gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #6 Een Laatste Gift


Het begon op een maandag die zich nauwelijks onderscheidde van de rest. De zon scheen, maar alles voelde grijs, traag, bedekt onder een sluier van stilte. Niko liep door de school alsof hij zich voortbewoog door stroperige lucht. Geluiden bereikten hem wel, maar misten scherpte. Stemmen gleden als een vage stroom langs hem heen. Lachen. Gesis. Fluisteringen. Altijd net te luid wanneer hij langsliep.
‘Freak,’ zei iemand.
‘Viezerik.’
Anderen lachten. Iemand sloeg zijn boeken uit zijn handen en liep zonder omkijken door. Nooit zijn naam. Nooit mét hem. Altijd tégen hem. Altijd óver hem.
Hij had al weken niet gepraat. Zelfs thuis niet meer. Zijn moeder had het geprobeerd. Eerst met een kop lauwe thee en een poging tot een gesprek, over school, over zijn hobby’s, alsof het allemaal nog gewoon was. Daarna met een afspraak bij de huisarts, die niets vond. Toen een psycholoog, waar Niko nooit iets zei. Ze probeerde hem te bereiken via muziek, via oude foto’s, zelfs via boosheid — schreeuwde een keer dat hij zich aanstelde. Maar niets brak door. Haar blik begon van hem af te glijden, alsof hij langzaam verdween in iets waar ze niet bij kon. Daarna liet ze hem met rust. Iedereen deed dat uiteindelijk.
Die dag lieten ze hem echter niet met rust. Ze renden achter hem aan, sloegen zijn huiswerk uit zijn hand en schreeuwden tegen hem.
In het toilet op de tweede verdieping, waar de lamp flikkerde en de muren grauw waren van graffiti, trok Niko de deur achter zich dicht alsof hij zich opsloot in een graf van porselein. De geur van schoonmaakmiddel vermengd met oude urine prikkelde zijn neus, maar hij voelde het nauwelijks. Alles was dof. Hij liet zich zakken op de rand van het gesloten toilet, zijn knieën opgetrokken tegen zijn borst, zijn armen eromheen geslagen alsof hij zichzelf bijeen moest houden. Zijn schouders trilden nauwelijks merkbaar, maar onafgebroken. Zijn ademhaling was onregelmatig — niet snel, maar hortend, alsof zijn lichaam zelf niet wist of het verder wilde. Zijn maag draaide, leeg maar gespannen en in zijn kaken zat een constante druk van ingehouden woede of tranen — hij wist het verschil al niet meer. Elke spier in zijn lijf leek op het punt van breken te staan, maar bleef net stijf genoeg om hem bij elkaar te houden. Alsof het hele lichaam samenspande om hem stil te houden, zodat hij zou verdwijnen zonder geluid.
Zijn hoofd bonkte tegen de koude tegelmuur achter hem. Elke tik voelde als een ritmische echo van zijn eigen gedachten. De stemmen van buiten – lachen, voetstappen, deuren die dichtsloegen – drongen flarden naar binnen, maar leken uit een andere wereld te komen. Hij hoorde ze zonder te luisteren. Hij was hier, maar niet aanwezig.
Zijn vingers krasten lijnen in zijn been. Eén lijn voor elke dag dat hij zich zo voelde. Eén lijn voor elk woord dat hij had ingeslikt. Woorden die hij als verdediging tegen de pesters had kunnen gebruiken, maar hij bleef stil.
Toen hij geen geluiden meer hoorde, kwam hij uit het toilethokje.  Hij liep naar de wasbak en waste automatisch zijn handen. Een reactie uit gewenning. Hij gooide water in zijn gezicht om de tranen die over zijn wangen hadden gelopen weg te laten vloeien.
Hij keek omhoog, naar de spiegel boven de wastafel. Vanuit deze hoek kon hij zichzelf zien, vlekkerig, onscherp, alsof zijn bestaan alleen nog te herkennen was door zijn schaduw. Zijn gezicht had iets weg van iemand die al vertrokken was. Ogen zonder glans, lippen gesloten als een verzegelde brief.
En ergens daar, in die ruimte tussen geluid en stilte, tussen beweging en verlamming, dacht hij het zonder woorden: Als iemand mij hoort, laat me dan verdwijnen. Help me.
Het antwoord kwam als warmte. Niet zacht, niet troostend, maar onverbiddelijk — alsof het hele gebouw langzaam begon op te warmen vanbinnen. De lucht werd zwaarder. Niko hief zijn hoofd en zag in de spiegel boven de wastafel een silhouet dat er eerder niet was. Een man, of wat ooit een man was, stond daar met ogen als brandende kolen en een lichaam dat ademde als gloeiend ijzer. Zijn huid leek op gesmolten koper, gebarsten, dampend.
