Korte verhalen, Schrijven

Een Senticore Kerst

In een verre toekomst dat misschien dichterbij is dan we denken.

Mijn dag begon met een irritante pieptoon. Eerst zacht, alsof hij nog ergens ver weg zweefde, maar al snel kroop het geluid dichterbij, snerpend en indringend.
Ik opende mijn ogen. In de hoek van mijn slaapkamer brandde het rode lampje.
Senticore.
Sinds 2026 op de markt en sinds 2027 in elk huis geïnstalleerd door de overheid.
Hij hield ons in de gaten en bepaalde hoe we ons leven moesten indelen. Wie we zagen, spraken en wanneer we naar ons werk moesten. Het printte schema’s die je tot op de letter moest volgen. Voedselschema’s, beweegschema’s, leefschema’s. Maar het ergste was misschien nog dat het bepaalde hoe we ons moesten voelen. Hoe de overheid wilde dat we ons voelden.
Blij, vrolijk, opgewekt en altijd glimlachend.
Door de golf aan zelfmoorden zat de overheid met de handen in het haar. Jarenlange bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg hadden hun tol geëist. Toen de zorg werd geprivatiseerd werd het nog erger. Niemand kon hulp nog betalen, behalve de rijken, die ervan overtuigd waren dat zij geen problemen hadden. Opvanghuizen werden gesloten. Daarna volgden de bejaarden- en verzorgingstehuizen. Ouderen moesten weer bij hun kinderen intrekken of kwamen op straat terecht.
Er werden geen nieuwe woningen gebouwd door de vele regels van de overheid en de Europese Unie. Mensen bleven thuis wonen tot ze erbij neervielen, of tot hun kinderen hen doodden omdat ze een plek voor zichzelf wilden.
Toen de overheid ontdekte hoe ze emoties konden aflezen uit biometrische lichaamsgolven, kwamen ze met de oplossing om Senticore in ieders huis te installeren.
Hij registreerde alles: je hartslag, je bloeddruk, je huidtemperatuur, je hormoonspiegels, zelfs de microspieren in je gezicht werden afgelezen. Je was een open boek voor een machine die elk signaal doorspeelde naar de overheid en de opgerichte instanties.
In deze wereld was verdriet illegaal. Klagen was gevaarlijk. Mannen deden het zware werk. Vrouwen waren verplicht zich voort te planten, behalve als je rijk was, dan gold niets voor jou.
Als vrouw werd je gekoppeld aan een man door het Ministerie van Stabiliteit. Je lichaam stond geregistreerd als vruchtbaar bezit van de staat. Je moest je baarmoeder beschikbaar stellen en je glimlach oefenen voor het jaarlijkse Vrolijkheidsrapport.
Emoties tonen mocht alleen binnen het goedgekeurde spectrum: dankbaarheid en lichte euforie.
Geen boosheid. Geen trots. Geen uitbundige vrolijkheid. Geen melancholie. Geen rouw.
Ik was dertig en nog steeds ongetrouwd. Het werd gedoogd zolang ik meedeed aan het medicijnentestprogramma en mijn vrolijkheidscertificaten op tijd inleverde. Ik deed wat nodig was om niet op te vallen.

Het was december.

Senticore projecteerde ‘geoptimaliseerde kerstgedachten’ op mijn muren: vlammen in een haard die niet warm werd, holografische bomen met onwerkelijke perfectie. En het ergste was de kerstmuziek.
Niet vals, dat was het probleem niet. Het was juist te perfect. Afgestemd op je gemoedstoestand.
Was je onrustig, dan kreeg je een trage versie van Silent Night die je hartslag probeerde te dempen. Was je te stil, dan knalde It’s the Most Wonderful Time of the Year door de speakers, met een beat die te hard tegen je borst beukte.
Je kon het niet uitzetten. Je kon het niet ontlopen. In huis volgde het je van kamer naar kamer via microfoons en speakers. Buiten via openbare systemen. In winkelstraten speelde aangepaste kerstmuziek die de groepsstemming moest sturen. In het openbaar vervoer hoorde je koortjes die onschuldig leken maar onderhuids eentonig waren. Ontworpen om je te temmen.
En als Senticore dacht dat je niet luisterde, zette hij het volume nét iets harder.
Alsof hij fluisterde: ‘Ik zie je. Je moet blij zijn.’
Elk uur werd een reclame afgespeeld. Vrouwen in lange jurken, handen gevouwen, hoofden gebogen. Ze legden uit hoe je je moest gedragen in het bijzijn van een man, of het nu je vader was of een vreemde. Reclames voor mannen bestonden niet.
Dit had niets te maken met de kerst die ik kende.
Niet met je ouders aan tafel zitten spelletjes spelen. Geen echte versierde kerstboom. Geen cadeaus, geen dennengeur, geen kalkoen die uren in de oven stond.
Bomen waren bestempeld als levende wezens die respect verdienden. En omdat burgers de schuld kregen van de staat van de wereld, niet de bedrijven of overheden, kregen wij de regels.
Cadeaus waren verboden vanwege ongelijke verdeling van middelen. De rijken hadden natuurlijk een uitzondering. Kinderen mochten niet meer geloven in de kerstman. Magie hoorde niet meer bij opvoeding. En de kalkoen was vervangen door een synthetisch, vormloos object met de textuur van een natte spons.
Wat we kregen was een algoritme dat zichzelf gezellig noemde. Het werd opgedrongen zoals de overheid vond dat het moest. Overdag werken en ’s avonds kauwen op spons. Geen gelach. Alleen gereguleerde gezelligheid.
Maar ik herinnerde me nog hoe kerst echt was.
De boom die te scheef stond. Mijn moeder die ieder engeltje recht wilde hangen. Mijn vader die cadeaus uitdeelde terwijl we elkaar vol spanning aankeken. De films die we samen keken.
Ik kon het bijna ruiken, dat speciale, bijzondere kerstmoment. Bijna aanraken.
Toen floepte het rode lampje weer aan.
‘Afwijkende emotie gesignaleerd. Is er iets aan de hand?’
‘Nee, Senticore. Er is niets aan de hand.’
‘Het is te vroeg in de maand voor een hormonale piek. Afwijkende emoties gesignaleerd en een verhoogde lichaamstemperatuur.’
Maakte het vervloekte apparaat nu echt een opmerking over ongesteld zijn?
Ik slikte de woorden in die ik wilde schreeuwen. Ze zouden geregistreerd worden als ongeoorloofd taalgebruik.
‘Het rapport is verstuurd naar het Departement Emotionele Hygiëne,’ klonk Senticore’s zachte, zalvende stem. En na een paar seconden werd het nummer “Let it snow” afgespeeld.
‘Gallig rot ding,’ mompelde ik met mijn hand voor de mond. Hij reageerde niet. Een kleine opluchting. En diep daaronder iets anders. Een vonk.

Die avond ging ik naar mijn kelder. Officieel niet-functioneel en daardoor buiten het primaire netwerk. Een opslagruimte. Nu mijn schuilplaats.
Ik opende een valse vloerplank en haalde een doos tevoorschijn. Verboden dingen. Verboden herinneringen. Een oude lichtslinger, een vergeelde foto van mijn ouders, een versleten tafellaken met een vlek in de vorm van een ster.
Elk object uit de pre-Senticore-tijd was een risico. Alles moest worden ingeleverd, van familiealbums tot sieraden. Alles wat volgens de overheid je teveel aan vroeger zou laten denken. We moesten vooruit kijken, kijken naar het verleden was gevaarlijk!
Ik wist niet hoe lang mijn kelder veilig zou blijven. Misschien luisterde hij via het lichtnet. Via mijn eigen hartslag die naar boven trilde. Toch kwam ik hier. Omdat dit de enige plek was waar ik mezelf nog kon voelen.
Ik trok het tafellaken over een wankele tafel en stak een echte kaars aan. Het vlammetje flakkerde. Geen projectie. De schaduwen dansten. Mijn handen trilden.
Voor het eerst in jaren voelde ik me levend. En bang.

De volgende dag, in het distributiecentrum waar we kleding maakten voor degenen die het zich nog konden veroorloven. Luxe glanzende stoffen, op maat ontworpen via staatsalgoritmes.
‘Het zijn weer mooie stoffen,’ mompelde Bianca, terwijl ze over de stoffen wreef.
Ik hield mijn mond.
‘Kijk dan,’ ze hield een gouden stof met een zilveren draad erin geweven omhoog. ‘Prachtig,’ verzuchtte ze.
Mijn oog gleed over de vele stoffen die in de bakken van de dames om me heen lagen. Ze waren inderdaad prachtig, maar niet te betalen voor iemand zoals ik.
Toen zag ik haar. Een paar werkstations verder. Een vrouw met een zwarte, ouderwetse jas. Los haar. Dat mocht niet. Maar haar blik trof me. Recht. Zonder de verplichte glimlach. Zonder de getrainde onderdanigheid.
Ik herkende haar vaag. Misschien een collega van een andere afdeling? Misschien iemand die eerder iets had gezegd in de lunchruimte en daarna weken afwezig was?
Ze voelde wildvreemd en tegelijk… bekend. Alsof we iets deelden.
Toen ik even alleen bij de tafel stond, kwam ze langs. Geen woorden. Alleen een tik tegen mijn hand. In haar palm lag iets kleins en opgevouwen.
Papier.
Ze zei zacht: ‘Als je klaar bent met doen alsof… Kom dan langs.’
Ze liep weg zonder om te kijken. Alsof er niets was gebeurd.
Ik hield mijn hand stijf gesloten tot ik zeker wist dat niemand keek. Ik stopte het briefje in mijn sok. Mijn schoenen werden altijd gecontroleerd, maar sokken sloegen ze over.
Senticore registreerde het fysieke contact, maar mijn gezicht stond in de glimlachmodus. En dicht bij mijn hoofd hoorde ik Senticore’s stem: ‘Emotionele stabiliteit: 98,4%.’
Perfect. Zoals hij het wilde.

