
Toch zat het diep in hem, alsof het altijd al daar had gezeten.
Hij klemde zijn kaken op elkaar terwijl de hoofdpijn weer opkwam — zwaar en golvend, alsof er iets vanuit de diepte van zijn gedachten omhoog wilde komen.
Een naam begon vorm te krijgen. Geen uitgesproken woord, maar een gevoel. Iets wat dichtbij was.
Alsof het in zijn lichaam zat, net onder zijn huid.
Alsof het er altijd al geweest was.
Maar hij kon het nog niet vastpakken.
Nog niet.

De stilte in het mortuarium was dikker dan anders. Ze hing om me heen als mist die zich in mijn poriën nestelde. De airco zoemde, maar het klonk dof, onderdrukt, alsof zelfs het geluid niet meer durfde te ademen.
Ik liep langzaam naar binnen, het halletje nog half verlicht door de ochtendzon die de kille ruimte nauwelijks wist te verwarmen. Bij de balie zat een jonge man, nonchalant onderuitgezakt in zijn stoel met zijn sandalen op de toonbank. Zijn oortjes bungelden half uit zijn hoodie, en hij bladerde door een vergeeld tijdschrift alsof de dood buiten hem om draaide.
‘Morgen, dokter Charon,’ zei hij, zonder op te kijken.
‘Goedemorgen Herman,’ mompelde ik. Ik keek opzij en zijn naam bordje stond vol trots op het bureau. Maar toen ik een paar passen verder was en nog één keer terugkeek, stond er iets anders.
Hermes.
Ik bleef kort staan, keek naar hem, maar hij glimlachte slechts, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Ik zei niets. Misschien was het slaapgebrek. Misschien iets anders.
Ik liep verder, het gangpad door, langs de koelcellen, tot ik bij mijn eigen kantoor kwam. Mijn hoofd voelde zwaar, alsof er iets diep in mij probeerde te bewegen. Iets ouds. Iets dat ik niet wilde aanraken.
Op mijn bureau lag een nieuw dossier. Vermoedelijk gebracht door Herman.  De melding: een onbekende vrouw, gevonden bij een verlaten bloemenkas aan de rand van Haarlem. Doodsoorzaak: onbekend.
Weer een lichaam zonder antwoord.
Ik trok mijn jas aan en liep zwijgend naar beneden. Mijn hand gleed langs de lades tot ik bij nummer 27 bleef steken. Mijn vingers rustten net iets te lang op de hendel. Alsof ik al wist wat daar lag. Alsof mijn lichaam het eerder had gevoeld dan mijn geest.
Ik trok de lade open.
Daar lag ze.Jong, een witblauwe jurk die nog rook naar vocht en aarde. Haar kastanjebruine haar lag als een waaier over haar schouders. Haar huid was niet doodsbleek, maar koel en stil, alsof ze ergens tussen werelden zweefde — als iemand die op het punt stond wakker te worden uit een lange droom.
En haar gezicht… Mijn adem stokte.
Ze leek op háár.
Niet zomaar iemand, geen vage herinnering uit een boek of een droom. Nee — ze leek op Persephone.
Ik wist niet waar die naam vandaan kwam. Ik had haar naam nooit bewust gedacht. Nooit uitgesproken. Maar nu, plotseling, stond ze voor me — of tenminste, een echo van wie ze ooit was.
Mijn hand bewoog vanzelf, rustte op haar schouder. Haar huid was ijskoud, maar het was geen gewone kou. Het was de kou van afgesloten ruimtes, van diepe, wortelachtige stilte. Ondergronds. Tijdloos.
En toen zag ik het.
Zij, in een tuin vol zwarte bloemen. Haar hand in de mijne.
Een opengebroken granaatappel. Zes zaden.
En ik — op een troon van steen, zwijgend, wachtend.
Mijn hand trok zich terug, alsof ik me gebrand had. Ik deinsde achteruit, mijn rug tegen de metalen kast.
‘Nee…’ fluisterde ik, maar mijn stem klonk onzeker, klein. Alsof ik mezelf niet geloofde.
En toen begon het. Niet buiten mij, maar vanbinnen. Een trilling. Een stem zonder klank. Geen woorden, maar betekenis. Het steeg uit een diepte die ik tot nu toe altijd had weten te vermijden.
Mijn benen trilden. Ik greep de rand van de tafel, alsof ik anders zou wegzinken.
Ze is het niet. Maar ze lijkt genoeg. Genoeg om me te herinneren.
En toen viel het van me af als een masker.
Ik zag mezelf. Niet in een spiegel, niet in het oppervlak van staal of glas, maar daarbinnen. In de kern van wat ik ben. Een zwart gewaad. Grijze ogen. Een kroon van obsidiaan. Een troon, diep onder de wereld, gehuld in duisternis en fluisteringen. En rondom mij: zielen. Eeuwige herinneringen.
Niet Hadrian. Niet de arts. Niet de lijkschouwer.
Ik ben Hades. En ik heb mijn broers vloek van me af geschud.

‘Dat zou tijd worden.’
Ik draaide me langzaam om. In de deuropening stond Hermes, met een grijns die net te breed was om geruststellend te zijn.
‘Je hebt je tijd wel genomen, zeg,’ zei hij terwijl hij dichterbij kwam. In zijn hand hield hij mijn jas. Zwart. Zwaarder dan ik me herinnerde. Alsof het in de tussentijd met elke seconde aan betekenis had gewonnen. ‘Hier. Je gaat hem nodig hebben.’
Ik nam hem aan zonder iets te zeggen. De stof voelde vertrouwd, alsof mijn lichaam hem herkende voordat mijn geest het deed.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik uiteindelijk.
‘Je broers…’ zei Hermes.
‘Wat hebben ze gedaan?’
Hermes haalde diep adem. Zijn grijns verdween.
‘Ze is terug.’
Mijn hart — wat daar nog van over was — trok samen.
‘Wie?’
‘Je weet wie,’ zei hij. Zijn stem was nu dof, serieus. ‘Ze beweegt zich door de steden als een schaduw. Iedereen die haar aankijkt… versteent. Stuk voor stuk.’
‘Medusa,’ fluisterde ik.
Hermes knikte. ‘Ze is veranderd. Sterker. En ze is op zoek naar iets. Iemand. Jij, misschien.’
Ik sloot mijn ogen. De herinnering aan een tuin vol stenen, een meisje met ogen als spiegels, haar verdriet, haar woede — het kwam allemaal in één ruk terug. Niet als herinnering, maar als belofte.
‘We gaan haar vinden,’ zei ik.
Hermes glimlachte flauwtjes. ‘Dat ga je niet alleen doen.’
Achter hem verscheen een silhouet in de deuropening. Elise. Haar handen in de zakken van haar jas, haar blik vastbesloten. Niet verbaasd. Niet bang. En voor het eerst sinds lange tijd zag ik wie ze echt was. Geen Elise de Vries, maar Artemis. De jageres. De beschermster. De wreker.
‘Ik heb nog een rekening te vereffenen,’ zei ze.
Ik knikte langzaam. De drie van ons. De boodschapper, de wachter, en de jager.
Hermes draaide zich om en liep weg. Artemis volgde hem zwijgend.
Ik bleef nog even staan. Voelde de stilte één laatste keer om me heen. De geur van formaline, metaal en oude herinneringen.
Toen trok ik de jas aan.
En liep mee de duisternis in.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #5 De Laatste Draad