Niko schrok niet. Hij voelde iets veel ergers dan angst: herkenning.
‘Ik voel jou, Niko,’ zei de figuur, zijn stem als een echo van diep onder de grond.
‘Ik wil niet meer,’ fluisterde Niko. ‘Het is te veel. Alles is te veel. Alsof ik elke dag verdrink en niemand het ziet. Alsof ik niet besta. Alsof ik al dood ben, maar nog rondloop.’
De figuur knikte, langzaam. Niet als bevestiging, maar als iemand die het al wist.
De man knielde voor hem neer, langzaam, alsof hij brak bij elke beweging. Uit zijn borst haalde hij iets — geen wapen in de traditionele zin, maar iets abstracts, een vorm die vloeide tussen staal en licht. Het pulseerde, levend, vormloos.
‘Onthou: Ik geef alleen wat gevraagd wordt,’ zei hij zacht. ‘Om je te helpen. Om het lijden te eindigen.’
Niko reikte ernaar zonder aarzeling. Zodra zijn vingers het raakten, veranderde het.
Het werd iets wat paste in zijn hand. Wat aanvoelde als controle.
Een wapen, ja, maar ook een sleutel. Een belofte. Een eindpunt.
In eerste instantie dacht Niko alleen aan zichzelf. Aan het weghalen van de pijn. Aan verdwijnen. Maar terwijl hij daar zat met het wapen in zijn hand, begonnen andere beelden zich in zijn hoofd te nestelen. De gezichten van de jongens die hem hadden uitgelachen, die zijn rugzak uit zijn handen hadden gerukt, die fluisterden en gniffelden wanneer hij langs liep. De meisjes die hem negeerden alsof hij lucht was. De leraren die nooit doorvroegen, nooit écht keken.
Een deel van hem huilde om rust. Maar een ander deel, dieper, donkerder, begon te fluisteren dat ze het moesten weten. Dat ze het moesten voelen. Dat als hij dan toch zou verdwijnen, hij tenminste iets zou achterlaten. Geen brief. Geen schreeuw. Maar een herinnering die hen zou dwingen te luisteren.
Hij voelde hoe de warmte van het wapen overging in zijn vingers. Hoe het leek te ademen, alsof het zijn gedachten volgde. En ergens wist hij: dit was niet enkel een sleutel om te eindigen. Het was ook een mogelijkheid om gehoord te worden, eindelijk. Zelfs als het bloed kostte.
Hij kneep zijn vingers strakker om het handvat.
‘Waarom?’ fluisterde Niko uiteindelijk.
De man keek hem aan. In zijn ogen lag geen overtuiging. Alleen verdriet.
‘Omdat ik niet anders kan.’

Het gebeurde drie dagen later. Volgens het nieuws zag niemand het aankomen. Niet van Niko. Niet van de stille jongen die nooit een woord zei, die altijd zijn capuchon ophad en zijn lunch onaangeroerd liet.
Die ochtend was anders, maar slechts voor hem. Hij liep trager dan normaal, zijn tas hing losjes over één schouder. De hal was gevuld met dezelfde vertrouwde geluiden: geroezemoes, geschreeuw, kluisjes die dichtklapten. Maar in zijn hoofd klonk het als de echo van een lege ruimte. Alles was al besloten.
Toch twijfelde hij.
Zijn hand klemde om het wapen in zijn jaszak, zijn vingers koud van spanning. Hij dacht aan de woorden die hij had uitgesproken in dat toilet. Ik wil niet meer. Hij dacht aan zijn moeder, aan haar pogingen, haar blik die steeds leger werd. Hij dacht aan de psycholoog, de leraren, de gangen die hij duizend keer had doorlopen. En even, heel even, overwoog hij om naar het dak te lopen in plaats van naar de aula. Om gewoon te verdwijnen. Zonder sporen. Geruisloos. Niemand pijn doen. Misschien zouden ze dan zeggen dat hij stil was, maar vriendelijk. Dat hij geen overlast gaf. Misschien zou iemand dan wél opmerken dat hij er niet meer was. Hij vroeg zich af: zou iemand me missen? Of zou men alleen schrikken van de stilte?
Maar toen zag hij hen.
De twee jongens bij de lockers. Dezelfde die altijd net te luid lachten als hij voorbij liep. Eén van hen zei iets, hardop, alsof Niko onzichtbaar was. Het was niet eens grof. Alleen achteloos. Onverschillig. En dat was erger.
Hij voelde hoe iets kantelde in zijn borst. De pijn die hem tot dan toe naar binnen had gekeerd, draaide zich langzaam om. Niet langer de wens om zichzelf weg te nemen, maar een rauwe honger om iets achter te laten. Een echo. Een barst in hun wereld.