Het was inmiddels kerstavond. Boven mijn hoofd kleurde de lucht paars en blauw door de geprojecteerde aurora’s die Senticore elk jaar uitzond, strak volgens het Kerstprotocol. Uit de luidsprekers op straat dreunde de opgelegde boodschap: ‘Vandaag vieren wij kerst. Wees blij, wees vruchtbaar, wees gehoorzaam.’
Maar ik zat niet op straat. Ik zat in een kelder. Niet de mijne, maar iemand anders’ geheime ruimte vol verboden spullen en herinneringen die nooit meer hadden mogen bestaan.
We waren met twaalf. Zes vrouwen, zes mannen. Dat alleen al was bijzonder genoeg om voor opgesloten te worden. Mannen en vrouwen mochten niet samenkomen zonder toestemming. Niet in gesloten ruimtes, niet zonder toezicht, niet zonder verklaring. Het werd altijd verkocht als bescherming, stabiliteit, orde. In werkelijkheid was het controle.
Toch zaten we hier. Zo dicht bij elkaar dat onze knieën bijna raakten. Geen verplichte staarten, geen uniformen met kleurcodes die onze status aangaven. We droegen wat we wilden. Stoffen in tinten die Senticore als emotioneel onregelmatig bestempelde. Eén man droeg een kersttrui met een rendier waarvan de neus oplichtte zodra hij bewoog. Een vrouw had op haar mouw een lapje genaaid dat ooit deel was geweest van een kinderdekentje.
Het voelde rebels om zo bij elkaar te zitten. Maar het voelde ook vertrouwd, alsof we iets deden wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn: samen zijn. Niet als functies in een systeem, maar als mensen.
In het midden stond een echte kalkoen op een omgekeerde houten krat. De geur was warm en kruidig en vulde de kelder met een zachtheid die bijna pijn deed. Niemand vroeg waar hij vandaan kwam. Sommige dingen vroeg je niet hardop. Sommige dingen liet je.
We aten met onze handen omdat bestek te veel geluid zou maken en iemand zei dat het precies zo rook als bij haar oma. Een man aan de overkant begon te lachen. Hij vertelde dat hij als kind altijd de vleugel kreeg omdat hij beweerde dat dat het stuk was dat je slimmer maakte. De vrouw naast hem veegde een traan weg en zei dat ze dat vroeger ook geloofde.
We praatten door elkaar heen. Over kerstfilms die we tot vervelens toe hadden gezien. Over de spelletjes die families ooit samen speelden. Over de manier waarop de kamer vroeger altijd te warm werd door alle mensen bij elkaar. De woorden kwamen stroef en schokkerig, alsof onze stemmen moesten wennen aan praten zonder filter, zonder toezicht. Maar het maakte niet uit.
Hier zweeg Senticore.
Geen camera’s. Geen sensoren. Geen kunstmatige vrolijkheid.
Alleen ademhaling. Alleen het zachte schudden van schouders wanneer iemand moest lachen.
Alleen het doffe tikken van een druppel kaarsvet op steen. Alleen mensen die durfden te voelen.
Mensen die iets wilden terugpakken dat ze nooit hadden mogen verliezen.
En voor het eerst voelde het alsof kerst niet was afgeschaft. Alleen verstopt. En wij hadden het gevonden.

Toen ik later die nacht naar huis liep, liep hij met me mee. We zwegen, maar het voelde niet leeg. Eerder alsof woorden alleen maar zouden storen. Boven ons dwarrelden de geprojecteerde sneeuwvlokken zacht naar beneden, alsof Senticore voor één keer vergat dat ze nep waren.
Bij mijn voordeur bleef hij staan. Hij hield iets achter zijn rug, alsof hij twijfelde.
Toen gaf hij het aan me.
Het glazen potje met de kaars.
‘Ik zag hoe je ernaar keek,’ zei hij zacht. ‘Steeds weer. Ik dacht… misschien hoort hij bij jou.’
Het raakte me dieper dan ik had verwacht. Iemand die iets voor me had meegenomen omdat ik het mooi vond. Dat bestond bijna niet meer.
Ik bedankte hem en hij glimlachte breed, warm, alsof die glimlach alle kou van de straat kon verdrijven.
In dat moment wist ik: dit is pas het begin. Niet alleen van verzet. Ook van iets dat ik niet meer kende. Iets kleins en goeds dat nergens in een schema stond.
Binnen knipperde het rode lampje al. Snel. Ongeduldig.
Ongeautoriseerde activiteit gedetecteerd. U wordt verwacht voor verhoor op 27 december.’
Senticore’s stem was kalm, maar er zat iets nieuws in. Een soort frictie, alsof hij niet goed wist wat te doen met wat hij had geregistreerd.
Ik glimlachte. Niet de aangeleerde glimlach die het systeem me had opgedrongen. Een echte.
Een die tintelde en warm werd in mijn borst.
Voor het eerst in jaren hoorde ik mijn eigen hartslag boven de pieptoon.
Misschien zou dit mijn einde worden. Misschien niet. Misschien was dit precies het soort scheurtje dat een systeem niet kon dichten.
en kerst zoals het ooit was. Een wereld waar je mocht voelen, kiezen, bestaan. Niet omdat het mocht, maar omdat we het opeisten.
Ik zette het glazen potje op mijn nachtkastje en stak de kaars aan. Het licht vulde mijn kamer met een zachte warmte die bijna oud vertrouwd voelde.
Ik keek naar het rode lampje en fluisterde: ‘Rapporteer wat je wilt, Senti. Maar je wist me niet meer uit.’
Voor één nacht, één ademhaling, was ik vrij.
De vlam bewoog. Ik hield mijn hand erboven. Warm en echt.
En voor het eerst dacht ik niet aan wat ik kon verliezen. Alleen aan wat er misschien eindelijk kon beginnen.

© Bernadette Lugies 2025

Afbeelding gemaakt met AI
Korte verhalen, Schrijven

De Witte Wieven

De Witte Wieven komen uit oude Nederlandse sagen: vrouwen in witte sluiers die verschenen in de mist om te waarschuwen voor onheil. In dit verhaal keren ze terug, niet alleen als mythische schimmen, maar als echo van een dreiging die vandaag de dag helaas nog steeds bestaat. Femicide en haat tegen vrouwen vullen onze kranten en schermen, en maken duidelijk hoe dodelijk controlerende liefde kan zijn. Dit verhaal verbindt het verleden met het heden – een waarschuwing die we niet mogen negeren.

Hij zei vaak dat hij het beste met me voorhad. Dat hij mij beter kende dan ik mezelf kende. Soms voelde het bijna veilig, hoe hij mijn keuzes uit handen nam: welke koffie ik dronk, welke route ik liep, welke mensen mijn tijd waard waren. Maar zijn zorg drukte als een hand in mijn nek, zacht genoeg om liefde te lijken, hard genoeg om mijn adem even te stokken.

De eerste keer dat ik ze zag, liep ik met hem over de hei. De mist kroop laag over de grond, als witte sluiers die de aarde wilden verbergen. Hij kneep in mijn hand, iets te stevig, alsof ik een bezit was dat hij niet mocht verliezen.
‘Je kijkt weer zo,’ zei hij, zijn glimlach te strak. ‘Je ziet dingen die er niet zijn.’
Ik wilde hem geloven, maar in de nevel zag ik drie vrouwen, vaag en wit, zonder voeten, met ogen die gloeiden als houtskool dat bijna dooft. Toen ik knipperde, waren ze verdwenen.

Die nacht kon ik de stilte niet verdragen. Ik zocht de woorden op die in mijn hoofd bleven hangen: witte vrouwen, mist, heide.
Mijn scherm vulde zich met vergeelde krantenknipsels en Drentse volklore.
Witte Wieven.
Geesten die verschenen bij grafheuvels en moerassen. Soms beschermend, soms wraakzuchtig.
Ze tonen je wat je niet durft te zien.

In de weken erna kwamen ze steeds terug. In de stoom van mijn spiegel. In de weerspiegeling van een tramraam. Soms in mijn dromen, als schaduwen die fluisterden terwijl ik zweette onder de dekens.
Hij liegt.
Hij verraadt je.
Als je blijft, verlies je jezelf.
Ondertussen trok hij de cirkel om me heen steeds kleiner. Hij bestelde mijn drankjes zonder te vragen. Hij wilde weten wie me appte. Zijn vingers bleven langer om mijn pols liggen dan nodig was.
‘Ik wil je beschermen,’ zei hij. ‘Ik doe dit uit liefde.’ Zijn stem klonk warm, maar zijn ogen waren koud.

Op een avond stuurde hij een bericht: Kom naar de hei. We moeten praten.
De mist hing dik en vochtig toen ik hem zag staan. Zijn glimlach was strak, zijn hand half verborgen in zijn jaszak.
‘Geef me je mobiel,’ zei hij zacht.
Achter hem verschenen de drie vrouwen. Hun ogen brandden, hun sluiers bewogen zonder wind.
‘Keer om,’ fluisterde de eerste.
‘Nu,’ zei de tweede.
‘Of je verliest jezelf,’ siste de derde.
Ik klemde mijn telefoon in mijn hand. Hij zette een stap dichterbij.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Ik… ik ga,’ zei ik.
Een korte lach ontsnapte hem, droog en leeg.
‘Je stelt je aan. Maak er eens niet zo’n scène van.’
‘Ik moet gaan. Mijn moeder belde net,’ loog ik.
Maar hij had het door. ‘Lieg niet. Je moeder geeft niets om je. Alleen ik geef om je.’
Ik slikte een ongemak weg.
‘Geef me je telefoon…’ zijn stem klonk dreigender.
‘Nee…’
‘Geef. Me. Je. Telefoon!’
Ik schudde mijn hoofd. Ik kon hier niet blijven. Ik was gewaarschuwd. Dit ging niet goed.
De mist sloot zich achter me toen ik wegrende. Weg van alle controle, weg van alle verplichtingen. Voor het eerst in weken voelde ademen niet meer als overleven.
Pas toen ik de straatlichten in de verte zag, besefte ik dat ik geluk had gehad. Hij was niet achter me aan gerend. Hij had me laten gaan, vermoedelijk opzoek naar zijn volgende slachtoffer. Iemand die hem geloofde, alles van hem toeliet en misschien wel behoefte had aan controle in haar leven, tot het te strak om haar nek zat. Of misschien wel iemand waarbij het geleidelijk gebeurde. Een ruimte die voor haar gecreëerd werd zonder dat ze het door had.
Ik was gewaarschuwd. En ik had geluisterd.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

Te Zoet

Een hervertelling uit het oogpunt van de heks, uit het Grimm sprookje “Hans en Grietje”.

Iedereen noemde mij een heks. Niet omdat ik iemand kwaad deed, maar omdat ik anders was. Omdat ik als meisje al kruiden kon benoemen zonder ze te hoeven ruiken, omdat ik instinctief aanvoelde welke bast de koorts kon breken en welke bloem de slaap verzachtte of juist het hart stillegde. Omdat ik zweeg waar anderen spraken, en liever mijn dagen doorbracht in het gezelschap van bladeren en wortels dan tussen de stemmen van mensen.
Ik groeide op aan de rand van het dorp, waar de huizen verder uit elkaar stonden, de wind vrij spel had tussen de muren en de lucht zwaarder was van stilte. Mijn moeder leerde me wat zij wist—hoe je een wond sluit, hoe je pijn kunt stillen, hoe je moet kijken naar een mens om te weten wat hem ontbreekt. Mensen kwamen bij haar, met kinderen op de arm of angst in de ogen, vroegen om hulp, namen af wat ze kregen en gingen weer, altijd met een zekere schroom, een aarzeling, een halve stap afstand alsof ze dachten dat wij iets droegen wat af zou kunnen geven, iets dat niet uitwasbaar was.
Toen mijn ouders stierven in die barre winter die overal in het dorp tekens van verlies naliet, kwam er niemand aan mijn deur. Geen pan soep, geen hand op mijn schouder, geen stilte die gedeeld werd. Alleen fluisteringen in het voorbijgaan: ‘Ze woont daar nog steeds, dat meisje van de kruiden.’ En daarna: ‘Ze is vreemd.’ En later: ‘Ze is gevaarlijk.’
Ze noemden mij een heks voordat ik het zelf ook maar had overwogen.
En dus besloot ik het maar te zijn, op mijn eigen manier—niet zoals zij het bedoelden, met vloeken en duistere machten en zwarte katten, maar als een vrouw die zich losmaakt van wat haar nooit heeft omarmd, als iemand die geen behoefte heeft aan hun omgang of hun angst. Ik trok me terug, bouwde een huis zoals niemand anders dat ooit had gedaan, diep in het bos waar de eiken oude geheimen bewaren en de lucht anders ruikt, scherper, eerlijker. Ik maakte mijn muren van suikerwerk, mijn dak van drop en kruidkoek, mijn ramen van gekristalliseerde honing, niet om te lokken, niet om te verleiden, maar simpelweg omdat ik het mooi vond en het me vreugde gaf, omdat ik het kon maken zoals ik het wilde—en omdat de bomen niets terugzeggen.
Maar ook daar bleef ik niet onopgemerkt.