Het was een heldere dag, de lucht strakblauw en de zon warm genoeg om de stad te laten glanzen alsof alles nieuw gepolijst was. In de hoek van een minimalistisch ingerichte koffiebar zat Ilian, rug recht, een espressokopje tussen zijn lange vingers. Hij bewoog met de trefzekerheid van iemand die weet dat elk oog op hem zou kunnen rusten — en dat dit terecht zou zijn.
Zijn huid had de warme, diepe kleur van kaneel, glad als zijde en perfect onderhouden. Zijn gezicht was uitgesneden als een beeldhouwwerk: hoge jukbeenderen, een scherpe kaaklijn, volle lippen die moeiteloos overgingen van minachting naar verleiding. Zijn ogen waren donkerbruin, bijna zwart, met een waas van vermoeidheid die op hem stond als een accessoire — het soort elegant verval dat alleen mensen dragen die altijd te veel creëren en te weinig slapen.
Zijn haar was strak naar achteren gevlochten in dunne cornrows, strak langs zijn schedel, eindigend in een losse, kortgebonden staart in de nek. Alles aan hem was precisie. Geen toeval. Geen chaos.
Hij droeg een crèmekleurige linnen broek die soepel langs zijn benen viel en een ivoorwitte blouse met een kraag die net iets te hoog was — een eigen ontwerp, uiteraard. Om zijn hals hing een subtiel gouden kettinkje, een erfstuk van zijn grootmoeder dat hij droeg als symbool én als stijlstatement.
Op tafel lag de ochtendkrant, zorgvuldig gevouwen, alleen het onderste deel zichtbaar. Zijn ogen scanden de tekst met een mengeling van desinteresse en calculatie, tot zijn blik bleef hangen bij een klein artikel in de linkerbenedenhoek:

DRIE HULPVERLENERS VERMIST NA MYSTERIEUZE MELDING BIJ BOLDERVEEN
Bolderveen – De politie tast nog altijd in het duister over de verdwijning van drie hulpverleners die vier weken geleden spoorloos verdwenen na een noodoproep vanuit het bosgebied net buiten het dorp.
Twee politieagenten, Jeroen Grut en Nadia Vries, en ambulancebroeder Marc de Jager gingen af op een melding van verontrustende geluiden in het bos bij Bolderveen, een bekend maar zelden bezocht natuurgebied. Sindsdien is er niets meer van hen vernomen.
Een intensieve zoektocht met honden, drones en vrijwilligers leverde niets op.
Volgens een woordvoerder van de politie is de zaak ‘onverklaarbaar en ernstig verontrustend’:
‘Het is alsof ze zijn opgelost in de lucht.’
Buurtbewoners verklaren niets bijzonders te hebben gezien. Er zijn geen nieuwe tips binnengekomen.
De autoriteiten sluiten geen scenario uit, maar erkennen dat het onderzoek muurvast zit.’

Ilian leunde achterover en grijnsde.
‘Dat is nog eens een stunt,’ fluisterde hij tegen zijn espresso, alsof het een creatieve partner was.
Hij nam een slok. ‘Daar zit een prachtig verhaal in, als iemand er iets van durft te maken.’
Zijn stem was nonchalant, bijna verveeld, alsof hij het had over een nieuwe lijn zijde. Geen moment stond hij stil bij de namen. Geen greintje medeleven.
Hij stond op, haalde zijn leren portefeuille tevoorschijn en legde een biljet neer op de toonbank — achteloos, zonder oogcontact.
‘Laat de rest maar zitten,’ zei hij en liep weg voordat de barista iets kon terugzeggen. Alsof ze hem zou bedanken voor de 50 cent fooi dat hij zojuist had achtergelaten.
Buiten blies de zon tegen de straten aan als een warm strijkijzer. Hij liep kalm, met de vanzelfsprekende elegantie van iemand die wist dat de wereld beter oogde met hem erin. Zijn schaduw gleed naast hem over de straatstenen — lang, symmetrisch, alsof zelfs het licht zich naar zijn vorm voegde.

Hij was onderweg naar niets — en dus naar alles. Inspiratie vond hem altijd. En deze wijk, met haar scheuren, haar stilgevallen adem, voelde als een plek die iets achterhield. Iets belangrijks. Iets dat nog niet van hem was.
Zijn pas vertraagde toen hij langs een stoffig raam liep. Achter het glas, tussen vergeelde vitrage en de schaduwen van een vergeten kamer, stond een paspop. En daarop — een kraag. Een werkstuk van zulke finesse dat het leek alsof het vanzelf was gesponnen uit de lucht.
Hij stond stil. Zijn ogen vernauwden. Alles in hem verschoof.
De kraag leek verdacht veel op het werk van De Spin. Een legende in zijn wereld, maar ongrijpbaar. Af en toe kwamen er werken van haar uit, zo levendig, maar niemand wist wanneer het kwam, vanwaar het kwam en vooral… wie ze was.
‘Deze moet ik hebben,’ mompelde hij tegen zichzelf. Als hij in een vintage winkel deze kraag kon scoren kon hij eindelijk zijn meesterwerk afmaken.Links van het raam stond een deur. Afgebladderde verf, een oud bronzen slot en een kier — net genoeg om opgemerkt te worden door wie het móést opmerken.
Hij duwde de deur zachtjes verder open.
En terwijl hij naar binnen stapte, gleden onzichtbare draden langzaam om zijn enkels.
Maar hij merkte het niet.
Nog niet.