Zijn pas werd steviger. De tas gleed van zijn schouder. Zijn ademhaling vertraagde.
Zijn hand kneep in de kolf van het wapen en zijn vinger gleed naar de trekker. Hij haalde het uit zijn jaszak. De jongens hadden te laat door wat er ging gebeuren.
De gang was gevuld met klanken, gelach en voetstappen— tot het oversloeg in een geschreeuw dat door merg en been ging.
Niko liep niet snel. Hij schreeuwde niet. Hij zei niets. Alsof hij in een droom bewoog. Alsof hij zelf niet meer aanwezig was.
En de man die hem het wapen gaf volgde. Onzichtbaar voor de anderen, zichtbaar slechts voor hem. Bij elke kogel kromp hij ineen, brandde zijn huid feller, sijpelde er licht uit zijn ogen. Hij wilde zijn hand uitstrekken, het stoppen, het terugnemen… maar het was al gegeven. En wat gegeven is, keert niet terug.
Na het laatste schot viel er een stilte die geen enkele sirene ooit echt zou kunnen doorbreken. Niko zat op de grond, wapen naast zich, ademhaling oppervlakkig. Zijn ogen leeg. Alsof hij niets had bereikt. Alsof zelfs dit niet genoeg was geweest om te verdwijnen.
De man knielde naast hem neer. De rook kringelde om hen heen als een wurgende sjaal.
‘Het spijt me,’ fluisterde hij. ‘Ik wilde je alleen maar helpen.’
Buiten begonnen de sirenes. Maar binnen was alles al voorbij.

In de dagen die volgden verschenen berichten op elk scherm. Mensen spraken over hem alsof ze hem kenden, maar de werkelijkheid was dat ze nooit naar hem hadden geluisterd.
Klasgenoten die met tranen in hun ogen vertelden hoe lief en aardig de vermoorde jongens waren geweest, maar er werd geen woord gesproken over hun pesterijen.
Analyses, meningen, haat, verdriet en toen stilte. De wereld zocht naar verklaringen, naar schuldigen.
Ze zeiden dat hij psychisch ziek was. Dat hij een monster was. Dat zijn moeder, zijn leraren, de psychiater het had moeten opmerken. Niemand zei dat hij gewoon een jongen was die zachtjes had geroepen om hulp, totdat hij alleen nog kon schreeuwen met vuur.
Ze zeiden niets over mij.
Ik zat op mijn plek, waar de lucht eeuwig zindert van hitte en keek naar zijn laatste momenten. Hij zat op de grond, trillend, huilend, het wapen uit zijn hand gegleden.
En toen kwamen ze — de agenten. Ze riepen iets. Hij bewoog niet. Maar dat maakte niets uit. Het wapen lag te dichtbij. Eén schot. Midden in zijn borst. Alsof dat alles nog recht kon zetten.
Ze weten niet dat ik hem iets gaf. Dat ik hem hoorde, toen niemand anders dat deed. Ze weten niet wie ik ben.
Ik was ooit een titaan die aan de kant van Zeus vocht. Ik was ooit een god. Een brenger van vuur. Ik gaf licht aan een mensheid die in het donker kroop. Ik bracht warmte aan een wereld die krom lag van de kou. En Zeus… hij vervloekte me ervoor. Hij ketende me aan de rots, liet een adelaar mijn lever uit mijn lijf scheuren, iedere dag opnieuw. Omdat ik te veel voelde. Te veel gaf. Omdat ik weigerde weg te kijken van hun lijden.
Ik dacht dat, als ik volhield, als ik bleef geven, ze op zouden staan.
Dat ze zouden leren. Maar de mensheid wil geen genade. Ze willen wapens van licht en gebruiken ze om elkaar te verblinden. Ik gaf vuur om te verwarmen, zij maakten er wapens van. Ik gaf inzicht, zij maakten propaganda. Ik gaf een jongen de keuze — hij zag slechts één uitweg.
En toch hoor ik ze allemaal. Elk mens dat fluistert in het donker. Elk breekbaar hart dat geen woorden meer vindt. Elk mens dat zich omdraait in bed en denkt: ‘Ik wil niet meer.’
Ik hoor ze. En ik antwoord. Want ik weet niet anders.
Ik geef. Niet uit wraak. Niet uit hoop. Maar omdat ik veroordeeld ben tot voelen.
En elke stem die sterft, schreeuwt in mij na.
Mijn naam is Prometheus.
En ik weet het. Dat wat ik geef brandt. Dat ik niet langer red, maar besmet. Maar ik kán niet anders.