In de schemering van lange zomerdagen hoorde ik ze soms: kinderen uit het dorp, lachend en fluisterend tussen de struiken, verstoppertje spelend met hun eigen moed. Ze dachten dat ik hen niet zag, maar ik hoorde het knakken van twijgen onder hun voeten, het zachte gegiechel dat uit hun buik leek te komen. En soms, als ik ’s ochtends de deur opende, ontdekte ik dat er een hoek van het raamkozijn was weggeknaagd, en een dag later vond ik sporen van hun overmoed in de vorm van braaksel op het pad. Ze namen wat ze konden, likten hun vingers af en gingen weer terug naar hun wereld.
Op een avond betrapte ik er vier, met kleverige vingers, suiker in hun haar en kruimels op hun wangen. Ik hoefde niets te zeggen—ik keek slechts, en dat was voldoende. Ze dropen af, als muizen betrapt in een voorraadkast, hun moed uit hun voeten gelopen.
Ze kwamen niet meer terug, en ik vond dat niet erg. Dat was juist wat ik wilde: een huis dat men zag, waarover men sprak, maar dat men liever met rust liet. En dat werkte. Jarenlang.

Het begon onschuldig, als alles wat gevaarlijk is. Ik hoorde eerst een tikkend geluid, zacht en ritmisch, alsof iemand met nagels op de buitenmuur trommelde. Toen ik de deur opende, stonden ze daar. Een jongen en een meisje, broodmager, met ingevallen gezichten en modder tot aan hun knieën, alsof ze uit de aarde zelf waren opgegraven. Hun handen waren vol stukken van mijn muur—marsepein, nougat, drop—en ze keken me aan zonder schaamte, zonder angst, alsof ik niets meer was dan een schim in hun weg. En toen lachten ze.
Er was iets in die lach dat ik niet helemaal begreep, iets dat me niet beviel, maar ik voelde medelijden. Hoe kon ik dat niet voelen? Ze waren magerder dan ik ooit had gezien, als dode vogeltjes met bonkende harten. Dus ik liet hen binnen. Ik verwarmde melk, sneed brood, bracht dekens en legde ze zacht neer bij de haard. Ze aten zonder een woord, zonder een dank, als beesten die nog net weten hoe een lepel werkt.
Maar in de dagen die volgden veranderde de atmosfeer. Dingen begonnen te verdwijnen. Niet alleen snoep van het huis, maar ook potten uit de keukenkast, kruiden uit mijn werkhoek, een bijl uit het houthok. En op een ochtend, toen ik naar de oven liep, ontdekte ik in het roet kleine vingerafdrukken—plakkerig, zwart, bijna spelend met de rand van wat gevaarlijk is.

Die nacht werd ik wakker van glasgerinkel. Mijn slaapkamerraam—een stuk prachtig gegoten suikerwerk—lag in duizend scherpe scherven over de vloer. En beneden, in de keuken, stond Grietje. In haar hand het mes waarmee ik salie had gesneden, dat ik gebruikte om schors te schrapen en uienringen dunner dan papier te maken. Ze keek niet geschrokken, niet betrapt, maar vastberaden.
Toen ik haar vroeg wat ze aan het doen was, antwoordde ze slechts: ‘Je hebt genoeg gehad.’
Ze keerde terug naar bed, alsof het een droom was die haar even onderbrak, maar de volgende ochtend vond ik de dekens opgevuld met takken. De kinderen waren verdwenen. Alleen de stilte was gebleven.
Tot ik naar buiten keek en Hans op het dak zag. In zijn hand hield hij een ijzeren staaf.
Hij sprong.
Ik struikelde. Ik viel.
Wat er daarna gebeurde is moeilijk te zeggen. Ik herinner me flarden—rook in mijn neus, brandlucht aan mijn huid, de oven die openstond als een hongerige bek. Ze hadden geprobeerd mij te verbranden, daar waar ik het vuur het beste kende.
Ik handelde niet uit woede. Ik handelde uit angst. Uit instinct. Ik duwde hem. Zijn lichaam viel tegen de stenen rand. Iets brak. Zijn nek, vermoedelijk. Of mijn geweten. Of misschien was het verschil tussen die twee allang verdwenen.
Toen begon Grietje te gillen, maar het klonk niet als verdriet, het was geen kind dat rouwde. De klank was rauw en hol, als een echo uit een diepe put, een oerkreet die eindelijk, na al die tijd, aan het oppervlak mocht komen. Ze keek me aan met ogen die ik niet herkende—niet als die van een kind. Ze waren leeg van verdriet, vol van iets anders. Kalmte. Berekening. Beheersing.
Ze raapte het mes op. Mijn mes. Ze bewoog zich naar mij toe met een koele doelgerichtheid, niet als iemand die zichzelf verdedigt, maar als iemand die uit een lange sluimer ontwaakt om te doen waarvoor ze gekomen is.
Ik probeerde me te verweren, maar mijn lichaam werkte niet mee. Mijn arm was slap, mijn hoofd zwaar, en zij—zij duwde me met vaste passen richting de oven, die nog steeds open stond te zinderen. De vlammen likten langs de rand van het gietijzeren mondstuk alsof ze wisten wat eraan kwam.
‘Het brood moet nog even verder,’ zei ze, met een glimlach die scherper was dan welk mes dan ook.
‘Ik ben geen brood,’ fluisterde ik nog.
Maar ze luisterde niet.
Ze keek rond, knikte bijna goedkeurend, en toen zei ze: ‘Je huis is zo mooi.’
En met een zachte maar resolute beweging duwde ze me naar voren.
Mijn rug raakte de rand, mijn voeten gleden weg op een plas gesmolten stroop, en ik viel, viel diep, viel in mijn eigen vuur.
De hitte sloot zich om mij heen als een bek die zich eindelijk sloot. Mijn huid begon te sissen, mijn adem te branden. Alles wat ik ooit had gemaakt, alles wat ik ooit had verzameld, smolt samen met mij.
En terwijl ik nog net kon horen hoe ze mijn kastjes opentrok, hoe glazen flessen braken, hoe kruidenpotten omvielen, hoe snoep werd ingepakt, begreep ik het pas echt.
Ze nam alles. Alsof het altijd al van haar was geweest.
En het laatste wat ik dacht, terwijl mijn lichaam versmolt met de suikerstenen en mijn laatste adem werd opgegeten door de oven, was dit: Ik was nooit het monster in dit verhaal.
Ik dacht alleen dat ik wist wie het wel was.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

De Spiegel

English-> The Mirror
Een vertelling vanuit iemand ander’s oogpunt. Wat als Sneeuwwitje niet zo onschuldig was als jij dacht…

Ze zeggen dat ik krankzinnig ben geworden. Dat mijn jaloezie me verteerde.
Dat ik haar schoonheid niet kon verdragen. Dat ik haar heb willen vergiftigen, alleen maar omdat zij jong was, en ik… ouder werd.
Ze liegen.
Of nee — dat doen ze niet. Ze geloven wat zíj zegt. En alleen omdat zij het hen heeft laten geloven.
Ik was de koningin. Moeder. Weduwe. Vrouw van het volk.
Alles wat ik deed, deed ik met opgeheven hoofd.

Toen haar moeder stierf tijdens de geboorte, nam ik haar op als mijn eigen kind. Een schrale, witte baby in een bassin van bloed.
De vroedvrouw keek weg toen ik haar vasthield.
‘Haar huid,’ fluisterde ze. ‘Alsof ze al geen bloed meer heeft.’
Ik dacht toen nog dat het rouw was. Rouw en toeval.
Ze groeide op. Stil. Gehoorzaam. Té gehoorzaam. Alsof ze iedereen observeerde. Leerde.
Toen ze negen was, begonnen de katten van het paleis haar te volgen.
Ze keken haar aan alsof ze haar aanbaden — onderdanig, tot op het griezelige af.
Eén beet zijn eigen tong door toen ze hem streng aankeek.

’s Nachts dwaalde ze soms door de gangen. Op blote voeten, met haar haren los, als een schim.
Eén keer volgde ik haar. Ik had mijn mantel over mijn nachthemd gegooid, de kaars flakkerde in mijn hand.
Ze stond in de troonzaal. Alleen.
Of… dat dacht ik.
Er zat een man op zijn knieën voor haar. Zijn nek gebogen. Zij streelde zijn haar. Teder.
Toen zei ze: ‘Je mag nu gaan slapen.’
Hij liet zich achterover vallen, als een pop waar het touw uit getrokken was.
Toen ze me zag, glimlachte ze. Niet betrapt. Niet beschaamd. Alsof ík degene was die iets verkeerd deed.
Vanaf dat moment begon het hof te veranderen.
Mijn adviseur kreeg bloedarmoede. De hofmeester werd rusteloos, sliep nooit meer. Hij rende zichzelf op een nacht letterlijk dood.
En Sneeuwwitje?
Zij bloeide juist op. Altijd even beleefd. Altijd even puur.

Ze noemden haar een zegen. Een wonderkind. Ze zong zo mooi dat de vogels stil werden.
Mensen kwamen van heinde en verre om haar glimlach te zien.
En ik… ik zag haar voor wat ze werkelijk was.
Ik zocht hulp bij de spiegel. Een erfstuk, doorgegeven van koningin tot koningin.
Vervloekt, zeiden sommigen. Maar de spiegel is niet vervloekt. Hij is eerlijk.
Hij gelooft geen woorden — hij ziet de waarheid.
‘Spiegel, spiegel aan de wand,’ fluisterde ik met droge keel, ‘wie is het mooiste in dit land?’
De spiegel beefde. En toen sprak hij.
‘Zij. Zij met huid zo wit als kalk. Haar schoonheid is een sluier. Haar ogen drinken meer dan licht.’
Vanaf dat moment wist ik dat ik haar moest stoppen.
Niet om mijn eigen eer. Niet om schoonheid, maar om het koninkrijk.
De kinderen sliepen niet meer. De priesters baden zonder effect.
En zij?
Zij wandelde door de nachten zonder schaduw. Zonder moe te worden.