De deur zuchtte open als een ademhaling die te lang was ingehouden. Ilian stapte naar binnen, de ruimte in die schemerde als een oud theater dat al jaren op zijn laatste voorstelling wachtte.
De vloer was bedekt met lagen stof, afgesneden draad, half uitgerafelde doeken. Het rook naar oud hout, verkoold katoen en iets ijlers — alsof herinneringen hier nog ademden.
Langzaam draaide hij rond. Er was geen muziek, geen begroeting. Alleen stilte. Geen chaotische winkel met rommelige rekken en prijsetiketten — eerder een atelier, een werkplaats, of misschien zelfs een heiligdom. Tapijten met afbeeldingen van mensen hingen als relikwieën aan de muren, patronen die leken te bewegen wanneer je ze met je ogen volgde. Vormen die zich aan hem onttrokken zodra hij ze probeerde te begrijpen.
‘Ik had geen mensen verwacht,’ klonk het plotseling. De stem was zacht, helder, vrouwelijk, maar met een ondertoon van iets wat dieper lag — oud, misschien vermoeid. Maar niet zwak.
Hij draaide zich om. In het halfduister, tussen twee zuilen vol garens, stond een vrouw. Ze was mager, recht, haar silhouet gestroomlijnd alsof ze zelf uit draad gesponnen was. Ze droeg een lange jurk van ruwe stof met een iriserende glans — geen merk, geen herkenbaar ontwerp, maar alles eraan schreeuwde perfectie.
Ilian liet zijn gezicht ontspannen in zijn gebruikelijke glimlach.
‘Ik zag iets in de etalage. Een kraag. Fenomenaal werk.’ Hij stapte dichterbij, zijn hand gestoken in zijn jaszak, nonchalant. ‘Ik neem aan dat het van jou is?’
Ze knikte langzaam. ‘Ik maak alles hier.’
Hij grijnsde . Ze loog, hij wist dat de kraag het werk van De Spin was. De verfijnde lijnen op de kraag, het stof. Deze vrouw kon dat nooit maken, maar hij besloot het spelletje mee te spelen.
‘Dan maak je werk dat de grote modehuizen jaloers zou maken.’ Hij keek even rond, als om zich ervan te verzekeren dat niemand meeluisterde. ‘Wat wil je ervoor hebben? Ik bied goed. Beter dan de meesten.’
‘Die kraag is niet te koop,’ zei ze eenvoudig.
Zijn glimlach veranderde nauwelijks, maar kreeg iets… scherpers. ‘Alles is te koop,’ zei hij. ‘Soms moet je gewoon weten wat iemand écht nodig heeft.’
‘En jij denkt dat jij dat weet?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘De meeste mensen willen gezien worden. Of vergeten. Of betaald. En soms — soms willen ze gewoon dat hun werk de juiste naam draagt.’ Hij zette een stap dichterbij, zijn stem verlaagde zich tot een fluistering vol honing. ‘Wat zou er gebeuren als jouw kraag werd gedragen op een Parijse catwalk? Als ik hem verwerk in mijn hoofdstuk? De wereld zou je werk verafgoden. Je hoeft niet eens je naam eraan te verbinden. Laat mij het verhaal bouwen.’
Ze keek hem aan, lang. Haar gezicht bleef neutraal, maar haar ogen leken hem te doorboren — niet zijn lichaam, maar zijn intentie.
‘Verafgoden is gevaarlijk,’ mompelde ze.
‘Verafgoden hoort erbij. Als jij het werk van de goden maakt, hoort iedereen het te zien en hoor jij …’ hij viel even stil. Hij wilde haar niet wijzer maken dan ze was. Hij zou haar nooit de eer geven. De eer was voor hem, iedereen zou haar naam vergeten.
‘En wat geef jij in ruil daarvoor?’ vroeg ze.
‘Mijn zichtbaarheid. Mijn bereik,’ loog hij.  ‘Je hebt geen idee hoeveel deuren ik voor je kan openen.’
‘Ik heb het gevoel dat je liever deuren sluit,’ antwoordde ze. ‘Vooral achter anderen.’
Hij lachte — ongemakkelijk, even, maar recupereerde snel.
‘Je bent scherp. Mooi zo. Dan weet je ook wat dit waard is. Laat me de kraag kopen, of huren, of lenen. Eén dag. Eén show. Daarna krijg je hem terug.’
Zij draaide zich langzaam om. Haar voeten leken nauwelijks de vloer te raken.
‘Kom mee.’
Hij volgde haar, want natuurlijk deed hij dat. Ze was eigenaardig, ja, maar dat hoorde bij talent. En talent moest je grijpen voor iemand anders het deed.
De binnenruimte opende zich als een kooi van licht en schaduw. Hoge muren, bekleed met onafgewerkte wandtapijten enorme weefgetouwen, houten schalen vol naalden, spoelen en haar — menselijk haar. Ilian merkte het pas toen zijn hand de vezels raakte. Te warm. Te zwaar. De textuur te dicht bij huid. Hij trok zijn vingers terug, langzaam, alsof hij zich brandde aan het besef.
Aan de verste muur hing een werk in wording. Een wandkleed, groter dan al het andere, waarin een vrouwelijke figuur langzaam vorm kreeg. Helm. Speer. Schild. Ogen vol koude soevereiniteit.
‘Athena,’ zei Ilian zacht. ‘Ambitieus onderwerp.’
‘Ik werk eraan,’ zei ze. ‘Mijn eerbetoon aan haar.’
Hij staarde naar het wandkleed. Ze had talent, dat kon hij zien. Toen hij om zich heen keek besefte hij dat ze waarschijnlijk niet had gelogen. Ze had de kraag gemaakt. Op een paspop in de hoek hing een kraag in wording. Ragfijne draden hingen losjes om de nek van de paspop, maar de patronen waren onmiskenbaar van De Spin.
Ze streek met haar hand over het wandkleed.
‘Er mist nog iets, denk je ook niet. Een… kern.’
‘Wat voor kern?’ zei hij afwezig, terwijl hij de ruimte in zich op nam. Her en der stonden beelden van Athena. Deze vrouw was bezeten van haar.
Ze draaide zich naar hem toe en tikte licht met haar wijsvinger tegen zijn borst. ‘Iets dat echt is. Iets… glorieus vergankelijk.’
Hij lachte nerveus. ‘Klinkt poëtisch. Maar ik denk dat ik je niet kan helpen met mythische bouwstenen.’
‘Oh, jawel,’ zei ze zacht. ‘Jij bent perfect.’
Voordat hij kon antwoorden, werd het atelier stiller. Alsof geluid zelf verdween. De tapijten bewogen licht — niet door wind, maar alsof ze ademhaalden. De figuur van Athena op de muur leek hem aan te kijken, haar ogen nog onvoltooid, maar al vol oordeel.
Ilian wilde een stap achteruit doen, maar merkte dat zijn voeten vastzaten. Niet aan iets fysieks — aan iets wat niet zichtbaar was. Aan aandacht. Aan intentie.
De vrouw pakte iets van een tafel: een lange, gebogen naald, glanzend en vreemd organisch — alsof het ooit levend was. Haar jurk ruiste niet, maar fluisterde.
‘Je wilde een naam,’ zei ze. ‘Je wilde iets wat de wereld zou onthouden.’
‘Ik—’ Hij hapte naar adem. Zijn stem weigerde.
‘Dan geef ik je dat. Je wordt het middelpunt. De kern van het werk.’
Ze raakte zijn huid. Geen pijn — maar een trek. Een losscheuren. Zijn borst opende zich zonder bloed en zilveren draad gleed eruit, flonkerend, warm. Zijn vingers trilden, zijn gezicht verloor kleur. Zijn ogen begonnen te rafelen.
Hij probeerde te schreeuwen, zijn lippen bewogen, maar zijn stem werd opgeslokt — niet door stilte, maar door ritme. Door het zachte, snelle tikken van haar vingers die weefden alsof ze zijn herinneringen uit hem trok.
En Athena’s gezicht op het wandkleed kreeg vorm — niet in garen, maar in Ilian’s essentie. Zijn ambitie. Zijn schoonheid. Zijn overmoed.
Het werd het werkstuk waar alles om draaide.
Hij werd het meesterwerk.