Ik ben de god die niet kan stoppen met geven, zelfs als de wereld liever brandt dan geneest.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #5 De Laatste Draad


Het was een heldere dag, de lucht strakblauw en de zon warm genoeg om de stad te laten glanzen alsof alles nieuw gepolijst was. In de hoek van een minimalistisch ingerichte koffiebar zat Ilian, rug recht, een espressokopje tussen zijn lange vingers. Hij bewoog met de trefzekerheid van iemand die weet dat elk oog op hem zou kunnen rusten — en dat dit terecht zou zijn.
Zijn huid had de warme, diepe kleur van kaneel, glad als zijde en perfect onderhouden. Zijn gezicht was uitgesneden als een beeldhouwwerk: hoge jukbeenderen, een scherpe kaaklijn, volle lippen die moeiteloos overgingen van minachting naar verleiding. Zijn ogen waren donkerbruin, bijna zwart, met een waas van vermoeidheid die op hem stond als een accessoire — het soort elegant verval dat alleen mensen dragen die altijd te veel creëren en te weinig slapen.
Zijn haar was strak naar achteren gevlochten in dunne cornrows, strak langs zijn schedel, eindigend in een losse, kortgebonden staart in de nek. Alles aan hem was precisie. Geen toeval. Geen chaos.
Hij droeg een crèmekleurige linnen broek die soepel langs zijn benen viel en een ivoorwitte blouse met een kraag die net iets te hoog was — een eigen ontwerp, uiteraard. Om zijn hals hing een subtiel gouden kettinkje, een erfstuk van zijn grootmoeder dat hij droeg als symbool én als stijlstatement.
Op tafel lag de ochtendkrant, zorgvuldig gevouwen, alleen het onderste deel zichtbaar. Zijn ogen scanden de tekst met een mengeling van desinteresse en calculatie, tot zijn blik bleef hangen bij een klein artikel in de linkerbenedenhoek:

DRIE HULPVERLENERS VERMIST NA MYSTERIEUZE MELDING BIJ BOLDERVEEN
Bolderveen – De politie tast nog altijd in het duister over de verdwijning van drie hulpverleners die vier weken geleden spoorloos verdwenen na een noodoproep vanuit het bosgebied net buiten het dorp.
Twee politieagenten, Jeroen Grut en Nadia Vries, en ambulancebroeder Marc de Jager gingen af op een melding van verontrustende geluiden in het bos bij Bolderveen, een bekend maar zelden bezocht natuurgebied. Sindsdien is er niets meer van hen vernomen.
Een intensieve zoektocht met honden, drones en vrijwilligers leverde niets op.
Volgens een woordvoerder van de politie is de zaak ‘onverklaarbaar en ernstig verontrustend’:
‘Het is alsof ze zijn opgelost in de lucht.’
Buurtbewoners verklaren niets bijzonders te hebben gezien. Er zijn geen nieuwe tips binnengekomen.
De autoriteiten sluiten geen scenario uit, maar erkennen dat het onderzoek muurvast zit.’

Ilian leunde achterover en grijnsde.
‘Dat is nog eens een stunt,’ fluisterde hij tegen zijn espresso, alsof het een creatieve partner was.
Hij nam een slok. ‘Daar zit een prachtig verhaal in, als iemand er iets van durft te maken.’
Zijn stem was nonchalant, bijna verveeld, alsof hij het had over een nieuwe lijn zijde. Geen moment stond hij stil bij de namen. Geen greintje medeleven.
Hij stond op, haalde zijn leren portefeuille tevoorschijn en legde een biljet neer op de toonbank — achteloos, zonder oogcontact.
‘Laat de rest maar zitten,’ zei hij en liep weg voordat de barista iets kon terugzeggen. Alsof ze hem zou bedanken voor de 50 cent fooi dat hij zojuist had achtergelaten.
Buiten blies de zon tegen de straten aan als een warm strijkijzer. Hij liep kalm, met de vanzelfsprekende elegantie van iemand die wist dat de wereld beter oogde met hem erin. Zijn schaduw gleed naast hem over de straatstenen — lang, symmetrisch, alsof zelfs het licht zich naar zijn vorm voegde.

Hij was onderweg naar niets — en dus naar alles. Inspiratie vond hem altijd. En deze wijk, met haar scheuren, haar stilgevallen adem, voelde als een plek die iets achterhield. Iets belangrijks. Iets dat nog niet van hem was.
Zijn pas vertraagde toen hij langs een stoffig raam liep. Achter het glas, tussen vergeelde vitrage en de schaduwen van een vergeten kamer, stond een paspop. En daarop — een kraag. Een werkstuk van zulke finesse dat het leek alsof het vanzelf was gesponnen uit de lucht.
Hij stond stil. Zijn ogen vernauwden. Alles in hem verschoof.
