Korte verhalen, Schrijven

Het Wacht

De flat ligt aan de rand van een industrieterrein, met uitzicht op niets. Een uitgedroogde grasstrook, een half ingestorte fietsenstalling, en in de verte de mist van een waterzuiveringsstation. Het gebouw is grauw. De lift werkt niet. In de gang hangt een geur van oud frituurvet en vocht. Het voelt… bekend.
Mensen vermijden elkaar hier. Niemand vraagt hoe het gaat. Niemand kijkt langer dan nodig. Het is alsof iedereen zich ergens van bewust is, iets wat ze liever niet benoemen.
Ik heet Thomas Veenstra. Ik ben alleen. Na mijn opname zijn ze ermee akkoord gegaan dat ik hier kwam wonen. Ze vonden dit een ‘geschikte woonruimte voor herstart in de maatschappij’. Eén slaapkamer, kleine keuken, geen balkon. Ik hoefde alleen maar opnieuw te leren slapen. Ademhalen. Stil zijn.
De eerste nacht werd ik wakker van een geluid.
Tik…
Tik…
Tik.
..
Drie tikken, ritmisch, tegen de muur naast mijn bed. Eerst dacht ik aan leidingen, of een oude radiator. Maar dit was… kalm. Menselijk bijna. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat. De muur die ik deel met appartement 100C.
De volgende ochtend lag er een briefje onder mijn deur.
Niet opendoen.
In een kriebelig handschrift. Geen uitleg. Geen afzender.
Ik nam het mee naar de keuken, legde het op tafel en staarde er een uur naar. Daarna verbrandde ik het in de gootsteen. Dat voelde als iets wat ik moest doen, al wist ik niet waarom.
Later die dag vroeg ik mijn buurvrouw — Mevrouw Dijkstra, uit 100D — naar het appartement dat tussen ons in zat.
‘Wie woont er in 100C?’
Ze keek me aan met een blik die strakker werd dan nodig. Haar ogen knepen samen, alsof ze iets zag wat ik niet kon zien.
‘Daar woont niemand,’ zei ze.
‘Maar ik hoorde vannacht—’
‘Laat het,’ onderbrak ze. ‘Soms moet je dingen niet willen weten.’

Diezelfde nacht: weer drie tikken.
En de nacht erna.
En de nacht daarna.
Altijd tussen twee en vier uur.
Altijd drie tikken.

Op dag vijf begon ik dingen kwijt te raken. Mijn sleutels. Een aansteker. Mijn kladblok met notities. Dingen waarvan ik zeker wist dat ik ze had. Ik begon mezelf te wantrouwen. Dacht dat ik gek werd. De psychose die terugkwam. Misschien was dat ook zo. Maar het gebouw… begon ook te veranderen.
Lichten knipperden als ik in de gang liep. De lift — die zogenaamd stuk was — ging één keer open en bleef vijf seconden leeg staan, alsof het op me wachtte. De kou op mijn verdieping kroop steeds dichter naar mijn voordeur.
Deur 100C zag er doodgewoon uit. Geen naamplaatje. Geen brievenbus. Gewoon bruin, houten, oud.
En toch… het tapijt ervoor was nét iets minder stoffig dan de rest. Alsof iemand er met regelmaat stond. Lang stond.

Op dag acht kon ik niet meer slapen. Ik ging ‘s nachts op de vloer in de gang zitten, net naast 100C.
Rug tegen de muur. En ik wachtte.
En ik hoorde het.
Geen tikken dit keer. Maar een ademhaling. Langzaam. Zwaar. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat, met zijn oor tegen precies dezelfde plek als ik.
Alsof we samen ademden.

Op een ochtend stond de deur van 100C op een kier.
Millimeterwerk. Maar ik zag het. Het zwart erachter was dieper dan donker. Geen kamer. Geen ruimte. Alleen leegte.
Ik liep ernaartoe. Mijn hand trilde. Net toen ik de klink wilde aanraken, voelde ik een hand om mijn pols.
Mevrouw Dijkstra.
Ze keek me aan alsof ze iets zag wat ik niet zou begrijpen, ook al zou ze het uitleggen.
‘Als je die deur opent,’ fluisterde ze, ‘komt het terug.’
‘Wat komt terug?’
‘Je hoort het al. Elke nacht. Het klopt, Thomas. Om te zien of je wakker bent. Om te weten of je het voelt.’