Ik liet geen goddelijke triomfen zien, geen lofzangen op hun perfectie. Ik weefde hun fouten. Hun vergissingen. Hun misbruik van macht. Ik noemde het niet bij naam — ik liet het draad doen wat taal nooit durfde.
En daar lag mijn zonde.
Ik had hen niet gehoond. Ik had hen getoond.
Dat was wat Athena niet kon verdragen.
Ze kwam niet met vuur. Niet met bliksem. Ze kwam met een blik die kouder was dan ijzer en met woorden die zichzelf in je huid nestelden en daar bleven.
Ze zei dat ik arrogant was.
Dat ik had gedacht dat ik haar kon overtreffen.
Dat ik was vergeten wie ik was: een sterfelijk mens. Tijdelijk en vervangbaar.
Ik viel niet op mijn knieën. Ik smeekte niet. Ik stond daar, net als zij – rechtop, vastberaden.
En dat was het moment waarop ze me niet meer kon vergeven.
Niet omdat ik haar had beledigd, maar omdat ik haar had gespiegeld.
Ik ben niet gestorven. Dat zou eenvoudiger zijn geweest.
Ik werd gewist. Langzaam.
Eerst uit verhalen. Toen uit gebeden. Tenslotte uit mezelf.
Wat overbleef waren mijn handen. Mijn draad. Mijn noodzaak.
Ik weefde om mezelf vast te houden. Om te herinneren wie ik ooit was.
Maar hoe meer ik weefde, hoe minder ik herkende wat ik maakte.
Het werd… iets anders.
Niet mooi. Niet lelijk, maar noodzakelijk.
En met elke draad die ik trok, voelde ik dat ik iets opbouwde. Niet een kunstwerk, maar een wachtkamer. Een plek waar waarheid kon blijven hangen als geur in een oude jas.
Ze komen vanzelf. Altijd.
Mensen zoals hij — Ilian.
Ze zijn altijd mooi, slim en gedreven. Te jong om bang te zijn, te zeker om zich vragen te stellen.
Ze denken dat ze de wereld zien zoals zij hem bouwen.
Maar ze bouwen niets. Ze nemen. Ze stelen wat ze bewonderen en doen alsof het van hen is.
Ik herken het onmiddellijk.
Niet alleen hun talent, maar hun honger om erkenning. Om de beste te zijn.
Hun bereidheid om te liegen, te kneden, te bezitten — net zoals ik ooit deed.
En dus geef ik ze wat ze willen, een moment… een ingang.
Een web.
Niet om hen te straffen, maar om iets te herstellen.
Want diep vanbinnen, achter elke draad die ik trek, zit nog altijd die ene vraag die ik nooit hardop durf te stellen: Zou ze me vergeven, als ik maar genoeg geef?
Als ik toon dat ik het begrijp — dat ik het erken — zou ze me dan weer zien?
Daarom neem ik hen.
Niet om hen te vernietigen, maar om iets te bouwen dat zij — Athena— niet kan negeren.
Een werk dat groot genoeg is om te tonen dat ik geleerd heb.
Dat ik boet en dat ik zie wat ik fout deed. Dat ik dacht dat waarheid belangrijker was dan eerbied.
Maar toch… toch voel ik nog steeds dat ik niets verkeerd deed.
En misschien is dat mijn ware vloek.
Ik ben geen godin.
Geen demon.
Geen monster uit de rand van een mythe.
Ik ben het draad.
Ik ben de trilling die blijft hangen in een ruimte waar ooit woorden klonken.
Ik ben het web dat je niet ziet tot je erin beweegt.
Ik ben de draad die alles verbindt en tegelijk uit elkaar trekt.
Ik ben wat overblijft als trots en pijn zich in stilte met elkaar vermengen.
Ik ben de schaduw achter het patroon.
En mijn naam — de naam die ze probeerden te wissen — die fluister ik nu zacht:
Ik ben Arachne.
En ik wacht op de dag dat ze me eindelijk vergeeft.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #3 Moeder van de Nacht


De muziek van het feest trilde nog als een doffe echo in Luca’s oren, terwijl hij zijn jas strakker om zich heen trok en het troosteloze park in stapte.
Het feest was niet geworden wat hij zich had voorgesteld — misschien ook nooit kon worden — want Luca was nooit iemand geweest die vanzelf tussen anderen viel.
Weinig vrienden, vluchtige bekenden; zijn moeder had hem aangedrongen om te gaan, had gezegd dat het goed voor hem zou zijn, nieuwe mensen, nieuwe kansen.
Maar in het midden van een zee van vreemden, waar gezichten oplichtten in het felle blauw van telefoonschermen en waar gesprekken kabbelden als lege beekjes over alcohol gevulde rotsen, was hij meer alleen geweest dan ooit.
Niemand merkte het toen hij vertrok, geen hoofd dat zich omdraaide, geen stem die zijn naam riep.
Hij liep de nacht in, koud en zwaar, alsof de wereld zelf hem onzichtbaar had verklaard.
Zoals altijd koos hij de kortste weg naar huis — dwars door het park, onverschillig voor de verhalen die hij als kind had gehoord, over stemmen die fluisterden uit de mist en schaduwen die je beter niet kon zien.
Zijn telefoon trilde zwak in zijn hand; hij wierp een blik op het scherm. Shit, nog drie procent batterij — een breekbaar lijntje met de wereld dat elk moment kon breken.
De mist trok tussen de bomen als adem die niet van deze wereld was, zwaar op zijn borst, klevend aan zijn kleren en terwijl hij zijn pas versnelde, gleden zijn sneakers gevaarlijk over het natte asfalt
Boven hem begon een straatlantaarn te knipperen, licht krampachtig alsof het de laatste stuiptrekken waren van iets dat allang dood had moeten zijn.
In eerste instantie dacht hij dat hij zich vergiste toen hij het hoorde — een melodieuze hese stem dat een lied, zacht en breekbaar zong. Een melodie die zich als fijne draden rond zijn gedachten wond, ouder dan de stad, ouder dan de bomen die zich als wachters om hem heen leken te sluiten.
De woorden droegen op de wind, troostend en kil tegelijk:
‘Slaap, mijn lief, sluit je ogen toe,
de nacht waakt zacht, de sterren zien toe.
De wind wiegt je hoog, de zee zingt je laag,
slaap, mijn kind, tot de nieuwe dag.’
Zijn passen vertraagden, zijn hart klopte sneller zonder reden die hij kon benoemen en daar, onder de kapotte straal van een stervend lantaarnlicht, zag hij haar: een vrouw, ineengedoken, een verfrommelde figuur van vodden en nevel, haar hoofd gebogen, haar armen om zichzelf geslagen alsof ze de nacht probeerde buiten te houden.
Even dacht Luca dat ze een zwerver was, een junkie misschien, iemand verloren in haar eigen wereld van gebroken dromen en hoewel alles in hem schreeuwde dat hij moest doorlopen, vond hij zichzelf toch stap voor stap dichterbij komen, alsof de mist zelf zijn benen vasthield.
‘Mevrouw?’ riep hij, zijn stem schor en klein in de verstikkende stilte.
De vrouw bewoog.
Langzaam, alsof elke beweging haar meer pijn deed dan de vorige, tilde ze haar hoofd op en toen haar gezicht zichtbaar werd, bevroor Luca waar hij stond; haar huid was gescheurd en schilferig, alsof de tijd haar had opgegeten en waar haar ogen hadden moeten zijn, gaapten holtes, zwart en glanzend als opgedroogde meren onder een troebele maan.
Toch, in een fractie van een seconde, flitste iets door hem heen — een herinnering die niet de zijne kon zijn: een jonge vrouw, prachtig en vol leven, haar ogen sprankelend van licht en liefde, haar lippen glimlachend tegen een kind dat veilig in haar armen lag.
Het beeld verdween zo snel als het gekomen was.
Ze bewoog langzaam, alsof haar botten aan draden hingen die te strak waren gespannen, haar gewrichten knakkend in onnatuurlijke hoeken terwijl ze overeind kwam. Ze leek op een marionet waarvan de poppenspeler het liet bewegen.
Het licht van de stervende straatlantaarn gleed over haar verschrompelde huid, over de rafelige randen van wat ooit een menselijk gezicht was geweest.
Voordat Luca zijn lichaam tot actie kon dwingen, gleed ze naar hem toe, geluidloos, haar armen uitgestrekt met vingers als gekromde haken en een stem, zacht en gebroken als nat papier, brak door de mist heen: ‘Laat me je vasthouden, mijn kind… ik wil je alleen maar omhelzen.’
Paniekgolven trokken door Luca’s lichaam, rukten aan zijn spieren, maar hij voelde de lood in zijn schoenen. Zijn lichaam weigerde te bewegen, zijn handen trilden nutteloos aan zijn zijde terwijl zijn telefoon uit zijn hand gleed en kapot brak op het asfalt.
Hij zag hoe haar hand naar hem reikte, zag hoe de grijsblauwe huid over scherpe botten gespannen stond, hoe uit haar nagels fijne scheurtjes bloed sijpelden alsof zelfs haar lichaam haar wanhopige aanraking probeerde tegen te houden — maar het was te laat.
Haar vingers streelden zijn bovenarm. Als gladde alen gleden ze over zijn bovenarm naar zijn hand. Toen ze zijn hand raakte sneed de kou direct door zijn vlees heen, als messen van ijs die zijn zenuwen lamlegden en waar haar huid hem raakte, voelde hij zijn eigen bloed stollen.
Ze trok hem tegen zich aan met een kracht die onmogelijk leek voor iets dat zo gebroken was. Haar armen om hem heen voelden als kettingen van bedorven liefde, haar lichaam rook naar verrotte aarde en natte steen, maar ergens, ergens diep onder de rot, hing nog een geur — heel vaag — iets dat ooit naar jasmijn had geroken.
‘Rust nu maar,’ fluisterde ze, haar stem trillend tegen zijn oor, haar adem klam en ruikend naar oud graf. ‘Je bent niet meer alleen.’
Luca probeerde zich los te worstelen, een rauwe kreet ontsnapte aan zijn keel, maar haar greep was te sterk, haar wanhoop te zwaar.
Hij voelde haar handen over zijn rug glijden, niet met haat maar met een dwingende tederheid die hem haast brak. Waar ze hem raakten, leek de wereld zelf uit elkaar te rafelen.
Zijn borst werd zwaar.
Zijn hart, dat even daarvoor nog wild had gehamerd, begon te vertragen, zijn slagaderen verkleefd met de ijzige kilte die zich een weg naar binnen wrong.
Hij voelde hoe zijn vingers gevoelloos werden, hoe zijn benen hun gewicht verloren. Hij zag hoe hij langzaam oploste in de mist die hem omhulde.
Haar lippen bewogen nog, vlak naast zijn oor en hij hoorde de woorden die zich als een laatste gebed in zijn bewustzijn wrongen.
‘Droom, mijn lief, onder maanlicht zo koud,
de zee slaapt stil, het bos is oud.
Rust in mijn armen, verdwijn in de nacht,
slaap, mijn kind, ik hou voor je de wacht.’
Zijn zicht werd troebel.
De wereld werd een waterig geheel van lichtvlekken en schaduwen, de contouren van de bomen vloeiden in elkaar als inkt in water.
Zijn benen begaven het onder hem, maar haar armen hielden hem overeind, wiegden hem zachtjes heen en weer, haar kin rustend tegen zijn kruin, haar hele wezen pulserend van een liefde die te ver was gegaan.
De mist trok hem mee, nam zijn adem, zijn laatste gedachten.
En het laatste wat Luca voelde, voordat de nacht hem volledig opslokte, was haar hand, ruw maar hunkerend, haar hartslag als een doffe trom in haar borst — en haar stem, brekend onder de zwaarte van eeuwen van verlies, die hem naar een droom zong die geen ontwaken meer kende.