De kraag leek verdacht veel op het werk van De Spin. Een legende in zijn wereld, maar ongrijpbaar. Af en toe kwamen er werken van haar uit, zo levendig, maar niemand wist wanneer het kwam, vanwaar het kwam en vooral… wie ze was.
‘Deze moet ik hebben,’ mompelde hij tegen zichzelf. Als hij in een vintage winkel deze kraag kon scoren kon hij eindelijk zijn meesterwerk afmaken.Links van het raam stond een deur. Afgebladderde verf, een oud bronzen slot en een kier — net genoeg om opgemerkt te worden door wie het móést opmerken.
Hij duwde de deur zachtjes verder open.
En terwijl hij naar binnen stapte, gleden onzichtbare draden langzaam om zijn enkels.
Maar hij merkte het niet.
Nog niet.

De deur zuchtte open als een ademhaling die te lang was ingehouden. Ilian stapte naar binnen, de ruimte in die schemerde als een oud theater dat al jaren op zijn laatste voorstelling wachtte.
De vloer was bedekt met lagen stof, afgesneden draad, half uitgerafelde doeken. Het rook naar oud hout, verkoold katoen en iets ijlers — alsof herinneringen hier nog ademden.
Langzaam draaide hij rond. Er was geen muziek, geen begroeting. Alleen stilte. Geen chaotische winkel met rommelige rekken en prijsetiketten — eerder een atelier, een werkplaats, of misschien zelfs een heiligdom. Tapijten met afbeeldingen van mensen hingen als relikwieën aan de muren, patronen die leken te bewegen wanneer je ze met je ogen volgde. Vormen die zich aan hem onttrokken zodra hij ze probeerde te begrijpen.
‘Ik had geen mensen verwacht,’ klonk het plotseling. De stem was zacht, helder, vrouwelijk, maar met een ondertoon van iets wat dieper lag — oud, misschien vermoeid. Maar niet zwak.
Hij draaide zich om. In het halfduister, tussen twee zuilen vol garens, stond een vrouw. Ze was mager, recht, haar silhouet gestroomlijnd alsof ze zelf uit draad gesponnen was. Ze droeg een lange jurk van ruwe stof met een iriserende glans — geen merk, geen herkenbaar ontwerp, maar alles eraan schreeuwde perfectie.
Ilian liet zijn gezicht ontspannen in zijn gebruikelijke glimlach.
‘Ik zag iets in de etalage. Een kraag. Fenomenaal werk.’ Hij stapte dichterbij, zijn hand gestoken in zijn jaszak, nonchalant. ‘Ik neem aan dat het van jou is?’
Ze knikte langzaam. ‘Ik maak alles hier.’
Hij grijnsde . Ze loog, hij wist dat de kraag het werk van De Spin was. De verfijnde lijnen op de kraag, het stof. Deze vrouw kon dat nooit maken, maar hij besloot het spelletje mee te spelen.
‘Dan maak je werk dat de grote modehuizen jaloers zou maken.’ Hij keek even rond, als om zich ervan te verzekeren dat niemand meeluisterde. ‘Wat wil je ervoor hebben? Ik bied goed. Beter dan de meesten.’
‘Die kraag is niet te koop,’ zei ze eenvoudig.
Zijn glimlach veranderde nauwelijks, maar kreeg iets… scherpers. ‘Alles is te koop,’ zei hij. ‘Soms moet je gewoon weten wat iemand écht nodig heeft.’
‘En jij denkt dat jij dat weet?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘De meeste mensen willen gezien worden. Of vergeten. Of betaald. En soms — soms willen ze gewoon dat hun werk de juiste naam draagt.’ Hij zette een stap dichterbij, zijn stem verlaagde zich tot een fluistering vol honing. ‘Wat zou er gebeuren als jouw kraag werd gedragen op een Parijse catwalk? Als ik hem verwerk in mijn hoofdstuk? De wereld zou je werk verafgoden. Je hoeft niet eens je naam eraan te verbinden. Laat mij het verhaal bouwen.’
Ze keek hem aan, lang. Haar gezicht bleef neutraal, maar haar ogen leken hem te doorboren — niet zijn lichaam, maar zijn intentie.
‘Verafgoden is gevaarlijk,’ mompelde ze.
‘Verafgoden hoort erbij. Als jij het werk van de goden maakt, hoort iedereen het te zien en hoor jij …’ hij viel even stil. Hij wilde haar niet wijzer maken dan ze was. Hij zou haar nooit de eer geven. De eer was voor hem, iedereen zou haar naam vergeten.
‘En wat geef jij in ruil daarvoor?’ vroeg ze.
‘Mijn zichtbaarheid. Mijn bereik,’ loog hij.  ‘Je hebt geen idee hoeveel deuren ik voor je kan openen.’