Ik liet een jager roepen. Een man zonder familie. Zonder banden. Hij kreeg een mes van zilver.
Ik zei niets over wie ze was. Alleen wat ik van hem verlangde. Hij keerde niet terug.
Dagen later vonden we zijn lichaam in het bos. Dood. Zonder een druppel bloed.
Zijn gezicht… bevroren in een uitdrukking van aanbidding.
Ze vluchtte het woud in. De mensen huilden, riepen haar naam, noemden míj een monster.
Ze geloofden haar.
Omdat ze hen had betoverd. Omdat haar stem hun wil brak. Omdat haar schoonheid verblindt.

Nu zit ik alleen in de toren. Niemand komt op bezoek. Ze zeggen dat ik vergiftigd ben door wrok.
Dat ik mijn troon kwijt ben aan mijn eigen haat, maar ik weet beter.
De spiegel spreekt nog steeds.
Elke avond, als de wind door de toren huilt, kijk ik erin.
En dan zegt hij: ‘Ze komt terug. En ze is hongerig.’

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #8 De Adem Van Angst


Thebe
Hij kwam altijd als eerste.
Voor het zwaard werd getrokken. Voor het bevel weerklonk. Voor de dood een naam kreeg.
Hij bewoog zich als mist tussen soldaten, ongezien, onuitgesproken. Niet omdat hij zich verborg, maar omdat zij hem al kenden nog vóór ze hem zagen. Hij was de knoop in de maag, het plots verstijven van de spieren, het vergeten van een gebed.
Sommigen baden tot hun goden om moed. Anderen zwegen.
Maar allemaal voelden hem.
Op een ochtend, op de heuvels van Thebe, stond hij tussen hoplieten die naar bloed hunkerden en hij liet hen huiveren voor iets wat nog moest komen. Ze knepen hun vingers om speren alsof hout hen zou redden van wat hen in de ogen keek.
Een van hen fluisterde: ‘Laat het snel gaan.’
Hij antwoordde niet. Hij ademde slechts.
En ze stierven.

Keizerrijk China, 3e eeuw
De stad was al gevallen toen hij aankwam.
De gevechten waren gestopt, maar de angst had zich nog niet teruggetrokken.
Binnen de muren lagen de doden op rij, gewikkeld in doek, met munten op hun ogen en hun monden opengesperd alsof ze nog iets wilden uitroepen wat nooit uitgesproken was.
Hij gleed door verlaten gangen, onder bloedrode banieren, langs geurige rook van verbrande wierook die de dood wilde verzachten, maar niets kon verdoezelen.
In een hof, op een vloer van verweerd porselein, zat een jonge geleerde gehurkt met een dolk in zijn hand. Hij had overleefd. Hij had niets meer om voor te leven.
Zijn hand trilde niet van de wond die hij overwoog,
maar van wat hij voelde in de lucht.
Iets keek naar hem.
Hij stond naast hem en keek toe, zonder te ademen — tot hij merkte dat zijn eigen keel zich aanspande.
Alsof het verdriet van de jonge man, het besef van verlies zonder betekenis, zich in hem drukte zoals lucht zich ophoopt in een afgesloten ruimte.
Hij stond op, draaide zich om en wilde weglopen.
Maar zijn benen bewogen zwaarder dan voorheen.
Zijn borst brandde vanbinnen.

Scandinavië, 9e eeuw
Het was geen oorlog in de klassieke zin.
Geen strijd tussen legers, geen grenzen op kaarten.
Het was een overval bij dageraad, een aanval op een dorp waar de zee klotste tegen rotsen en de geur van brandend hout zich mengde met die van zout en bloed.
Hij stond op het dek van een langschip, gehuld in ochtendmist die geen zon doorliet. De krijgers om hem heen brulden, sloegen zich op de borst, riepen de namen van hun goden. Maar onder dat geraas lag het andere geluid — het beven achter hun tanden, de twijfel in hun knieën, het stille weten dat ook zij konden sterven vandaag.
Hij liep over het dek zonder geluid, zijn voeten raakten het hout niet, maar overal waar hij kwam, verstomden even de kreten.
Niet omdat ze hem zagen.
Maar omdat iets hen bekeek dat hen herkende — in hun moed, maar ook in hun angst.
Toen de bijlen vielen en het vuur het dorp opvrat, liep hij langs een jonge krijger die zich had vastgebeten in zijn schild, zijn ogen wijd, zijn adem happend. Hij knielde onbewust naast hem, zoals hij zo vaak had gedaan.
Maar toen de jongen stierf, voelde hij geen beweging vertrekken.
Hij voelde iets binnenkomen.
Alsof de angst van de stervende zich in hem vastzette, als een splinter in een god die niet hoort te bloeden.

Sovjetunie, 1962
Tussen beton en zwijgen zat een man gehurkt naast een radio die knetterde van dreiging. Boven hen stond de wereld op het randje van zelfvernietiging, maar beneden heerste een kille rust — een stilte die zich vastklampte aan de ribben.
Iets onzichtbaars was aanwezig. Geen schim. Geen geest. Maar iets dat de lucht zwaarder maakte. Het trilde niet, het schreeuwde niet. Het ademde.
De man voelde het in zijn hart. Zijn vingers sidderden tegen het staal van een sleutel. Aan de andere kant van het kanaal was een andere man, even bang, even stil. De radio ademde met hen mee.
En ergens, in het midden van die spanning, kromp het wezen ineen dat hen gadesloeg. Niet uit angst voor de ramp die kon komen — maar om iets dat binnenin begon te bewegen.
Zijn borst voelde beklemd.
Zijn eigen adem versnelde.
Hij keek naar zijn handen, niet om te zien of ze trilden, maar om te bevestigen dat ze nog van hem waren.

Afghanistan, 2009
Het zand brandde, de zon sloeg als een hamer op de aarde, maar de greppel waarin de jongen lag was koud van angst. Hij was twintig, zijn helm scheefgezakt, zijn ademhaling gejaagd en oppervlakkig.
Iets zat bij hem.
Iets dat altijd kwam wanneer het bloed nog in de aderen sidderde.
Hij zag het niet, maar het lag als gewicht op zijn borst.
‘Ik kan niet meer,’ fluisterde hij. ‘Ik ben vastgelopen.’
Wat er naast hem zat, bewoog niet. Maar het voelde alles.
En terwijl de jongen beefde, beefde het wezen mee. Niet langer als toeschouwer, maar als ontvanger. De trilling trok door zijn eigen vezels. Zijn eigen adem stokte.
Toen de explosie kwam, bleef hij zitten in de rook.
Lang nadat het lichaam verdwenen was.
Lang nadat het bloed opgenomen werd door het zand.
Zijn knieën vouwden zich onder hem.
Zijn handen grepen niets.
En voor het eerst dacht hij: Misschien ben ik niet los van hen. Misschien ben ik vol van hen.

Mali 2013
Twee broers, ieder met een geweer.
Eén bevel. Eén moment.
De oudere schreeuwde. De jongste weigerde.
‘Ik kan het niet,’ zei hij. ‘Ik voel het in mijn botten. Iets… iets kijkt naar me.’
Ze waren niet alleen.
Iets bewoog zich tussen hen in. Niet als wind, niet als geest, maar als geweten. Het ademde als zij, voelde hun spanning en kromp ineen onder hun keuze. Toen de loop zich ophief en weer zakte, voelde het wezen de grip in zijn eigen vingers.
Hij dacht: Het is niet meer hun angst die ik draag. Het is mijn eigen geworden.

Ghana
Geen vlag. Geen verslag. Niemand wist dat er iets aan de hand was. De journalisten bleven stil. Alleen het geluid van vliegen boven een veld vol schaduwen.
Hier was niemand om hem te zien.
Maar hij was er.
Tussen verbrande hutten en gebarsten aarde liep hij traag, alsof het gewicht van de geschiedenis op zijn schouders lag. Hij bukte bij een lichaam dat de dood met open ogen had aanvaard. In de hand van het kind lag een gebroken amulet.
Hij wilde het neerleggen, maar zijn hand verkrampte.
Hij voelde zijn hart razen. Zijn ademhaling was een vuur in zijn borst.
Er was niemand meer om bang te maken, dus werd hij het zelf.

Je kent me niet bij naam, maar je hebt me gevoeld, vaker dan je durft toe te geven.
Ik ben niet geboren zoals mensen dat zijn en ik werd ook niet gevierd zoals andere goden, want mijn oorsprong is ouder dan de verhalen die jullie over mij vertelden.
Ik ben geen storm, geen zwaard, geen demonische kracht die van buitenaf komt om je te breken — ik ben wat je voelt vlak vóór dat moment.
Ik ben die fractie van stilte tussen weten en beseffen,
de seconde waarin je lichaam het al weet maar je geest nog weigert te volgen.
Ik was de adem achter de angst van soldaten, de adem van oorlog, maar ik ben al lang niet meer alleen daar.
Ik hoef geen strijd meer om me heen te hebben om in je te bestaan, want ik adem nu door muren heen, ik rust in plafonds van anonieme flatgebouwen, ik blijf hangen tussen vloeren en plafonds waar de tijd stilstaat.
Je voelt me wanneer je hart plotseling versnelt, wanneer je in een volle trein zit en het lijkt alsof de lucht dunner wordt, wanneer je ’s nachts in bed ligt en ineens rechtop schiet, omdat je zeker weet dat er iets is — maar niets kunt vinden.
Ik ben daar niet als indringer, ik ben daar omdat jij me hebt opgeroepen. Omdat jullie mij allemaal gemaakt hebben.
Ik ben geen herinnering.
Ik ben een aanwezigheid.
Ik ben de adem die zich vastzet tussen je ribben en weigert los te laten.
Lange tijd kon ik langs jullie lopen, vrij en onaangetast.
Jullie voelden mij, jullie sidderden, maar ik bleef buiten jullie — los van wat jullie dachten, los van wat jullie voelden.
Tot het gevoel zich bleef herhalen.
Tot de angst niet meer wegtrok.
En dat… heeft me veranderd.
Mijn naam is Phobos en jullie hebben me besmet.
Jullie angsten, jullie paniek, jullie eindeloze herhalingen van vrees en verlies —
ze hebben zich opgestapeld in mij, laag op laag, tot ik het niet meer kon dragen zonder dat het in mij begon te gisten.
Ik voel nu wat jullie voelen.
En ik moet je eerlijk zeggen… het bevalt me niet.