De mist glijdt over mijn huid als klamme doeken terwijl ik hem in de mist voel verdwijnen. Net zoals mijn eigen kinderen verdwenen. Ik kniel op de grond, mijn handen verstrikt in het dode stro van mijn haar, mijn lege ogen op het kille asfalt gericht dat geen warmte meer kent.
Ik wieg heen en weer, niet om mezelf te troosten, maar omdat mijn lichaam niet anders meer weet.
Ik voel hem nog, de jongen, zijn adem trillend tegen mijn borst, zijn hart dat klopte als dat van mijn dochters, Eurynome en Thelxinoe, lang, lang geleden, toen mijn wereld nog gevuld was met hun gelach en hun kleine vingers die zich om mijn duimen sloten.
Ik wilde hem niet pakken.
Ik wilde hem wiegen.
Ik wilde zijn warmte vasthouden, zijn leven koesteren zoals ik ooit het leven in mijn armen droeg.
Ik wilde hem laten weten dat hij niet alleen is en dat moeders liefde ook voor hem geldt.
Maar de vloek die mij doordrenkt kent geen onderscheid tussen liefde en honger, tussen verlangen en vernietiging.
Ik herinner me nog hoe ik was. Hoe ik lachte onder de zon, hoe mijn huid glansde als zijde en mijn ogen de kleuren van de zee vingen.
Ik was de koningin van Libië, door de goden bemind en door de mensen gezegend.
Ze fluisterden mijn naam als die van een zegen, als een belofte van vruchtbaarheid en voorspoed. Zeus was mijn liefde, de man waar ik van hield. Ik was zijn minnares.
En toen kwam zij…
Hera, met haar woede zo diep als de zeeën, haar jaloezie zo verstikkend als de mist en haar wraak zo scherp als geslepen obsidiaan rukte ze mijn dochters uit mijn armen, liet ze hun stemmen verstillen, hun warmte bekoelen. Mijn prachtige dochters werden door haar vermoord, opgeslokt in de mist.
Daarna nam ze mijn ogen, mijn slaap en mijn dromen.
Ze liet mij echter achter als een omhulsel – wakend, wanhopig, onsterfelijk in een lichaam dat niet langer mooi, niet langer geheel was.
Ze liet mij deze dorst na — deze eindeloze verlangen naar het vasthouden van mijn kinderen. Met een alles verslindende hoop om hun warmte weer tegen me aan voelen.
Ik neurie nog steeds hetzelfde liedje. Het klinkt nog zoals ik het toen voor hen neuriede, zacht, een liedje dat ooit hun dromen droeg en nu alleen nog maar mijn pijn kent.
‘Slaap mijn kind, tot de nieuwe dag…’ Mijn stem breekt halverwege en ik wieg verder, mijn armen leeg, mijn borst hol.
Mijn naam is Lamía.
En waar ik eens leven bracht, breng ik nu slechts leegte.
De mist sluit zich als koude handen om mij heen en terwijl de laatste lantaarn boven mij uitdooft, fluister ik hun namen in de leegte: Eurynome… Thelxinoe…
Misschien, heel misschien, horen zij mij nog.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #1 Kijk niet!