‘Ik heb het gevoel dat je liever deuren sluit,’ antwoordde ze. ‘Vooral achter anderen.’
Hij lachte — ongemakkelijk, even, maar recupereerde snel.
‘Je bent scherp. Mooi zo. Dan weet je ook wat dit waard is. Laat me de kraag kopen, of huren, of lenen. Eén dag. Eén show. Daarna krijg je hem terug.’
Zij draaide zich langzaam om. Haar voeten leken nauwelijks de vloer te raken.
‘Kom mee.’
Hij volgde haar, want natuurlijk deed hij dat. Ze was eigenaardig, ja, maar dat hoorde bij talent. En talent moest je grijpen voor iemand anders het deed.
De binnenruimte opende zich als een kooi van licht en schaduw. Hoge muren, bekleed met onafgewerkte wandtapijten enorme weefgetouwen, houten schalen vol naalden, spoelen en haar — menselijk haar. Ilian merkte het pas toen zijn hand de vezels raakte. Te warm. Te zwaar. De textuur te dicht bij huid. Hij trok zijn vingers terug, langzaam, alsof hij zich brandde aan het besef.
Aan de verste muur hing een werk in wording. Een wandkleed, groter dan al het andere, waarin een vrouwelijke figuur langzaam vorm kreeg. Helm. Speer. Schild. Ogen vol koude soevereiniteit.
‘Athena,’ zei Ilian zacht. ‘Ambitieus onderwerp.’
‘Ik werk eraan,’ zei ze. ‘Mijn eerbetoon aan haar.’
Hij staarde naar het wandkleed. Ze had talent, dat kon hij zien. Toen hij om zich heen keek besefte hij dat ze waarschijnlijk niet had gelogen. Ze had de kraag gemaakt. Op een paspop in de hoek hing een kraag in wording. Ragfijne draden hingen losjes om de nek van de paspop, maar de patronen waren onmiskenbaar van De Spin.
Ze streek met haar hand over het wandkleed.
‘Er mist nog iets, denk je ook niet. Een… kern.’
‘Wat voor kern?’ zei hij afwezig, terwijl hij de ruimte in zich op nam. Her en der stonden beelden van Athena. Deze vrouw was bezeten van haar.
Ze draaide zich naar hem toe en tikte licht met haar wijsvinger tegen zijn borst. ‘Iets dat echt is. Iets… glorieus vergankelijk.’
Hij lachte nerveus. ‘Klinkt poëtisch. Maar ik denk dat ik je niet kan helpen met mythische bouwstenen.’
‘Oh, jawel,’ zei ze zacht. ‘Jij bent perfect.’
Voordat hij kon antwoorden, werd het atelier stiller. Alsof geluid zelf verdween. De tapijten bewogen licht — niet door wind, maar alsof ze ademhaalden. De figuur van Athena op de muur leek hem aan te kijken, haar ogen nog onvoltooid, maar al vol oordeel.
Ilian wilde een stap achteruit doen, maar merkte dat zijn voeten vastzaten. Niet aan iets fysieks — aan iets wat niet zichtbaar was. Aan aandacht. Aan intentie.
De vrouw pakte iets van een tafel: een lange, gebogen naald, glanzend en vreemd organisch — alsof het ooit levend was. Haar jurk ruiste niet, maar fluisterde.
‘Je wilde een naam,’ zei ze. ‘Je wilde iets wat de wereld zou onthouden.’
‘Ik—’ Hij hapte naar adem. Zijn stem weigerde.
‘Dan geef ik je dat. Je wordt het middelpunt. De kern van het werk.’
Ze raakte zijn huid. Geen pijn — maar een trek. Een losscheuren. Zijn borst opende zich zonder bloed en zilveren draad gleed eruit, flonkerend, warm. Zijn vingers trilden, zijn gezicht verloor kleur. Zijn ogen begonnen te rafelen.
Hij probeerde te schreeuwen, zijn lippen bewogen, maar zijn stem werd opgeslokt — niet door stilte, maar door ritme. Door het zachte, snelle tikken van haar vingers die weefden alsof ze zijn herinneringen uit hem trok.
En Athena’s gezicht op het wandkleed kreeg vorm — niet in garen, maar in Ilian’s essentie. Zijn ambitie. Zijn schoonheid. Zijn overmoed.
Het werd het werkstuk waar alles om draaide.
Hij werd het meesterwerk.

Ik liet geen goddelijke triomfen zien, geen lofzangen op hun perfectie. Ik weefde hun fouten. Hun vergissingen. Hun misbruik van macht. Ik noemde het niet bij naam — ik liet het draad doen wat taal nooit durfde.
En daar lag mijn zonde.
