De muziek van het feest trilde nog als een doffe echo in Luca’s oren, terwijl hij zijn jas strakker om zich heen trok en het troosteloze park in stapte.
Het feest was niet geworden wat hij zich had voorgesteld — misschien ook nooit kon worden — want Luca was nooit iemand geweest die vanzelf tussen anderen viel.
Weinig vrienden, vluchtige bekenden; zijn moeder had hem aangedrongen om te gaan, had gezegd dat het goed voor hem zou zijn, nieuwe mensen, nieuwe kansen.
Maar in het midden van een zee van vreemden, waar gezichten oplichtten in het felle blauw van telefoonschermen en waar gesprekken kabbelden als lege beekjes over alcohol gevulde rotsen, was hij meer alleen geweest dan ooit.
Niemand merkte het toen hij vertrok, geen hoofd dat zich omdraaide, geen stem die zijn naam riep.
Hij liep de nacht in, koud en zwaar, alsof de wereld zelf hem onzichtbaar had verklaard.
Zoals altijd koos hij de kortste weg naar huis — dwars door het park, onverschillig voor de verhalen die hij als kind had gehoord, over stemmen die fluisterden uit de mist en schaduwen die je beter niet kon zien.
Zijn telefoon trilde zwak in zijn hand; hij wierp een blik op het scherm. Shit, nog drie procent batterij — een breekbaar lijntje met de wereld dat elk moment kon breken.
De mist trok tussen de bomen als adem die niet van deze wereld was, zwaar op zijn borst, klevend aan zijn kleren en terwijl hij zijn pas versnelde, gleden zijn sneakers gevaarlijk over het natte asfalt
Boven hem begon een straatlantaarn te knipperen, licht krampachtig alsof het de laatste stuiptrekken waren van iets dat allang dood had moeten zijn.
In eerste instantie dacht hij dat hij zich vergiste toen hij het hoorde — een melodieuze hese stem dat een lied, zacht en breekbaar zong. Een melodie die zich als fijne draden rond zijn gedachten wond, ouder dan de stad, ouder dan de bomen die zich als wachters om hem heen leken te sluiten.
De woorden droegen op de wind, troostend en kil tegelijk:
‘Slaap, mijn lief, sluit je ogen toe,
de nacht waakt zacht, de sterren zien toe.
De wind wiegt je hoog, de zee zingt je laag,
slaap, mijn kind, tot de nieuwe dag.’
Zijn passen vertraagden, zijn hart klopte sneller zonder reden die hij kon benoemen en daar, onder de kapotte straal van een stervend lantaarnlicht, zag hij haar: een vrouw, ineengedoken, een verfrommelde figuur van vodden en nevel, haar hoofd gebogen, haar armen om zichzelf geslagen alsof ze de nacht probeerde buiten te houden.
Even dacht Luca dat ze een zwerver was, een junkie misschien, iemand verloren in haar eigen wereld van gebroken dromen en hoewel alles in hem schreeuwde dat hij moest doorlopen, vond hij zichzelf toch stap voor stap dichterbij komen, alsof de mist zelf zijn benen vasthield.
‘Mevrouw?’ riep hij, zijn stem schor en klein in de verstikkende stilte.
De vrouw bewoog.
Langzaam, alsof elke beweging haar meer pijn deed dan de vorige, tilde ze haar hoofd op en toen haar gezicht zichtbaar werd, bevroor Luca waar hij stond; haar huid was gescheurd en schilferig, alsof de tijd haar had opgegeten en waar haar ogen hadden moeten zijn, gaapten holtes, zwart en glanzend als opgedroogde meren onder een troebele maan.
Toch, in een fractie van een seconde, flitste iets door hem heen — een herinnering die niet de zijne kon zijn: een jonge vrouw, prachtig en vol leven, haar ogen sprankelend van licht en liefde, haar lippen glimlachend tegen een kind dat veilig in haar armen lag.
Het beeld verdween zo snel als het gekomen was.
Ze bewoog langzaam, alsof haar botten aan draden hingen die te strak waren gespannen, haar gewrichten knakkend in onnatuurlijke hoeken terwijl ze overeind kwam. Ze leek op een marionet waarvan de poppenspeler het liet bewegen.
Het licht van de stervende straatlantaarn gleed over haar verschrompelde huid, over de rafelige randen van wat ooit een menselijk gezicht was geweest.
Voordat Luca zijn lichaam tot actie kon dwingen, gleed ze naar hem toe, geluidloos, haar armen uitgestrekt met vingers als gekromde haken en een stem, zacht en gebroken als nat papier, brak door de mist heen: ‘Laat me je vasthouden, mijn kind… ik wil je alleen maar omhelzen.’
Paniekgolven trokken door Luca’s lichaam, rukten aan zijn spieren, maar hij voelde de lood in zijn schoenen. Zijn lichaam weigerde te bewegen, zijn handen trilden nutteloos aan zijn zijde terwijl zijn telefoon uit zijn hand gleed en kapot brak op het asfalt.
Hij zag hoe haar hand naar hem reikte, zag hoe de grijsblauwe huid over scherpe botten gespannen stond, hoe uit haar nagels fijne scheurtjes bloed sijpelden alsof zelfs haar lichaam haar wanhopige aanraking probeerde tegen te houden — maar het was te laat.
Haar vingers streelden zijn bovenarm. Als gladde alen gleden ze over zijn bovenarm naar zijn hand. Toen ze zijn hand raakte sneed de kou direct door zijn vlees heen, als messen van ijs die zijn zenuwen lamlegden en waar haar huid hem raakte, voelde hij zijn eigen bloed stollen.