Jeroen en Nadia zaten in hun wagen te wachten op een parkeerplaats.
‘Ik háát avonddienst. Er gebeurt nooit iets spannends,’ mopperde Jeroen. ‘Ik ga denk ik solliciteren bij de politie in de grote stad. Ik haat het hier.’
De radio begon te kraken en de melding kwam binnen:
‘Geschreeuw gehoord in een verlaten woning. Diep in het bos bij Bolderveen. Vermoedelijk kelderruimte.’
Jeroen draaide de sleutel in het contact.
‘Wie woont daar nou nog?’
Nadia keek naar buiten, waar de mist tussen de bomen hing als spinrag.
‘Niemand. Dat huis staat al jaren leeg.’
Ze reden zwijgend het bos in. Takken krasten langs de zijkant van de auto. Het bospad werd smaller, de lucht stiller. Op Google Maps konden ze alleen het bos vinden. De collega’s hadden vaak gesproken over het spookhuis. Een bouwval. Geen stroom. Geen water. Alleen ruis op het politienet als je te dichtbij kwam.
Een lang, smal pad leidde hen naar het huis. Nadia kon zich indenken dat het ooit een prachtig huis moest zijn geweest. Een twee verdieping woning, met mooie grote ramen. Maar nu, het was een in elkaar gezakt bakstenen woning met een verzakt dak. Ze keek naar de grafstenen die voor de woning stonden op gesteld.
‘Griezelig,’ mompelde Nadia.
‘Meldkamer, weten jullie zeker dat hier een melding vandaan kwam?’ vroeg Jeroen door de portofoon.
Een statisch geluid, gevolgd door een simpel antwoord: ‘Ja.’
Jeroen keek naar de woning, naar de gebroken ramen. En daar, op het erf… beelden. Veel waren er kapot en lagen in stukken op de grond, maar zijn aandacht werd getrokken door de beelden die nog heel waren.
Eén bij het hek. Eén tegen de boom. Eén op de veranda.
Geen kitscherige tuinbeelden. Geen gips of beton. Deze beelden leken… echt.
Ze stapten uit en liepen ernaartoe. De beelden zagen eruit alsof mensen waren versteend in houdingen die niet klopten — bevroren in blinde paniek. Monden open, armen omhoog, alsof ze iets wilden afweren dat te dichtbij was gekomen.
‘Wie wil dat nou in zijn tuin?’
‘Stil,’ zei Nadia. ‘Luister.’
Geen vogels. Geen wind. Alleen hun adem. En het zachte gesnik vanuit het huis.
Nadia liep voorop, Jeroen erachteraan met getrokken zaklamp en hand op zijn wapen.
De kelder was van beton, de muren vochtig en beschimmeld. Jeroen scheen met zijn zaklamp langs de muren, over de vloer. Met een lichte trilling hield hij de lichtstraal op iets dat in de hoek zat.
Op de vloer, tegen de muur aan, zat een meisje.
Haar hoofd zat onder opgedroogd bloed. De huid van haar schedel vol krassen, cirkelvormige littekens — alsof iets met patronen over haar huid had gekropen. Ze droeg een dunne, witte katoenen jurk, vuil en gescheurd. En haar ogen…
‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’ mompelde Nadia. Ze zette een stap dichterbij.
De ogen van het kind waren dichtgenaaid, met grove zwarte draad. De uiteinden hingen los bij de hoeken, alsof degene die dit had gedaan haast had gehad.
Het meisje bewoog niet. Ze snikte zacht, maar het klonk niet als het gesnik dat ze buiten hadden gehoord. Alsof het verdriet nog aan het oefenen was.
‘Ik bel een ambulance,’ zei Jeroen. Zijn stem was vlak.
Nadia knielde langzaam.
‘Meisje… we gaan je helpen.’

Marc de Jager kwam de kelder binnen met snelle, zekere passen — de routine van een man die dacht alles al eens gezien te hebben. Twintig jaar op de ambulance. Verkeersongevallen, zelfmoorden, drugs, mishandeling, zelfs een cultusritueel in een schuurtje bij Wolvega. Maar dit…
Zijn pas vertraagde.
Zijn blik bleef hangen op het meisje in de hoek.
Ze leek kleiner dan een menselijk lichaam zou moeten zijn. Niet door haar lengte, maar door de manier waarop ze zich opvouwde, alsof ze zichzelf tot stilte had gedwongen. De kale schedel met opgedroogd bloed leek eerder op iets preparatief dan op letsel. De zwarte draad door haar oogleden leek geen wreedheid, maar… controle.
‘Wat ís dit?’ fluisterde hij. Zijn stem was nauwelijks hoorbaar — alsof een normaal volume iets zou kunnen breken in de lucht om hen heen.
Nadia knikte naar hem. Haar stem trilde net niet.
‘We weten het niet. Ze zegt niets. Ze… zit daar gewoon.’
Ze hield de hand van het meisje vast. De vingers waren dun, vuil, en vreemd koud. Ze klemden zich vast aan de hare met een verbeten kracht die niet bij zo’n fragiel lijf paste. Nadia voelde het: dit was geen normale angst. Dit zat dieper.
Marc knielde langzaam neer. Zijn EHBO-tas klikte open, en met zorg haalde hij zijn schaar eruit. Niet de grote, maar de fijne precisieschaar die hij gebruikte voor hechtingen.
‘Als die wonden ontstoken zijn… dan moeten we die draden eruit halen.’ Hij keek niet naar Nadia toen hij het zei, alsof hij zichzelf moest overtuigen.
‘Voorzichtig,’ zei zij zacht.
Het meisje bewoog niet. Geen enkel geluid. Maar haar lichaam trilde. Niet van kou — dit was een trilling van binnenuit. Iets dat nog niet tot uiting was gekomen.
Marc schakelde het lampje op zijn voorhoofd aan. Het blauwe licht gleed over de keldermuur, over de vlekken op de vloer, en uiteindelijk over het gezicht van het meisje. De glans van het bloed, de rafels van de draad. De stilte klonk harder.
‘Jeroen, kun je… kun je haar hand vasthouden?’ vroeg hij.
Jeroen knikte en boog zich naar het meisje.
‘Ik pak je hand vast, oké? Je hoeft niet bang te zijn. Richt je maar op mijn stem.’
Hij reikte naar haar hand. Ze reageerde meteen — haar vingers kronkelden over de zijne, graaiden, knepen. Haar nagels waren verdwenen; de huid eromheen zwart van opgedroogde aarde, en iets dat misschien geen aarde was.
Marc ademde diep in. Zijn vingers waren vast, zijn hand stil, maar er trok een rilling over zijn ruggengraat.
‘Ik ga nu knippen,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen de rest. ‘Als het pijn doet, knijp dan in Jeroens hand. Oké?’
Voor het eerst bewoog ze haar hoofd. Een kleine knik.
De schaar tikte tegen draad.
Trek. Knip.
Een zenuw onder haar oog trok samen.
Marc keek op, kort. Niets. Nog steeds stil.
Knip.
Jeroen hield zijn adem in. Het meisje drukte zich iets dichter tegen hem aan.
Knip.
De oogleden begonnen te trillen. Niet als reactie op pijn. Maar als… een instinct. Alsof het lichaam iets wist wat de rest nog niet begreep.
‘Je kunt je ogen openen,’ fluisterde Marc. ‘Het licht is misschien fel, maar dat gaat over. Ik moet kijken of er schade is aan de—’
Haar oogleden openden zich.
Niet langzaam. Niet schokkerig. Gewoon… open.
Hij zag geen pupil. Geen sclera. Geen normale iris.
Alleen goud.
Vloeibaar. Draaiend. Oneindig.
Ogen die niet zagen — maar absorbeerden.
Ogen die herinnerden.
Ze keek hem aan.
Marc hield zijn adem in.
Zijn ogen werden groot.
Zijn schouders verstijfden.
Het was alsof zijn lijf ineens snapte wat zijn hoofd niet kon bevatten.
Eén ademhaling. Een laatste knippering van de wimpers. En toen…
Niets.
Zijn lichaam viel achterover.
Maar het geluid dat volgde was geen lichaam dat op een betonnen vloer viel. Geen vlees. Geen botten.
Het klonk als steen.
Brekend. Scheurend.
Hij was versteend. Zijn gezicht bevroren in de eerste seconde van totale ontzag.