Twee dagen later stond er een man in een grijs pak voor mijn deur. Kalend, map onder zijn arm.
‘Thomas? Ik ben hier om je op te halen.’
‘Wie bent u?’
‘Je begeleider. Je had hier nog niet moeten zijn.’ Zijn ogen gleden richting 100C. ‘Je bent te vroeg.’
‘Waar ben ik te vroeg voor? Ik mocht zelf een kamer uitzoeken van de begeleiding.’
Hij keek me aan met een blik in zijn ogen dat ik herkende. Ik had het te vaak gezien. Hij dacht dat ik loog, dat ik het me verbeelde en dat mijn fantasie weer met me aan de haal ging.
‘Jij woont hier al,’ hij knikte naar 100C. ‘Maar je bent nog niet ver genoeg om hier te wonen. Het is te vroeg.’
‘Maar ik mocht-’
Hij zuchtte en onderbrak me: ‘Je had een terugval. Wekenlang hoorde niemand iets van je. De politie heeft de deur van 100C opengebroken. Jij zat in de kast. Je herhaalde steeds hetzelfde.’
‘Wat dan?’
Hij keek me aan, lang.
‘Het tikt om te weten of ik luister.’
Ik staarde naar 100C. Ik weet niet meer wat waar is. Misschien ben ik er nooit weggegaan. Misschien woon ik daar nog steeds. Achter die deur.

Ze zeggen dat ik vooruitga. Dat ik goed reageer op de medicatie. Dat ik leer om los te laten.
Ik knik dan. Ik zeg dat ik nergens meer aan denk. Dat de deur dicht is. Dat ik rust heb.
Maar als het ’s nachts stil is…
Tik…
Tik…
Tik…
En ik weet dat het op me wacht.

©Bernadette Lugies 2025

Harry de engelse bulldog, Korte verhalen, Schrijven

Harry en een Lente Avontuur


Het was een prachtige lentedag. De zon scheen fel aan de blauwe hemel en een zachte bries liet de eerste bloemen in de tuin zachtjes wiegen. De lucht rook fris, naar gras en bloesems en overal klonk het vrolijke gezang van vogels die elkaar begroetten.
Harry lag languit op het gras. Zijn ogen waren half gesloten terwijl hij genoot van de warme zonnestralen op zijn vacht. Af en toe bewoog zijn staart een klein beetje, maar verder lag hij zo stil als een steen. Dit was het perfecte moment om te luieren.
Plots hoorde hij een zacht gefladder vlak boven zijn kop. Het klonk als iets kleins dat snel met zijn vleugels bewoog. Harry opende één oog en keek verbaasd omhoog. Net boven zijn neus fladderde een kleine vlinder met prachtige felgekleurde vleugels.
‘Hallo daar!’ riep de vlinder vrolijk, terwijl hij vlak voor Harry’s neus bleef zweven.
Harry tilde zijn kop op en keek nieuwsgierig naar het kleine wezentje.
‘Hallo! Wie ben jij?’ vroeg hij.
‘Ik ben Fladder,’ zei de vlinder enthousiast. ‘Vandaag is mijn eerste dag als vlinder! Ik was eerst een rups, maar nu kan ik vliegen!’
Harry keek vol bewondering naar Fladder.
‘Echt waar? Dus eerst kon je alleen maar kruipen en nu kun je zomaar overal naartoe?’
Fladder maakte een sierlijke draai in de lucht.
‘Ja! Alles is nieuw en spannend. Ik weet nog niet waar ik naartoe wil, maar ik wil de wereld ontdekken!’
Harry glimlachte.
‘Dan ben je hier op de juiste plek. Mijn tuin is de beste speelplek die er is! Wil je meedoen?’
‘Ja!’ riep Fladder opgewonden.
Samen begonnen ze te spelen.
Fladder vloog rakelings over Harry’s neus en Harry probeerde met zijn poten de vlinder zachtjes te tikken, maar steeds was Fladder hem te snel af.
Harry rende door het gras, sprong over lage struiken en rolde speels in de zachte aarde. Fladder danste om hem heen, duikelde door de lucht en maakte gekke bochten.
Na een tijdje plofte Harry hijgend op zijn rug in het gras. Hij hijgde van het rennen en voelde zijn hart nog snel kloppen van de opwinding.
‘Je bent echt heel snel,’ zei hij met een brede glimlach.
Fladder landde voorzichtig op Harry’s poot en vouwde zijn vleugels een beetje in.
‘En jij bent een geweldige renner!’ zei ze trots.
Samen lagen ze in het gras, luisterend naar de vogels die hoog in de bomen zongen. De zachte lentewind streek door de bladeren en bracht de geur van bloeiende bloemen met zich mee. De dag voelde vol beloftes, alsof er nog meer spannende dingen stonden te gebeuren.