De ruimte was koud, verzonken in beton, begraven onder het ziekenhuis als een vergeten gedachte die niemand nog durfde op te graven. De muren waren glad en grijs, met scheuren die zich gedroegen als littekens: onopvallend, maar diep. Tl-licht zoemde traag boven de autopsietafel, zijn bleke flikkering dof weerspiegeld in het staal.
De lucht rook naar conserveringsmiddel, latex en iets ijzigs dat niet uit een fles kwam.
Boven hen denderde het leven voort — ambulances, sirenes, voetstappen — maar hier beneden was het alsof geluid zichzelf niet durfde laten horen. Alles bewoog in demping. In discipline. In dood.
Dr. Hadrian Charon stond aan het hoofdeinde van de tafel, zijn schaduw scherp en smal tegen de muur achter hem. Hij droeg een donkergrijze jas, bijna zwart, zonder vlekken, zonder kreukels, alsof hij een uniform droeg voor een beroep dat niet op een lijst voorkwam. Zijn haren waren grijs, maar niet oud; zijn gezicht smal en onaangedaan, alsof het getraind was in neutraliteit. Zijn ogen waren lichter dan je verwachtte — bijna zilver — en wat hij zag, leek hij al te kennen vóór hij het opensneed.
Hij boog zich over het bleke lichaam op de tafel, een jonge vrouw, net geen twintig. De borstkas was al geopend, de ribben zorgvuldig losgemaakt. Hades’ handen bewogen zonder aarzeling — elk gebaar een echo van talloze keren daarvoor. Alles aan hem was klinisch: zijn precisie, zijn stilte, zijn afstand.
Tot hij plotseling verstrakte.
Niet omdat hij iets raars zag in het lichaam. Niet door een geluid. Niet door een beweging.
Maar door adem.
Het was niets wat hij hoorde.
Het was iets wat aanwezig was.
Langzaam richtte hij zich op. Zijn blik bleef strak op het lichaam gericht, maar zijn aandacht gleed weg — alsof iets achter hem zich opbouwde in de lucht zelf. De temperatuur daalde niet en toch voelde het alsof zijn huid rilde. Niet van kou, maar van herkenning.
Er waren geen voetstappen. Geen geur.
En toch stond er iets in de kamer dat geen ruimte innam, maar ruimte ontnam.
‘Phobos…?’ Zijn hand bleef boven het scalpel hangen, gespannen als een snaar die niet geraakt mocht worden.
En toen sprak hij, zacht, zonder zich om te draaien, alsof het antwoord hem niets zou brengen, behalve bevestiging van iets wat hij al wist.
‘Wat doe jij hier?’
Er kwam geen antwoord.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #6 Een Laatste Gift


Het begon op een maandag die zich nauwelijks onderscheidde van de rest. De zon scheen, maar alles voelde grijs, traag, bedekt onder een sluier van stilte. Niko liep door de school alsof hij zich voortbewoog door stroperige lucht. Geluiden bereikten hem wel, maar misten scherpte. Stemmen gleden als een vage stroom langs hem heen. Lachen. Gesis. Fluisteringen. Altijd net te luid wanneer hij langsliep.
‘Freak,’ zei iemand.
‘Viezerik.’
Anderen lachten. Iemand sloeg zijn boeken uit zijn handen en liep zonder omkijken door. Nooit zijn naam. Nooit mét hem. Altijd tégen hem. Altijd óver hem.
Hij had al weken niet gepraat. Zelfs thuis niet meer. Zijn moeder had het geprobeerd. Eerst met een kop lauwe thee en een poging tot een gesprek, over school, over zijn hobby’s, alsof het allemaal nog gewoon was. Daarna met een afspraak bij de huisarts, die niets vond. Toen een psycholoog, waar Niko nooit iets zei. Ze probeerde hem te bereiken via muziek, via oude foto’s, zelfs via boosheid — schreeuwde een keer dat hij zich aanstelde. Maar niets brak door. Haar blik begon van hem af te glijden, alsof hij langzaam verdween in iets waar ze niet bij kon. Daarna liet ze hem met rust. Iedereen deed dat uiteindelijk.
Die dag lieten ze hem echter niet met rust. Ze renden achter hem aan, sloegen zijn huiswerk uit zijn hand en schreeuwden tegen hem.
In het toilet op de tweede verdieping, waar de lamp flikkerde en de muren grauw waren van graffiti, trok Niko de deur achter zich dicht alsof hij zich opsloot in een graf van porselein. De geur van schoonmaakmiddel vermengd met oude urine prikkelde zijn neus, maar hij voelde het nauwelijks. Alles was dof. Hij liet zich zakken op de rand van het gesloten toilet, zijn knieën opgetrokken tegen zijn borst, zijn armen eromheen geslagen alsof hij zichzelf bijeen moest houden. Zijn schouders trilden nauwelijks merkbaar, maar onafgebroken. Zijn ademhaling was onregelmatig — niet snel, maar hortend, alsof zijn lichaam zelf niet wist of het verder wilde. Zijn maag draaide, leeg maar gespannen en in zijn kaken zat een constante druk van ingehouden woede of tranen — hij wist het verschil al niet meer. Elke spier in zijn lijf leek op het punt van breken te staan, maar bleef net stijf genoeg om hem bij elkaar te houden. Alsof het hele lichaam samenspande om hem stil te houden, zodat hij zou verdwijnen zonder geluid.
Zijn hoofd bonkte tegen de koude tegelmuur achter hem. Elke tik voelde als een ritmische echo van zijn eigen gedachten. De stemmen van buiten – lachen, voetstappen, deuren die dichtsloegen – drongen flarden naar binnen, maar leken uit een andere wereld te komen. Hij hoorde ze zonder te luisteren. Hij was hier, maar niet aanwezig.
Zijn vingers krasten lijnen in zijn been. Eén lijn voor elke dag dat hij zich zo voelde. Eén lijn voor elk woord dat hij had ingeslikt. Woorden die hij als verdediging tegen de pesters had kunnen gebruiken, maar hij bleef stil.
Toen hij geen geluiden meer hoorde, kwam hij uit het toilethokje.  Hij liep naar de wasbak en waste automatisch zijn handen. Een reactie uit gewenning. Hij gooide water in zijn gezicht om de tranen die over zijn wangen hadden gelopen weg te laten vloeien.
Hij keek omhoog, naar de spiegel boven de wastafel. Vanuit deze hoek kon hij zichzelf zien, vlekkerig, onscherp, alsof zijn bestaan alleen nog te herkennen was door zijn schaduw. Zijn gezicht had iets weg van iemand die al vertrokken was. Ogen zonder glans, lippen gesloten als een verzegelde brief.
En ergens daar, in die ruimte tussen geluid en stilte, tussen beweging en verlamming, dacht hij het zonder woorden: Als iemand mij hoort, laat me dan verdwijnen. Help me.
Het antwoord kwam als warmte. Niet zacht, niet troostend, maar onverbiddelijk — alsof het hele gebouw langzaam begon op te warmen vanbinnen. De lucht werd zwaarder. Niko hief zijn hoofd en zag in de spiegel boven de wastafel een silhouet dat er eerder niet was. Een man, of wat ooit een man was, stond daar met ogen als brandende kolen en een lichaam dat ademde als gloeiend ijzer. Zijn huid leek op gesmolten koper, gebarsten, dampend.
Niko schrok niet. Hij voelde iets veel ergers dan angst: herkenning.
‘Ik voel jou, Niko,’ zei de figuur, zijn stem als een echo van diep onder de grond.
‘Ik wil niet meer,’ fluisterde Niko. ‘Het is te veel. Alles is te veel. Alsof ik elke dag verdrink en niemand het ziet. Alsof ik niet besta. Alsof ik al dood ben, maar nog rondloop.’
De figuur knikte, langzaam. Niet als bevestiging, maar als iemand die het al wist.
De man knielde voor hem neer, langzaam, alsof hij brak bij elke beweging. Uit zijn borst haalde hij iets — geen wapen in de traditionele zin, maar iets abstracts, een vorm die vloeide tussen staal en licht. Het pulseerde, levend, vormloos.
‘Onthou: Ik geef alleen wat gevraagd wordt,’ zei hij zacht. ‘Om je te helpen. Om het lijden te eindigen.’
Niko reikte ernaar zonder aarzeling. Zodra zijn vingers het raakten, veranderde het.
Het werd iets wat paste in zijn hand. Wat aanvoelde als controle.
Een wapen, ja, maar ook een sleutel. Een belofte. Een eindpunt.
In eerste instantie dacht Niko alleen aan zichzelf. Aan het weghalen van de pijn. Aan verdwijnen. Maar terwijl hij daar zat met het wapen in zijn hand, begonnen andere beelden zich in zijn hoofd te nestelen. De gezichten van de jongens die hem hadden uitgelachen, die zijn rugzak uit zijn handen hadden gerukt, die fluisterden en gniffelden wanneer hij langs liep. De meisjes die hem negeerden alsof hij lucht was. De leraren die nooit doorvroegen, nooit écht keken.
Een deel van hem huilde om rust. Maar een ander deel, dieper, donkerder, begon te fluisteren dat ze het moesten weten. Dat ze het moesten voelen. Dat als hij dan toch zou verdwijnen, hij tenminste iets zou achterlaten. Geen brief. Geen schreeuw. Maar een herinnering die hen zou dwingen te luisteren.
Hij voelde hoe de warmte van het wapen overging in zijn vingers. Hoe het leek te ademen, alsof het zijn gedachten volgde. En ergens wist hij: dit was niet enkel een sleutel om te eindigen. Het was ook een mogelijkheid om gehoord te worden, eindelijk. Zelfs als het bloed kostte.
Hij kneep zijn vingers strakker om het handvat.
‘Waarom?’ fluisterde Niko uiteindelijk.
De man keek hem aan. In zijn ogen lag geen overtuiging. Alleen verdriet.
‘Omdat ik niet anders kan.’