Het duurde enkele seconden voordat Jeroens brein ook maar iets begreep van wat er zojuist voor zijn ogen was gebeurd.
Hij staarde naar Marc. Naar wat er van hem over was.
Een beeld. Een standbeeld. In exact dezelfde houding als een moment eerder — hurkend, handen licht gespreid, een blik van verbijstering in zijn versteende gezicht. Alsof hij nog steeds wilde vragen wat er gebeurde. Alsof het moment was gestold, gevangen in tijd.
Maar de tijd liep gewoon door.
Jeroen voelde iets warms op zijn huid — zijn adem, versneld, die tegen zijn eigen wangen sloeg. Zijn hand lag nog steeds in die van het meisje, en haar grip, die eerder fragiel was geweest, trok nu met een onnatuurlijke kracht aan zijn vingers. Niet paniekerig. Niet smekend.
Controle. Beheersing.
Haar duim gleed langzaam over zijn handrug. Ritmisch. Alsof ze zijn hartslag meetelde.
‘Nee…’ fluisterde hij, zijn keel droog.
Hij rukte zijn hand los, greep naar zijn pistool.
‘Blijf staan!’ schreeuwde hij. De bevelende toon klonk hol in de kelder.
Hij richtte — maar keek.
En dat was genoeg.
Ze draaide haar hoofd.
Hij keek haar recht in de ogen.
De kracht trok in één ruk door zijn lichaam, als een ijsgolf van binnenuit. Zijn spieren verkrampten. Zijn longen blokkeerden. Zijn ogen bleven open, vastgenageld aan die goud-glinsterende draaikolk.
Zijn huid kreeg een grijze tint. Kleine barstjes trokken zich razendsnel over zijn armen, zijn gezicht. Steen verspreidde zich als een virus.
Zijn vinger rustte nog op de trekker.
De kogel bleef in de loop.
Versteend. Bevroren in doodsangst.

Ze draaide haar hoofd langzaam naar Nadia.
Nadia had zich ondertussen los gerukt en was aan de rand van de kelderruimte gaan staan. Ze staarde naar het lichaam van Marc op de grond. Haar ogen gleden door de kelder en vonden de dode ogen van Jeroen. Ze voelde haar hele lichaam trillen en de haren in haar nek gingen overeind staan. Een waarschuwing van haar lichaam dat er iets aan stond de komen.
Haar armen zakten langs haar lijf en de zaklamp gleed uit haar hand en rolde ratelend over de vloer, de lichtbundel schoot spastisch over de muren.
Ze sloot haar ogen, ze moest haar niet aankijken. Ze herkende dit moment, maar wist niet meer waar ze het gehoord of gelezen had. Had zij dit gedaan? Het kleine meisje?
ze knarste haar tanden op elkaar.
Alsof ze wist wat er kwam. Alsof ze het kon tegenhouden door het niet te zien.
‘Wat… bén jij?’ vroeg ze, haar stem nauwelijks hoorbaar, alsof het woord zelf haar tanden brandde.
Het meisje zweeg even.
Toen kwam de stem. Rauwer dan voordien. Ouder.
‘Oud… zo oud als de goden,’ raspte ze, alsof ze een stem oppakte dat eeuwen in steen had gelegen.
En daarna, zachter, kinderlijk bijna: ‘Kijk me aan, Nadia. Je weet dat je het wilt.’
Er klonk geen magie in die woorden. Geen bevel. Alleen verleiding.
En Nadia vocht. Ze vocht zo hard als ze kon. Ze beet op haar tong. Ze kneep haar ogen dicht tot het pijn deed. Ze schreeuwde in zichzelf. Alles in haar lijf weigerde.
Maar ze voelde hoe haar hoofd draaide.
Langzaam.
Haar oogleden trilden. Haar lippen bewogen als in gebed.
‘Nee,’ fluisterde ze, maar haar lijf gehoorzaamde niet.
En ze keek.
De stilte was totaal.
Nog één ademteug en toen… niets.

De kelder was stil.
Stil zoals alleen ruimtes zijn waar net iets onomkeerbaars is gebeurd.
De lucht trilde nog van herinnering.
Medusa bewoog zich niet. Ze luisterde. Niet naar geluid, maar naar wat níét meer klonk. Geen hartslagen. Geen adem. Alleen het nagloeien van angst.
Ze was dit moment gewend.
Het moment waarop alles stilvalt. Waarop blikken breken en stemmen verstommen. Het moment dat altijd hetzelfde voelt, maar nooit minder bitter smaakt.
Langzaam gleed haar hand over haar kale schedel. Haar vingertoppen streken langs de littekens, de verharde huid, alsof ze de afwezigheid streelde van iets dat ooit deel van haar was geweest.
Ze fluisterde: ‘Jullie groeien vanzelf weer terug.’
Een belofte aan zichzelf. Of aan hen.
Haar slangen — haar zusters, haar kracht — ooit levendig, kronkelend, fluisterend tegen haar slapen, waren met geweld van haar hoofd gerukt. Door háár. Die vrouw. Die gewone vrouw die met een simpele schaar mythologie had proberen te breken.
Het bloed had warm gelopen. De slangen hadden gesist tot hun laatste adem.
En Medusa… had gehuild.
Een lang, snijdend gehuil. Geen tranen, maar een oerkreet — als een sirene die haar zeelui niet meer kon vinden.
Ze stofte haar jurk af met langzame, precieze bewegingen. Alsof het een ritueel was. Alsof er nog iets heiligs te bewaren viel in deze kelder.
Haar blik gleed over de ruimte. Ze bekeek het niet als een monster, maar als een vrouw. Als iemand die ooit schoonheid bezat. Iemand die had geleefd, gelachen.
En langzaam voelde ze het.
De kracht. Die terugkeerde.
Die zich verspreidde vanuit haar borst, via haar nek, tot in haar vingertoppen.
Warm. Levend.
Haar houding veranderde. De trekkingen van een gebroken lijf verdwenen. Haar ruggengraat werd rechter. Haar gezicht zachter.
Niet menselijk — maar goddelijk.
De jonge vrouw die ooit in spiegels geloofde. Voor Athena haar vervloekte.
Voordat jaloezie haar schoonheid tot een wapen maakte.

Ze boog zich voorover, pakte Jeroens stenen enkel vast en trok hem achter zich aan, stap voor stap de trap op. Zijn standbeeld bonkte zwaar over het beton, maar haar blote voeten maakten geen geluid.
Boven. Naar buiten.
De mist had zich teruggetrokken in de bomen.
De tuin lag er stil bij.
Ze zette hem neer tussen de anderen.
Zijn verstijfde blik gericht op niets. Of op alles.
Vroeger had haar tuin vol gestaan. Beelden van strijders, reizigers, geliefden. Een galerij van menselijke zwakte. Maar die tijd was voorbij. De storm van haar ondergang had alles verwoest — haar prachtige huis, haar beeldentuin, haar wereld.
Ze draaide zich om, keek naar de ruïne achter haar.
Wat ooit haar thuis was geweest, was nu een karkas. Houtrot. Vervallen muren. Dood.
Ze sloot haar ogen en slikte de brok in haar keel weg.
Ze had altijd goed voor haar huis gezorgd.
Altijd.
En nu stond ze tussen puin.
Niet door goden. Niet door oorlog.
Door háár – het mensenkind dat zichzelf de storm had genoemd.
De vrouw die haar blind had gemaakt. Haar haren had geknipt. Haar ogen had dichtgenaaid alsof je een wapen kon dicht stikken.
Een gewone vrouw. Geen heks. Geen heldin en dat had genoeg gebleken.
En Medusa had gezworen — ze zou haar vinden.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Schrijven

Gebroken Goden: een nieuwe serie vol duistere verhalen

Soms worden monsters niet geboren. Soms worden ze gemaakt.