Ik had hen niet gehoond. Ik had hen getoond.
Dat was wat Athena niet kon verdragen.
Ze kwam niet met vuur. Niet met bliksem. Ze kwam met een blik die kouder was dan ijzer en met woorden die zichzelf in je huid nestelden en daar bleven.
Ze zei dat ik arrogant was.
Dat ik had gedacht dat ik haar kon overtreffen.
Dat ik was vergeten wie ik was: een sterfelijk mens. Tijdelijk en vervangbaar.
Ik viel niet op mijn knieën. Ik smeekte niet. Ik stond daar, net als zij – rechtop, vastberaden.
En dat was het moment waarop ze me niet meer kon vergeven.
Niet omdat ik haar had beledigd, maar omdat ik haar had gespiegeld.
Ik ben niet gestorven. Dat zou eenvoudiger zijn geweest.
Ik werd gewist. Langzaam.
Eerst uit verhalen. Toen uit gebeden. Tenslotte uit mezelf.
Wat overbleef waren mijn handen. Mijn draad. Mijn noodzaak.
Ik weefde om mezelf vast te houden. Om te herinneren wie ik ooit was.
Maar hoe meer ik weefde, hoe minder ik herkende wat ik maakte.
Het werd… iets anders.
Niet mooi. Niet lelijk, maar noodzakelijk.
En met elke draad die ik trok, voelde ik dat ik iets opbouwde. Niet een kunstwerk, maar een wachtkamer. Een plek waar waarheid kon blijven hangen als geur in een oude jas.
Ze komen vanzelf. Altijd.
Mensen zoals hij — Ilian.
Ze zijn altijd mooi, slim en gedreven. Te jong om bang te zijn, te zeker om zich vragen te stellen.
Ze denken dat ze de wereld zien zoals zij hem bouwen.
Maar ze bouwen niets. Ze nemen. Ze stelen wat ze bewonderen en doen alsof het van hen is.
Ik herken het onmiddellijk.
Niet alleen hun talent, maar hun honger om erkenning. Om de beste te zijn.
Hun bereidheid om te liegen, te kneden, te bezitten — net zoals ik ooit deed.
En dus geef ik ze wat ze willen, een moment… een ingang.
Een web.
Niet om hen te straffen, maar om iets te herstellen.
Want diep vanbinnen, achter elke draad die ik trek, zit nog altijd die ene vraag die ik nooit hardop durf te stellen: Zou ze me vergeven, als ik maar genoeg geef?
Als ik toon dat ik het begrijp — dat ik het erken — zou ze me dan weer zien?
Daarom neem ik hen.
Niet om hen te vernietigen, maar om iets te bouwen dat zij — Athena— niet kan negeren.
Een werk dat groot genoeg is om te tonen dat ik geleerd heb.
Dat ik boet en dat ik zie wat ik fout deed. Dat ik dacht dat waarheid belangrijker was dan eerbied.
Maar toch… toch voel ik nog steeds dat ik niets verkeerd deed.
En misschien is dat mijn ware vloek.
Ik ben geen godin.
Geen demon.
Geen monster uit de rand van een mythe.
Ik ben het draad.
Ik ben de trilling die blijft hangen in een ruimte waar ooit woorden klonken.
Ik ben het web dat je niet ziet tot je erin beweegt.
Ik ben de draad die alles verbindt en tegelijk uit elkaar trekt.
Ik ben wat overblijft als trots en pijn zich in stilte met elkaar vermengen.
Ik ben de schaduw achter het patroon.
En mijn naam — de naam die ze probeerden te wissen — die fluister ik nu zacht:
Ik ben Arachne.
En ik wacht op de dag dat ze me eindelijk vergeeft.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #1 Kijk niet!

Jeroen en Nadia zaten in hun wagen te wachten op een parkeerplaats.
‘Ik háát avonddienst. Er gebeurt nooit iets spannends,’ mopperde Jeroen. ‘Ik ga denk ik solliciteren bij de politie in de grote stad. Ik haat het hier.’
De radio begon te kraken en de melding kwam binnen:
‘Geschreeuw gehoord in een verlaten woning. Diep in het bos bij Bolderveen. Vermoedelijk kelderruimte.’
Jeroen draaide de sleutel in het contact.
‘Wie woont daar nou nog?’
Nadia keek naar buiten, waar de mist tussen de bomen hing als spinrag.
‘Niemand. Dat huis staat al jaren leeg.’
Ze reden zwijgend het bos in. Takken krasten langs de zijkant van de auto. Het bospad werd smaller, de lucht stiller. Op Google Maps konden ze alleen het bos vinden. De collega’s hadden vaak gesproken over het spookhuis. Een bouwval. Geen stroom. Geen water. Alleen ruis op het politienet als je te dichtbij kwam.