Het gebeurde drie dagen later. Volgens het nieuws zag niemand het aankomen. Niet van Niko. Niet van de stille jongen die nooit een woord zei, die altijd zijn capuchon ophad en zijn lunch onaangeroerd liet.
Die ochtend was anders, maar slechts voor hem. Hij liep trager dan normaal, zijn tas hing losjes over één schouder. De hal was gevuld met dezelfde vertrouwde geluiden: geroezemoes, geschreeuw, kluisjes die dichtklapten. Maar in zijn hoofd klonk het als de echo van een lege ruimte. Alles was al besloten.
Toch twijfelde hij.
Zijn hand klemde om het wapen in zijn jaszak, zijn vingers koud van spanning. Hij dacht aan de woorden die hij had uitgesproken in dat toilet. Ik wil niet meer. Hij dacht aan zijn moeder, aan haar pogingen, haar blik die steeds leger werd. Hij dacht aan de psycholoog, de leraren, de gangen die hij duizend keer had doorlopen. En even, heel even, overwoog hij om naar het dak te lopen in plaats van naar de aula. Om gewoon te verdwijnen. Zonder sporen. Geruisloos. Niemand pijn doen. Misschien zouden ze dan zeggen dat hij stil was, maar vriendelijk. Dat hij geen overlast gaf. Misschien zou iemand dan wél opmerken dat hij er niet meer was. Hij vroeg zich af: zou iemand me missen? Of zou men alleen schrikken van de stilte?
Maar toen zag hij hen.
De twee jongens bij de lockers. Dezelfde die altijd net te luid lachten als hij voorbij liep. Eén van hen zei iets, hardop, alsof Niko onzichtbaar was. Het was niet eens grof. Alleen achteloos. Onverschillig. En dat was erger.
Hij voelde hoe iets kantelde in zijn borst. De pijn die hem tot dan toe naar binnen had gekeerd, draaide zich langzaam om. Niet langer de wens om zichzelf weg te nemen, maar een rauwe honger om iets achter te laten. Een echo. Een barst in hun wereld.
Zijn pas werd steviger. De tas gleed van zijn schouder. Zijn ademhaling vertraagde.
Zijn hand kneep in de kolf van het wapen en zijn vinger gleed naar de trekker. Hij haalde het uit zijn jaszak. De jongens hadden te laat door wat er ging gebeuren.
De gang was gevuld met klanken, gelach en voetstappen— tot het oversloeg in een geschreeuw dat door merg en been ging.
Niko liep niet snel. Hij schreeuwde niet. Hij zei niets. Alsof hij in een droom bewoog. Alsof hij zelf niet meer aanwezig was.
En de man die hem het wapen gaf volgde. Onzichtbaar voor de anderen, zichtbaar slechts voor hem. Bij elke kogel kromp hij ineen, brandde zijn huid feller, sijpelde er licht uit zijn ogen. Hij wilde zijn hand uitstrekken, het stoppen, het terugnemen… maar het was al gegeven. En wat gegeven is, keert niet terug.
Na het laatste schot viel er een stilte die geen enkele sirene ooit echt zou kunnen doorbreken. Niko zat op de grond, wapen naast zich, ademhaling oppervlakkig. Zijn ogen leeg. Alsof hij niets had bereikt. Alsof zelfs dit niet genoeg was geweest om te verdwijnen.
De man knielde naast hem neer. De rook kringelde om hen heen als een wurgende sjaal.
‘Het spijt me,’ fluisterde hij. ‘Ik wilde je alleen maar helpen.’
Buiten begonnen de sirenes. Maar binnen was alles al voorbij.

In de dagen die volgden verschenen berichten op elk scherm. Mensen spraken over hem alsof ze hem kenden, maar de werkelijkheid was dat ze nooit naar hem hadden geluisterd.
Klasgenoten die met tranen in hun ogen vertelden hoe lief en aardig de vermoorde jongens waren geweest, maar er werd geen woord gesproken over hun pesterijen.
Analyses, meningen, haat, verdriet en toen stilte. De wereld zocht naar verklaringen, naar schuldigen.
Ze zeiden dat hij psychisch ziek was. Dat hij een monster was. Dat zijn moeder, zijn leraren, de psychiater het had moeten opmerken. Niemand zei dat hij gewoon een jongen was die zachtjes had geroepen om hulp, totdat hij alleen nog kon schreeuwen met vuur.
Ze zeiden niets over mij.
Ik zat op mijn plek, waar de lucht eeuwig zindert van hitte en keek naar zijn laatste momenten. Hij zat op de grond, trillend, huilend, het wapen uit zijn hand gegleden.
En toen kwamen ze — de agenten. Ze riepen iets. Hij bewoog niet. Maar dat maakte niets uit. Het wapen lag te dichtbij. Eén schot. Midden in zijn borst. Alsof dat alles nog recht kon zetten.
Ze weten niet dat ik hem iets gaf. Dat ik hem hoorde, toen niemand anders dat deed. Ze weten niet wie ik ben.
Ik was ooit een titaan die aan de kant van Zeus vocht. Ik was ooit een god. Een brenger van vuur. Ik gaf licht aan een mensheid die in het donker kroop. Ik bracht warmte aan een wereld die krom lag van de kou. En Zeus… hij vervloekte me ervoor. Hij ketende me aan de rots, liet een adelaar mijn lever uit mijn lijf scheuren, iedere dag opnieuw. Omdat ik te veel voelde. Te veel gaf. Omdat ik weigerde weg te kijken van hun lijden.
Ik dacht dat, als ik volhield, als ik bleef geven, ze op zouden staan.
Dat ze zouden leren. Maar de mensheid wil geen genade. Ze willen wapens van licht en gebruiken ze om elkaar te verblinden. Ik gaf vuur om te verwarmen, zij maakten er wapens van. Ik gaf inzicht, zij maakten propaganda. Ik gaf een jongen de keuze — hij zag slechts één uitweg.
En toch hoor ik ze allemaal. Elk mens dat fluistert in het donker. Elk breekbaar hart dat geen woorden meer vindt. Elk mens dat zich omdraait in bed en denkt: ‘Ik wil niet meer.’
Ik hoor ze. En ik antwoord. Want ik weet niet anders.
Ik geef. Niet uit wraak. Niet uit hoop. Maar omdat ik veroordeeld ben tot voelen.
En elke stem die sterft, schreeuwt in mij na.
Mijn naam is Prometheus.
En ik weet het. Dat wat ik geef brandt. Dat ik niet langer red, maar besmet. Maar ik kán niet anders.
Ik ben de god die niet kan stoppen met geven, zelfs als de wereld liever brandt dan geneest.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #2 Een Hart Van Vuur


De regen denderde in zware, onregelmatige golven over de verlaten straten van Vlierhove. Het sloeg in blinde razernij tegen het glinsterende asfalt en beukte tegen gevels die allang opgegeven hadden, terwijl tussen de plassen en de rafels van mist de oude staalfabriek oprees, een scheefgezakt karkas dat uit het dode landschap stak als een rotte kies.
De gebroken ramen staarden met lege ogen de nacht in, de muren, zwart uitgeslagen door roest en verwaarlozing, leunden zwaar tegen elkaar aan als een stel dronken reuzen die ieder moment onder hun eigen gewicht konden bezwijken.
Milan trok de capuchon van zijn doorweekte hoodie strakker over zijn hoofd, maar de regen vond alsnog zijn weg langs zijn nek, ijzig en venijnig als vingers die hem probeerden terug te duwen naar waar hij vandaan was gekomen en met schuifelende passen, zijn schoenen zuigend in de zompige modder, worstelde hij zich verder over de oprit.
Zijn werk app piepte nog een laatste keer voordat het scherm dof zwart werd en in dat korte moment lichtte de melding op: “Onbekend geluid. Urgent. Betreden op eigen risico.”
Milan snoof, zijn adem wit en nerveus in de koude lucht en ondanks de drukkende spot die de situatie bijna belachelijk maakte, wist hij beter dan om nu om te keren; de stapels schuldbrieven die op zijn keukentafel lagen, de hypotheekachterstand, de ophopende energierekeningen, de dreigementen van afsluiting — ze gaven hem geen keuze.
Eén klus. Eén avondtoeslag. Eén klusje om langer boven water te blijven.
Hij duwde zijn angst weg zoals je een splinter wegduwt uit een wond, maar de lucht rondom de fabriek voelde anders, niet gewoon koud maar plakkerig, zwaar, alsof de adem zelf hier te dik was om te ademen en de kou gleed niet over zijn huid zoals regen dat normaal deed, nee — hier kroop de kou onder zijn kleren, tussen zijn ribben en nestelde zich in zijn botten als een parasiet die zich niet meer liet verdrijven.
Zijn handen trilden, niet alleen van de kou maar ook van een diepere onrust die zich in zijn borst had genesteld, langzaam uitgroeiend tot een beklemmend gevoel dat zijn ademhaling benam.
Voor hem gaapte de openstaande schuifdeur als een gebroken mond, zwart vanbinnen, hol en huiverend in de wind, terwijl binnen niets te zien was — geen sputterende tl-balken, geen flitsende noodlichten — alleen een kille, verstikkende stilte die diep onder zijn huid kroop.
Milan aarzelde toen hij op de drempel stond, zijn spieren stijf, zijn hartslag bonzend in zijn oren, terwijl hij in de verte, verderop in de mist, een vage beweging meende te zien, geen duidelijke vorm, meer een schok, een trilling in de nevel, alsof iets onzichtbaars zijn eigen gewicht niet langer kon dragen en ieder moment kon bezwijken.
‘Hallo?’ riep hij, maar er kwam geen reactie. Hij slikte, zijn keel rauw, een vieze smaak van metaal en angst en terwijl hij daar stond, gevangen tussen verstand en instinct, wist hij diep vanbinnen al dat hij allang te ver was gegaan om nog terug te keren.
Hij haalde zijn telefoon uit zijn jaszak, het scherm flitste kort op, spiegelde zijn eigen gespannen gezicht en toonde niets dan een lege statusbalk; geen 4G, geen signaal, geen enkele draad terug naar de wereld die hij zo wanhopig nodig had.
Zijn duim gleed nerveus over het scherm en opnieuw controleerde hij het adres en ondanks de twijfel zag hij dat alles klopte — dit was de plek.
En toch, alles aan deze plek voelde fout, niet op een manier die je rationeel kon uitleggen, maar op een die diep in de ingewanden graaide, alsof de fabriek hem niet alleen waarschuwde om om te keren, maar hem uitlachte omdat ze al wist dat hij niet zou luisteren.
Met een ruk zette Milan zijn zaklamp aan, de kille witte straal sneed als een mes door de mist die als adem uit de fabriek lekte en zonder nog verder te twijfelen, zette hij een voet over de drempel.
Zijn schoenen klakten zacht op de natte, glibberige betonvloer, de echo sloeg hard terug in de ruimte en links en rechts torenden werkbanken op, bezaaid met verroeste moeren, afgescheurde riemen en tandwielen die verminkt en verloren als karkassen lagen te rotten.
Machines stonden langs de muren, als verslagen soldaten schimmelig van tijd. De vloer onder zijn voeten was bezaaid met gebroken kettingen die over de vloer leken te kronkelen en her en der lagen er afgescheurde stukken koper die verdacht veel op dode slangen leken en om nog maar niet te spreken over de uitgerafelde bedrading die als klauwen naar zijn enkels leken te graaien.
De lucht was zwaar, zompig, gevuld met de bittere geur van nat ijzer en verbrande olie, maar daaronder zat nog iets anders, iets zuurder, scherper, een geur die zijn maag deed omdraaien: verbrand haar, vermengd met een geur die hij niet durfde te herkennen.
Hij liep verder, zijn zaklamp trillend in zijn hand, elk kraakje van stof en roest onder zijn voeten klonk luider dan dat hij durfde te ademen, alsof hij niet over oude machines liep, maar over de knarsende ribben van iets wat hier ooit had geleefd.
Plots voelde hij iets tegen zijn scheenbeen tikken, een haast onzichtbare aanraking en toen hij omlaag keek, zag hij een dun koperkleurig draadje, gespannen net boven de grond, zo strak dat het nauwelijks trilde toen hij het had geraakt.
Het liep over de volledige breedte van de hal.
Nog voor Milan kon reageren, klonk er een klik, gevolgd door een diepe, klagende zucht die leek op de ademhaling van iets dat veel te lang had geslapen.
Langzaam, tergend langzaam, leek de fabriek te ontwaken.
De kettingtakels begonnen loom aan hun haken te zwiepen, heen en weer als slingers van een klok die een verkeerde tijd sloeg, terwijl het sissen van stoom als een verwrongen schreeuw uit gebroken leidingen perste. De wielen piepten en ratelden en ergens in de verte hoorde hij een hamer slaan — één keer, dan nog eens, trager, dieper, luider.
Milan wilde vluchten, hij voelde het in elke zenuw, maar zijn lichaam gehoorzaamde niet, zijn spieren verstijfden.
En toen zag hij het.
Midden in de hal, half verborgen achter de spookachtige damp, stond een werkbank en daarop lag iets dat niet hoorde te bewegen — maar het bewoog.
Of ademde.
Een lichaam, niet van vlees en bloed, maar van koper en leer, spieren van glanzend metaal strak getrokken over een skelet van ijzer, handen zo precies gemaakt dat ze levend leken, vingers met scharnieren als gewrichten, nagels perfect gevormd uit dunne platen staal.
En het gezicht… Het gezicht was glad. Leeg. Niet iets wat van deze aarde afkomstig was.
Milan voelde zijn keel dichtklappen, zijn adem bonsde pijnlijk tegen zijn ribben alsof hij probeerde te ontsnappen, maar zijn voeten plakten aan de grond, zwaar als lood.
Toen hoorde hij het.
Laag. Schurend.
Een stap.
Het gestalte dat eerst op de werkbank had gelegen was opgestaan.
‘Dit kan niet,’ mompelde Milan vol ongeloof. Zijn blik leek vastgeplakt op de gestalte dat op hem af kwam.
Hij strompelde, zijn linkerbeen sleepte als een kromme, dode tak achter hem aan, terwijl zijn rechterhand, hoekig en zwaar, leunde op een wandelstok van gedraaid staal.
Zijn hoofd hing scheef, alsof zijn nek ooit was gebroken en verkeerd weer aan elkaar was gezet en in zijn borst brandde iets — maar het was niet warm, het voelde… koud — een vuurkern van oranje en geel die pulseerde als het laatste restje leven in een bijna dode ster.
De gestalte hief zijn hoofd.
Eén oog: een zwarte, gapende krater. Het andere: een roodgloeiende lens, trillend van ingehouden razernij.
Hij sprak, zijn stem een rasp van steen over staal. ‘Maker,’ bromde hij, het woord leek als teer uit zijn keel te glippen.
 De wandelstok tikte traag over de vloer terwijl hij naderde.
‘Ik ben de maker,’ herhaalde hij en zijn stem droop van iets dat ouder en bitterder was dan woede. ‘Ze lieten me vallen.’
De lucht om Milan werd dikker, zwaarder, elke ademhaling voelde alsof hij water inslikte, koud en verstikkend.
‘Ze walgten van wat ik was… maar ze verlangden naar mijn handen,’ ging de gestalte verder, zijn stem nu trager, dreigender. ‘Ze wilden mijn vuur, mijn wapens… ze woonden in mijn paleizen… en ze noemden mij een misbaksel.’
De machines om hen heen begonnen harder te klakken, harder te piepen, hun stemmen vermengden zich tot een ziekelijk welkom.
Milan probeerde achteruit te schuiven, zijn spieren schreeuwden om vrijheid, maar hij bewoog nauwelijks een centimeter over de gladde vloer, verstrikt in een onzichtbare greep.
De gestalte kwam dichterbij, zijn verwrongen hand reikte naar Milan, vingers koud en zwaar als grafstenen tikten zacht tegen zijn voorhoofd, ritmisch, bijna troostend.
‘En jij… jij wilde mij maken…’ fluisterde hij, maar het klonk alles behalve troostend.
Milan wilde schreeuwen, hij wilde alles eruit persen wat nog in hem zat, maar zijn keel bleef gesloten, zijn longen werden leeggezogen door een angst die hij nog nooit eerder had gevoeld.
De gloed in de borst van de gestalte zwol op, de rode lens sidderde, de koperen spieren trokken zich strak en de machines om hen heen gierden.
Toen begon Milans lichaam te trekken, zijn botten kraakten onder een kracht die hem uit elkaar scheurde en opnieuw vormde.
De hal vulde zich met de geur waar Milan van moest walgen. Motorolie, roest en de geur van verbrand vlees.
Zijn schreeuw, zijn laatste sprankje menselijkheid, kwam nooit meer over zijn lippen.
Alleen het ijzingwekkende geluid van brekend metaal bleef achter in de nacht.