Vanaf 3 mei begint mijn nieuwe serie Gebroken Goden: tien korte verhalen over oude mythische figuren die niet langer machtig of perfect zijn, maar gebroken.
Ze zijn verraden, vervloekt of vergeten.
Ze zijn geen helden meer — maar wezens vol pijn, woede en verdriet.
Elke zaterdag komt er een nieuw verhaal online.

Je leert vrouwen kennen die gestraft werden om hun schoonheid, mannen die alles verloren door hun keuzes, en wezens die ooit goden waren… maar nu alleen nog schaduwen zijn van wie ze ooit waren.

Het eerste verhaal, “Kijk niet!”, verschijnt op 3 mei.

Durf jij hun verhalen te lezen?

Welkom in Gebroken Goden.

Korte verhalen, Schrijven

Het Wacht

De flat ligt aan de rand van een industrieterrein, met uitzicht op niets. Een uitgedroogde grasstrook, een half ingestorte fietsenstalling, en in de verte de mist van een waterzuiveringsstation. Het gebouw is grauw. De lift werkt niet. In de gang hangt een geur van oud frituurvet en vocht. Het voelt… bekend.
Mensen vermijden elkaar hier. Niemand vraagt hoe het gaat. Niemand kijkt langer dan nodig. Het is alsof iedereen zich ergens van bewust is, iets wat ze liever niet benoemen.
Ik heet Thomas Veenstra. Ik ben alleen. Na mijn opname zijn ze ermee akkoord gegaan dat ik hier kwam wonen. Ze vonden dit een ‘geschikte woonruimte voor herstart in de maatschappij’. Eén slaapkamer, kleine keuken, geen balkon. Ik hoefde alleen maar opnieuw te leren slapen. Ademhalen. Stil zijn.
De eerste nacht werd ik wakker van een geluid.
Tik…
Tik…
Tik.
..
Drie tikken, ritmisch, tegen de muur naast mijn bed. Eerst dacht ik aan leidingen, of een oude radiator. Maar dit was… kalm. Menselijk bijna. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat. De muur die ik deel met appartement 100C.
De volgende ochtend lag er een briefje onder mijn deur.
Niet opendoen.
In een kriebelig handschrift. Geen uitleg. Geen afzender.
Ik nam het mee naar de keuken, legde het op tafel en staarde er een uur naar. Daarna verbrandde ik het in de gootsteen. Dat voelde als iets wat ik moest doen, al wist ik niet waarom.
Later die dag vroeg ik mijn buurvrouw — Mevrouw Dijkstra, uit 100D — naar het appartement dat tussen ons in zat.
‘Wie woont er in 100C?’
Ze keek me aan met een blik die strakker werd dan nodig. Haar ogen knepen samen, alsof ze iets zag wat ik niet kon zien.
‘Daar woont niemand,’ zei ze.
‘Maar ik hoorde vannacht—’
‘Laat het,’ onderbrak ze. ‘Soms moet je dingen niet willen weten.’

Diezelfde nacht: weer drie tikken.
En de nacht erna.
En de nacht daarna.
Altijd tussen twee en vier uur.
Altijd drie tikken.

Op dag vijf begon ik dingen kwijt te raken. Mijn sleutels. Een aansteker. Mijn kladblok met notities. Dingen waarvan ik zeker wist dat ik ze had. Ik begon mezelf te wantrouwen. Dacht dat ik gek werd. De psychose die terugkwam. Misschien was dat ook zo. Maar het gebouw… begon ook te veranderen.
Lichten knipperden als ik in de gang liep. De lift — die zogenaamd stuk was — ging één keer open en bleef vijf seconden leeg staan, alsof het op me wachtte. De kou op mijn verdieping kroop steeds dichter naar mijn voordeur.
Deur 100C zag er doodgewoon uit. Geen naamplaatje. Geen brievenbus. Gewoon bruin, houten, oud.
En toch… het tapijt ervoor was nét iets minder stoffig dan de rest. Alsof iemand er met regelmaat stond. Lang stond.

Op dag acht kon ik niet meer slapen. Ik ging ‘s nachts op de vloer in de gang zitten, net naast 100C.
Rug tegen de muur. En ik wachtte.
En ik hoorde het.
Geen tikken dit keer. Maar een ademhaling. Langzaam. Zwaar. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat, met zijn oor tegen precies dezelfde plek als ik.
Alsof we samen ademden.

Op een ochtend stond de deur van 100C op een kier.
Millimeterwerk. Maar ik zag het. Het zwart erachter was dieper dan donker. Geen kamer. Geen ruimte. Alleen leegte.
Ik liep ernaartoe. Mijn hand trilde. Net toen ik de klink wilde aanraken, voelde ik een hand om mijn pols.
Mevrouw Dijkstra.
Ze keek me aan alsof ze iets zag wat ik niet zou begrijpen, ook al zou ze het uitleggen.
‘Als je die deur opent,’ fluisterde ze, ‘komt het terug.’
‘Wat komt terug?’
‘Je hoort het al. Elke nacht. Het klopt, Thomas. Om te zien of je wakker bent. Om te weten of je het voelt.’

Twee dagen later stond er een man in een grijs pak voor mijn deur. Kalend, map onder zijn arm.
‘Thomas? Ik ben hier om je op te halen.’
‘Wie bent u?’
‘Je begeleider. Je had hier nog niet moeten zijn.’ Zijn ogen gleden richting 100C. ‘Je bent te vroeg.’
‘Waar ben ik te vroeg voor? Ik mocht zelf een kamer uitzoeken van de begeleiding.’
Hij keek me aan met een blik in zijn ogen dat ik herkende. Ik had het te vaak gezien. Hij dacht dat ik loog, dat ik het me verbeelde en dat mijn fantasie weer met me aan de haal ging.
‘Jij woont hier al,’ hij knikte naar 100C. ‘Maar je bent nog niet ver genoeg om hier te wonen. Het is te vroeg.’
‘Maar ik mocht-’
Hij zuchtte en onderbrak me: ‘Je had een terugval. Wekenlang hoorde niemand iets van je. De politie heeft de deur van 100C opengebroken. Jij zat in de kast. Je herhaalde steeds hetzelfde.’
‘Wat dan?’
Hij keek me aan, lang.
‘Het tikt om te weten of ik luister.’
Ik staarde naar 100C. Ik weet niet meer wat waar is. Misschien ben ik er nooit weggegaan. Misschien woon ik daar nog steeds. Achter die deur.

Ze zeggen dat ik vooruitga. Dat ik goed reageer op de medicatie. Dat ik leer om los te laten.
Ik knik dan. Ik zeg dat ik nergens meer aan denk. Dat de deur dicht is. Dat ik rust heb.
Maar als het ’s nachts stil is…
Tik…
Tik…
Tik…
En ik weet dat het op me wacht.

©Bernadette Lugies 2025