Net toen Harry dacht dat het niet beter kon worden, hoorde hij opeens geritsel bij de schuttingdeur. Zijn oren spitsten zich en hij keek op. Het geluid was zacht, maar duidelijk, alsof iemand heel voorzichtig probeerde te sluipen.
Fladder zweefde een stukje omhoog en keek nieuwsgierig in de richting van het geluid.
‘Wat was dat?’ vroeg zij zachtjes, terwijl haar vleugels heel even stopten met fladderen.
Harry stond langzaam op, voelde hoe de spanning door zijn poten kroop en sloop voorzichtig naar de deur. Zijn neus wiebelde terwijl hij probeerde te ruiken wie of wat zich daar verschool. Hij rook iets vreemds, een mix van gras, bloemen en iets wat hij niet helemaal kon plaatsen. Zijn hart klopte sneller. Dit voelde als een nieuw avontuur.
Hij keek even naar Fladder, die boven hem zweefde en net zo nieuwsgierig leek als hij.
‘Blijf daar,’ fluisterde hij zacht. ‘Ik ga kijken wie het is.’
Toen zette Harry voorzichtig nog een stap dichterbij. Hij zag nu duidelijk twee witte pluizige pootjes onder de schuttingdeur vandaan steken, die zenuwachtig heen en weer schoven. De pootjes leken haastig en onrustig, alsof de eigenaar van de pootjes niet zeker wist of hij moest blijven of wegrennen.
‘O jee… ik ben de weg weer kwijt,’ mompelde een piepende stem zachtjes, vol twijfel.
Harry boog door zijn voorpoten en probeerde onder de deur door te kijken. Was het een nieuwe vriend? Of misschien een dier dat nog nooit eerder in de tuin was geweest?
‘Hallo?’ riep Harry zachtjes. ‘Heb je hulp nodig?’
De witte pluizige pootjes sprongen iets omhoog van schrik en Harry zag nu een klein, wit bolletje vacht onder de deur vandaan piepen. Maar net op dat moment verdwenen de pootjes weer, alsof de geheimzinnige bezoeker zich bedacht had om weg te gaan.
‘Wacht!’ riep Harry snel. ‘Je hoeft niet bang te zijn. Mijn naam is Harry en ik help graag!’
Fladder cirkelde iets lager boven Harry’s kop.
|‘Misschien is hij bang,’ fluisterde ze. ‘Kunnen we hem laten weten dat hij veilig is?’
Harry dacht even na en ging toen plat op zijn buik liggen zodat hij er vriendelijk uitzag.
‘Ik weet hoe het is om de weg kwijt te raken,’ zei hij geruststellend. ‘Je mag hier in onze tuin komen, we kunnen je helpen.’
Er klonk even stilte aan de andere kant van de deur. Toen hoorde Harry het zachte gescharrel van kleine pootjes die aarzelend dichterbij kwamen.
De schuttingdeur kraakte langzaam open en daar stond een klein wit konijntje met lange oren en een rode neus. Hij leek nog jong en zijn ogen stonden groot en rond van schrik.
‘H-hallo,’ piepte het konijntje zacht. ‘Ik ben Wiebel. Ik ben een paashaas in training… Ik moet oefenen om mijn grote neef te helpen, maar nu ben ik verdwaald.’
Harry’s oren schoten omhoog. Dit klonk als een avontuur.
‘Verdwaald?’ vroeg hij nieuwsgierig.
Wiebel keek beteuterd naar de grond.