Ze trok hem tegen zich aan met een kracht die onmogelijk leek voor iets dat zo gebroken was. Haar armen om hem heen voelden als kettingen van bedorven liefde, haar lichaam rook naar verrotte aarde en natte steen, maar ergens, ergens diep onder de rot, hing nog een geur — heel vaag — iets dat ooit naar jasmijn had geroken.
‘Rust nu maar,’ fluisterde ze, haar stem trillend tegen zijn oor, haar adem klam en ruikend naar oud graf. ‘Je bent niet meer alleen.’
Luca probeerde zich los te worstelen, een rauwe kreet ontsnapte aan zijn keel, maar haar greep was te sterk, haar wanhoop te zwaar.
Hij voelde haar handen over zijn rug glijden, niet met haat maar met een dwingende tederheid die hem haast brak. Waar ze hem raakten, leek de wereld zelf uit elkaar te rafelen.
Zijn borst werd zwaar.
Zijn hart, dat even daarvoor nog wild had gehamerd, begon te vertragen, zijn slagaderen verkleefd met de ijzige kilte die zich een weg naar binnen wrong.
Hij voelde hoe zijn vingers gevoelloos werden, hoe zijn benen hun gewicht verloren. Hij zag hoe hij langzaam oploste in de mist die hem omhulde.
Haar lippen bewogen nog, vlak naast zijn oor en hij hoorde de woorden die zich als een laatste gebed in zijn bewustzijn wrongen.
‘Droom, mijn lief, onder maanlicht zo koud,
de zee slaapt stil, het bos is oud.
Rust in mijn armen, verdwijn in de nacht,
slaap, mijn kind, ik hou voor je de wacht.’
Zijn zicht werd troebel.
De wereld werd een waterig geheel van lichtvlekken en schaduwen, de contouren van de bomen vloeiden in elkaar als inkt in water.
Zijn benen begaven het onder hem, maar haar armen hielden hem overeind, wiegden hem zachtjes heen en weer, haar kin rustend tegen zijn kruin, haar hele wezen pulserend van een liefde die te ver was gegaan.
De mist trok hem mee, nam zijn adem, zijn laatste gedachten.
En het laatste wat Luca voelde, voordat de nacht hem volledig opslokte, was haar hand, ruw maar hunkerend, haar hartslag als een doffe trom in haar borst — en haar stem, brekend onder de zwaarte van eeuwen van verlies, die hem naar een droom zong die geen ontwaken meer kende.
De mist glijdt over mijn huid als klamme doeken terwijl ik hem in de mist voel verdwijnen. Net zoals mijn eigen kinderen verdwenen. Ik kniel op de grond, mijn handen verstrikt in het dode stro van mijn haar, mijn lege ogen op het kille asfalt gericht dat geen warmte meer kent.
Ik wieg heen en weer, niet om mezelf te troosten, maar omdat mijn lichaam niet anders meer weet.
Ik voel hem nog, de jongen, zijn adem trillend tegen mijn borst, zijn hart dat klopte als dat van mijn dochters, Eurynome en Thelxinoe, lang, lang geleden, toen mijn wereld nog gevuld was met hun gelach en hun kleine vingers die zich om mijn duimen sloten.
Ik wilde hem niet pakken.
Ik wilde hem wiegen.
Ik wilde zijn warmte vasthouden, zijn leven koesteren zoals ik ooit het leven in mijn armen droeg.
Ik wilde hem laten weten dat hij niet alleen is en dat moeders liefde ook voor hem geldt.
Maar de vloek die mij doordrenkt kent geen onderscheid tussen liefde en honger, tussen verlangen en vernietiging.
Ik herinner me nog hoe ik was. Hoe ik lachte onder de zon, hoe mijn huid glansde als zijde en mijn ogen de kleuren van de zee vingen.
Ik was de koningin van Libië, door de goden bemind en door de mensen gezegend.
Ze fluisterden mijn naam als die van een zegen, als een belofte van vruchtbaarheid en voorspoed. Zeus was mijn liefde, de man waar ik van hield. Ik was zijn minnares.
En toen kwam zij…
Hera, met haar woede zo diep als de zeeën, haar jaloezie zo verstikkend als de mist en haar wraak zo scherp als geslepen obsidiaan rukte ze mijn dochters uit mijn armen, liet ze hun stemmen verstillen, hun warmte bekoelen. Mijn prachtige dochters werden door haar vermoord, opgeslokt in de mist.
Daarna nam ze mijn ogen, mijn slaap en mijn dromen.
Ze liet mij echter achter als een omhulsel – wakend, wanhopig, onsterfelijk in een lichaam dat niet langer mooi, niet langer geheel was.
Ze liet mij deze dorst na — deze eindeloze verlangen naar het vasthouden van mijn kinderen. Met een alles verslindende hoop om hun warmte weer tegen me aan voelen.
Ik neurie nog steeds hetzelfde liedje. Het klinkt nog zoals ik het toen voor hen neuriede, zacht, een liedje dat ooit hun dromen droeg en nu alleen nog maar mijn pijn kent.
‘Slaap mijn kind, tot de nieuwe dag…’ Mijn stem breekt halverwege en ik wieg verder, mijn armen leeg, mijn borst hol.
Mijn naam is Lamía.
En waar ik eens leven bracht, breng ik nu slechts leegte.
De mist sluit zich als koude handen om mij heen en terwijl de laatste lantaarn boven mij uitdooft, fluister ik hun namen in de leegte: Eurynome… Thelxinoe…
Misschien, heel misschien, horen zij mij nog.
©Bernadette Lugies 2025