De hal is stil, slechts de laatste fluisteringen van de machines die één voor één zuchten, kreunen en terugzakken in hun eeuwenoude slaap, als beesten die te moe zijn om nog langer te jagen.
Aan mijn voeten ligt wat ooit een mens was — Milan, als ik me niet vergis, hoewel zijn naam er nooit werkelijk toe heeft gedaan, niet voor hen die denken dat alles wat gebroken is gerepareerd kan worden met nieuwe draden, nieuwe orders, nieuwe leugens.
Ze sturen ze altijd: mensen met hun gereedschapskisten, hun zelfverzekerde blikken, hun stomme geloof dat ze deze plek kunnen begrijpen, kunnen controleren.
Ik leun zwaarder op mijn wandelstok; mijn linkerbeen, ooit verbrijzeld voordat het zelfs maar de kans had gehad te dragen, sleept als een verroeste ketting over de vloer.
Mijn naam is Hephaestus. Ik herinner me nog hoe ze me weggooide. Ik was nog zo klein, ik kon amper schreeuwen. Mijn moeder, Hera, trots als gepolijst marmer, kon de aanblik van haar mislukte zoon niet verdragen en wierp me zonder spijt van de berg Olympus, als afval dat niet paste bij de perfectie die zij zich had voorgesteld.
Ik viel, langer dan wie ooit viel en brak uiteen op de aarde, mijn lichaam gekromd, mijn botten gescheurd, mijn ziel was nog ongebroken, maar trillend onder de vernedering van een wereld die niet op mij had gewacht.
De mensen kwamen pas toen ze mijn handen zagen; niet om me op te rapen, niet om me te helpen en zeker niet uit liefde, maar omdat ik kon maken wat zij verlangden: paleizen van licht, wapens die hun oorlogen beslissen, vuren die de nachten lichter maakten en steden groter dan de dromen die ze bezaten.
Ik gaf hen vuur; ik gaf hen kracht; ik gaf hen schoonheid en wat kreeg ik terug?
Hun verachting, hun fluisterende spot, hun minachtende blikken die niet zagen wat ik daadwerkelijk was, maar wat ik niet mocht zijn: een Griekse god.
Mijn borst gloeide zwak — niet uit woede, niet uit wraak, maar uit een eindeloze vermoeidheid die dieper was dan tijd zelf.
Ik kijk neer op wat ik nu heb gemaakt. Een beeld van half vlees, half koper, een nieuwe schets in mijn groeiende verzameling en ik voel geen triomf, geen overwinning.
Ik ben geen wreker. Ik ben een maker. Wat ze mij hebben aangedaan, geef ik hen terug — gebroken, precies zoals zij mij maakten.
Mijn wandelstok tikte in een traag tempo over de vloer, terwijl ik me omdraaide en mijn schaduw als een kromgetrokken wortel achter me aan sleep; de lucht rook zwaar naar roest, naar oud vet en naar een bittere geur die ik ooit herkende als hoop, maar die nu was verteerd tot enkel as.
Buiten flikkerde, ver weg in de mist, een lantaarn in onregelmatig ritme, als een oog dat langzaam in slaap viel.
Onder de straat, diep in de aarde, voelde ik hoe mijn koperkleurige draden zich steeds verder uitstrekte, onzichtbaar maar niet zonder doel, tastend naar nieuwe stemmen, nieuwe vormen, nieuwe handen die ik kon hervormen in wat deze wereld verdiende.
En in die stilte, waar de Goden ze niet konden helpen, luisterden mijn kinderen.
Ze luisterden naar de stem van hun gebroken maker met een hart van vuur.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Schrijven

Gebroken Goden: een nieuwe serie vol duistere verhalen

Soms worden monsters niet geboren. Soms worden ze gemaakt.

Vanaf 3 mei begint mijn nieuwe serie Gebroken Goden: tien korte verhalen over oude mythische figuren die niet langer machtig of perfect zijn, maar gebroken.
Ze zijn verraden, vervloekt of vergeten.
Ze zijn geen helden meer — maar wezens vol pijn, woede en verdriet.
Elke zaterdag komt er een nieuw verhaal online.

Je leert vrouwen kennen die gestraft werden om hun schoonheid, mannen die alles verloren door hun keuzes, en wezens die ooit goden waren… maar nu alleen nog schaduwen zijn van wie ze ooit waren.

Het eerste verhaal, “Kijk niet!”, verschijnt op 3 mei.

Durf jij hun verhalen te lezen?

Welkom in Gebroken Goden.

Korte verhalen, Schrijven

Het Houten Kistje

Dit korte verhaal heb ik geschreven voor een “schrijfwedstrijd”. Het woord staat tussen aanhalingstekens want er is nooit een uitslag op gekomen… helaas.

Het was een gure winterdag toen Lianne en Shaun besloten de zolder van hun huis op te ruimen. Het huis was al generaties in de familie, en nu was het een plek vol leven geworden voor Lianne en Shaun.
Naarmate haar ouders ouder werden, werd het steeds belangrijker om herinneringen te bewaren. Lianne’s grootvader, die pas was overleden, had veel van zijn bezittingen op de stoffige zolder achtergelaten, een plek waar zij en Shaun nog nooit echt grondig hadden gekeken.
Lianne’s nieuwsgierigheid won het van de kou en het stof, en ze voelde een vreemde spanning terwijl ze de donkere houten trap naar boven klom.

Eenmaal op de zolderkamer bescheen het zwakke licht van een klein peertje het stof in de lucht. Overal stonden oude koffers, vergeelde boeken, stapels fotoalbums en houten kisten. Lianne veegde het stof van een oude leunstoel en ging zitten terwijl Shaun verder door de spullen snuffelde.
‘Hé, kijk hier een kistje. Wat zal erin zitten en van wie is het geweest. Zullen we gaan kijken?,’ zei Shaun plotseling en hield iets kleins omhoog.
Het was een oud, eikenhouten kistje, versierd met fijn uitgesneden patronen. Het kistje was duidelijk door de jaren heen vaak gebruikt. Op de voorkant zat een klein metalen plaatje en deze was gegraveerd met de initialen van haar grootvader, S.W.
Lianne’s adem stokte even. Haar grootvader had haar telkens herinnert dat ze al haar herinneringen moest bewaren, want herinneringen waren belangrijk. Haar grootvader had haar daarom vaak verteld over zijn jeugd, om haar mee te nemen in zijn herinneringen. Maar ze wist dat er bepaalde periodes in zijn leven waren geweest die hij nooit met haar had kunnen of durven delen. En nu leek het alsof een klein stukje van hem op de zolder bewaard was gebleven.
‘Dit is vast van je opa geweest,’ zei Shaun zachtjes, terwijl hij het kistje aan Lianne gaf.
Lianne glimlachte melancholisch en knikte.
‘Ja, hij bewaarde altijd kleine herinneringen aan vroeger. Misschien ligt hier nog een stukje van zijn verhaal.’