‘Ik moet leren hoe ik eieren goed kan verstoppen, maar ik raak steeds de weg kwijt… en ik ben zo bang dat ik mijn huis niet meer terugvind.’ Hij keek schichtig om zich heen, alsof hij elk moment wilde wegrennen.
Harry sprong uit enthousiasme meteen op en was vastberaden om Wiebel te helpen. Hij zette een stap naar voren en keek het konijntje vriendelijk aan.
‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik help je graag je huis terug te vinden.’
Maar Wiebel keek geschrokken op en zag hoe groot Harry was. Zijn ogen werden rond van schrik en zijn oren schoten recht omhoog. Voordat Harry nog iets kon zeggen om hem gerust te stellen, draaide Wiebel zich om en sprintte in paniek weg via het plein naar de kleine speeltuin verderop.
‘Wacht, Wiebel!’ riep Harry. ‘We willen je helpen!’
Fladder zweefde naast Harry en probeerde hem te kalmeren.
‘We moeten hem volgen, Harry. Hij is zo bang, hij heeft vast onze hulp nodig.’
Harry knikte vastberaden. Hij wist dat Wiebel zich ergens moest hebben verstopt en hij wilde het konijntje laten weten dat hij een vriend was. Samen liepen Harry en Fladder voorzichtig het plein over. Harry wist dat hij er eigenlijk niet mocht komen, maar dit was een noodgeval. Zijn nieuwsgierigheid en vastberadenheid overwonnen zijn aarzeling.
Bij de rand van het plein, naast een oud en vervallen schuurtje, zag Harry iets op de grond liggen. Hij liep ernaartoe en snuffelde voorzichtig. Daar lag een klein, wit mandje met gekleurde linten eraan.
‘Kijk, Fladder! Dit moet van Wiebel zijn,’ zei Harry zachtjes. Hij duwde het mandje met zijn neus iets naar voren en ontdekte dat er een opgerolde kaart in lag. Fladder landde op de rand van het mandje en keek nieuwsgierig mee.
‘Het lijkt wel een schatkaart,’ zei Fladder terwijl ze de eenvoudige lijnen en pijlen bestudeerde. Harry rolde de kaart uit met zijn poot en zag dat er een stip op stond met de tekst ‘begin hier’. Verderop stonden verschillende huizen aangegeven met kleine tekeningen van eieren erbij. En aan het einde van de route stond er in dikke letters: ‘Laatste huis’.
‘Dit is belangrijk,’ zei Harry terwijl hij de kaart aandachtig bekeek. ‘Wiebel moest de eieren verstoppen voor zijn training. Misschien kunnen wij de route volgen en hem helpen zijn taak af te maken.’
Fladder knikte enthousiast.
‘Ja! Als we Wiebel vinden, kan hij zijn training afmaken en dan brengt dit hem misschien weer naar huis.’
Harry voelde hoe zijn hart vol energie klopte. Dit zou weer een spannend nieuw avontuur worden. Een avontuur dat hen naar plekken vol geheimen en verrassingen zou brengen en waarbij ze een nieuwe vriend zouden helpen om zijn droom als paashaas waar te maken.
‘Kom op, Fladder! Laten we op pad gaan,’ zei Harry met een glinstering in zijn ogen. ‘We gaan Wiebel vinden en samen zorgen we ervoor dat zijn missie een succes wordt!’

Wordt vervolgd… -> Harry en een Magische Pasen
©Bernadette Lugies 2025