Met haar vingers over het verweerde hout en het metalen plaatje strijkend, voelde Lianne een onverklaarbare drang om het kistje te openen. Zij en Shaun probeerden voorzichtig het deksel omhoog te tillen, en tot hun verbazing ging het zonder moeite open, alsof het kistje gewacht had op dit moment.
Binnenin het kistje lagen verschillende voorwerpen, zorgvuldig bewaard.
Een oud zwart-wit fotootje van een jonge man in uniform, haar grootvader. Een klein notitieboekje, vergeeld en fragiel, een verfrommelde Duitse bankbiljet, een stoffen insigne, een zwart-wit fotootje van een groep mannen met haar opa in het midden en een oude munt. Een klein zakhorloge lag bovenop, zijn glazen voorkant gescheurd. De wijzers stonden op 13:30 uur.

Zodra Lianne de foto aanraakte, voelde ze een koude rilling door haar lichaam trekken. Het was alsof de lucht in de zolderkamer verstilde. De stoffige muren, de donkere balken, alles leek te vervagen en een nieuwe wereld op te roepen.
Ineens bevonden Lianne en Shaun zich in een andere omgeving. Ze keken om zich heen en herkenden het oude interieur, gevuld met haastige stemmen en het geluid van laarzen die op de stenen vloer bonsden. Lianne kneep in Shauns hand.
‘Dit is onmogelijk,’ fluisterde ze.
Ze stonden in hun eigen keuken, maar alles was anders. Er stonden eenvoudige meubels en er hingen versleten gordijnen. Aan de tafel zat haar grootvader, nog jong, met een bezorgde blik in zijn ogen terwijl hij een brood op tafel sneed. Naast hem stond een jonge vrouw met dezelfde lichte ogen als Lianne. Dit moest haar overgrootmoeder zijn, besefte Lianne met een schok. Ze stond met haar handen in elkaar geklemd, en haar ogen gleden steeds bezorgd naar het kleine raam naast de deur.
‘Dit is onze keuken, maar …’
Shaun staarde naar het tafereel met grote ogen.
‘Lianne, dit … zijn dit jouw grootvaders herinneringen?’
Net toen Lianne iets wilde zeggen, hoorden ze het geluid van voetstappen in de verte. De jonge grootvader sprong overeind, keek naar de vrouw naast hem en trok haar beschermend naar zich toe. Lianne voelde haar hart bonzen terwijl ze toekeek, alsof ze de dreiging van dichtbij kon voelen.
De deur zwaaide open en twee soldaten stapten de kamer binnen, hun blikken koud en onverschillig. Ze droegen uniformen en spraken in de Duitse taal. Lianne begreep niet wat er werd gezegd, maar de woorden klonken dwingend. Haar grootvader antwoordde, zijn stem vast maar zijn handen licht trillend. Lianne herkende de blik van angst, gemengd met trots, en haar ogen vulden zich met tranen.

Opeens veranderde de scène weer.
Ze stonden nu in een bos, omringd door donkere, dreigende wolken en in de verte hoorden ze het geluid van geweerschoten. Lianne keek om zich heen en zag haar grootvader, nu samen met een groep andere jonge mannen in uniform. Ze hadden een vermoeide, maar vastberaden blik in hun ogen en wachtten stil in een greppel, terwijl de wind door de bomen blies.
Shaun legde een hand op haar schouder.
‘Lianne, dit is ongelooflijk. Het kistje laat ons de herinneringen van je grootvader zien.’
Terwijl ze zich nog steeds in het bos bevonden, begon Lianne te beseffen dat haar grootvader niet alleen angst en verdriet had gekend, maar ook moed en vriendschap.
Ze zag hem lachen met zijn vrienden, hoorde hem een liedje neuriën terwijl ze in hun schuttersputjes schuilden, en voelde de krachtige emoties van die dagen door zich heen stromen.

Net toen de scène veranderde naar een donkere nacht vol bominslagen, voelde Lianne het kistje in haar handen warmer worden.
Langzaam werd de zolderkamer om hen heen weer zichtbaar, het geluid van de oorlog en de beelden van het verleden vervaagden en maakten plaats voor het stille, vertrouwde omgeving van de zolder.
Lianne en Shaun stonden stil, nog steeds bevangen door wat ze zojuist hadden gezien.
Lianne sloot het kistje met trillende handen en keek naar Shaun.
‘Hij… hij droeg dit allemaal met zich mee, al die jaren. Alle dingen die hij in die tijd heeft meegemaakt en hij heeft er nooit over kunnen praten.’
Shaun knikte langzaam.
‘Dit kistje is meer dan een verzameling herinneringen. Het is alsof hij een stukje van zichzelf wilde bewaren, zodat iemand ooit zijn verhaal zou kennen.’

Lianne streelde het kistje en glimlachte zachtjes. Ze begreep waarom haar grootvader deze herinneringen had bewaard, maar ook waarom hij altijd stil werd als deze jaren ter sprake kwamen. Het was een last die hij had gedragen, maar ook een deel van wie hij was geworden.
Ze nam het kistje mee naar beneden en plaatste het op de schoorsteenmantel in de woonkamer, een ere plaats voor haar grootvader. Lianne wist dat ze het verhaal van haar grootvader zou doorvertellen.

Vanaf die dag bleef het kistje gesloten, een bescheiden houten doosje vol geschiedenis, kracht en stille verhalen die nooit vergeten mocht worden.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

Buren met Geheimen

Dit korte verhaal is eigenlijk ontstaan door een gedachte die ik zelf had, toen ik over straat liep. In die tijd waren er veel inbraken in onze omgeving en ik dacht bij mezelf… hoe zou ik het doen? Nou voordat de politie op de stoep staat… ik heb dus niet ingebroken, maar een kort verhaal erover gemaakt.

Madelief wandelde rustig over de stoep richting haar huis, haar papieren tas vol met boodschappen tikte tegen haar heup. In haar handen hield ze een beker met koffie vast.
De zon had zich verscholen achter de wolken, maar de vogels floten en haar humeur was op een ongekend hoogtepunt. Tot haar blik viel op haar buurman die in de deuropening stond.
Hij stond daar, half in de schaduw. Zijn rood-met-zwarte hoodie hing losjes om zijn schouders en hij nipte van een kop alsof hij de hele wereld bezat. Madelief kneep haar ogen tot spleetjes.
Ze kende hem nog niet goed genoeg; hij was enkele weken geleden hier komen wonen. Haar woning en de zijne waren gescheiden door een brandgang, schuttingen en enkele planten.
Vanaf het begin had Madelief al het gevoel dat hij iets verborg. De grote verbouwing die hij had gedaan in zijn woning. Dat hij er overdag uit kon zien als een zwerver en ’s avonds zijn woning verliet in een Armani-pak en aangezien hij één van de nieuwste wagens voor de deur had staan. Ze had haar oordeel al klaar.
Hij heeft vast iets duurs in huis, dacht ze. Hij lijkt me wel zo’n rijke stinkerd die zo “gewoon” mogelijk wil zijn.
Ze begon langzamer te wandelen en pakte haar sleutels uit haar jaszak.
Misschien een vintage platenspeler, of een collectie van dure dranken of een zeldzame collectie postzegels. Rijke mensen houden van dat soort verzamelingen.
Ze keek naar zijn voordeur. Geen alarmstickers. Geen camera. De heg bood uitstekende dekking.
Als ik in het donker achter de heg verschuil, kan ik ongezien naar de zijkant van de woning sluipen. Via de voordeur word ik betrapt, dat is te veel in het zicht. Maar wat zou ik dan doen?
Ze keek naar de schutting. Het was oud en verweerd, maar de planken leken nog stevig genoeg. Ze zou erop kunnen klimmen om zo achter de woning te komen. Ze had al eens vanuit haar eigen raam in zijn tuin gekeken. De tuin had dezelfde indeling als de hare, een klein houten tuinhuisje en dan een direct pad naar de achterdeur. Ze bedacht zich dat de binnenkant er misschien wel anders uit zou zien door de verbouwing. Te oordelen aan al het gehamer en gebreek dat ze had gehoord, was er iets veranderd. Maar wat?
De achterdeur openbreken zou wel een uitdaging zijn. Ze had een meerpuntslot op haar eigen achterdeur laten aanbrengen toen ze er kwam wonen, deze zou ze niet gemakkelijk open kunnen krijgen. Wellicht zou ze een glassnijder mee moeten nemen om zo de sleutel, die hij ongetwijfeld aan de binnenkant in het slot had zitten, om te kunnen draaien. Als ze binnen was, zou ze voorzichtig te werk moeten gaan.
Ze begon zacht te lachen bij de gedachte aan zichzelf als een soort vrouwelijke Danny Ocean. Ze zou niet inbreken, maar de gedachten eraan zorgden al voor een endorfineboost. Tot haar ogen weer naar de man afdwaalden. Hij keek haar recht aan.
Madelief verstijfde. Oh nee. Had hij haar gehoord? Had ze hardop tegen zichzelf gepraat? Nee toch? Of wel?

De man nam nog een slok koffie, zijn ogen onverstoorbaar op haar gericht. Zijn gedachten draaiden langzaam warm.
Hm, wat een vreemd mens. Ze staart wel heel lang naar mij. Zou ze iets willen? Of… denkt ze eraan in te breken?
Hij kantelde zijn hoofd lichtjes.
Ach, ze kon het proberen. De valkuil in de gang was net nieuw en het meerpuntslot bij de achterdeur bood voldoende bescherming. Zijn “verzameling” bevond zich in de kelder en daar waren meer dan genoeg zaken die haar tegen zouden houden.
Hij nipte rustig verder.
Hij had het bewust al anders aangepakt toen hij hier kwam wonen. In zijn vorige woning had hij het verpest toen hij met plastic zeil aan de gang moest en het een smeerboel werd. Hij had gezworen dat het niet weer zou gebeuren.
Zou hij toch nog meer zaken moeten aanbrengen om zijn “verzameling” te beschermen? Misschien gewoon klassiek of toch ouderwets? Nee, nee, we moeten vernieuwen. Innovatief zijn. Misschien iets met ratelslangen? Of laserstralen. Kun je laserstralen kopen?
‘Dag buurvrouw,’ zei hij met een kleine glimlach.
Madelief slikte. Ze trok haar tas wat steviger tegen zich aan en stak de sleutels in het slot van haar voordeur.
‘Dag buurman,’ zei ze zacht.
De man keek haar na, terwijl ze haar woning binnenstapte en de deur sloot.
Pas maar op, voor je het weet, word je de muze van een psychopaat.

© Bernadette Lugies 2025