Een lang, smal pad leidde hen naar het huis. Nadia kon zich indenken dat het ooit een prachtig huis moest zijn geweest. Een twee verdieping woning, met mooie grote ramen. Maar nu, het was een in elkaar gezakt bakstenen woning met een verzakt dak. Ze keek naar de grafstenen die voor de woning stonden op gesteld.
‘Griezelig,’ mompelde Nadia.
‘Meldkamer, weten jullie zeker dat hier een melding vandaan kwam?’ vroeg Jeroen door de portofoon.
Een statisch geluid, gevolgd door een simpel antwoord: ‘Ja.’
Jeroen keek naar de woning, naar de gebroken ramen. En daar, op het erf… beelden. Veel waren er kapot en lagen in stukken op de grond, maar zijn aandacht werd getrokken door de beelden die nog heel waren.
Eén bij het hek. Eén tegen de boom. Eén op de veranda.
Geen kitscherige tuinbeelden. Geen gips of beton. Deze beelden leken… echt.
Ze stapten uit en liepen ernaartoe. De beelden zagen eruit alsof mensen waren versteend in houdingen die niet klopten — bevroren in blinde paniek. Monden open, armen omhoog, alsof ze iets wilden afweren dat te dichtbij was gekomen.
‘Wie wil dat nou in zijn tuin?’
‘Stil,’ zei Nadia. ‘Luister.’
Geen vogels. Geen wind. Alleen hun adem. En het zachte gesnik vanuit het huis.
Nadia liep voorop, Jeroen erachteraan met getrokken zaklamp en hand op zijn wapen.
De kelder was van beton, de muren vochtig en beschimmeld. Jeroen scheen met zijn zaklamp langs de muren, over de vloer. Met een lichte trilling hield hij de lichtstraal op iets dat in de hoek zat.
Op de vloer, tegen de muur aan, zat een meisje.
Haar hoofd zat onder opgedroogd bloed. De huid van haar schedel vol krassen, cirkelvormige littekens — alsof iets met patronen over haar huid had gekropen. Ze droeg een dunne, witte katoenen jurk, vuil en gescheurd. En haar ogen…
‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’ mompelde Nadia. Ze zette een stap dichterbij.
De ogen van het kind waren dichtgenaaid, met grove zwarte draad. De uiteinden hingen los bij de hoeken, alsof degene die dit had gedaan haast had gehad.
Het meisje bewoog niet. Ze snikte zacht, maar het klonk niet als het gesnik dat ze buiten hadden gehoord. Alsof het verdriet nog aan het oefenen was.
‘Ik bel een ambulance,’ zei Jeroen. Zijn stem was vlak.
Nadia knielde langzaam.
‘Meisje… we gaan je helpen.’

Marc de Jager kwam de kelder binnen met snelle, zekere passen — de routine van een man die dacht alles al eens gezien te hebben. Twintig jaar op de ambulance. Verkeersongevallen, zelfmoorden, drugs, mishandeling, zelfs een cultusritueel in een schuurtje bij Wolvega. Maar dit…
Zijn pas vertraagde.
Zijn blik bleef hangen op het meisje in de hoek.
Ze leek kleiner dan een menselijk lichaam zou moeten zijn. Niet door haar lengte, maar door de manier waarop ze zich opvouwde, alsof ze zichzelf tot stilte had gedwongen. De kale schedel met opgedroogd bloed leek eerder op iets preparatief dan op letsel. De zwarte draad door haar oogleden leek geen wreedheid, maar… controle.
‘Wat ís dit?’ fluisterde hij. Zijn stem was nauwelijks hoorbaar — alsof een normaal volume iets zou kunnen breken in de lucht om hen heen.
Nadia knikte naar hem. Haar stem trilde net niet.
‘We weten het niet. Ze zegt niets. Ze… zit daar gewoon.’
Ze hield de hand van het meisje vast. De vingers waren dun, vuil, en vreemd koud. Ze klemden zich vast aan de hare met een verbeten kracht die niet bij zo’n fragiel lijf paste. Nadia voelde het: dit was geen normale angst. Dit zat dieper.
Marc knielde langzaam neer. Zijn EHBO-tas klikte open, en met zorg haalde hij zijn schaar eruit. Niet de grote, maar de fijne precisieschaar die hij gebruikte voor hechtingen.
‘Als die wonden ontstoken zijn… dan moeten we die draden eruit halen.’ Hij keek niet naar Nadia toen hij het zei, alsof hij zichzelf moest overtuigen.
‘Voorzichtig,’ zei zij zacht.
Het meisje bewoog niet. Geen enkel geluid. Maar haar lichaam trilde. Niet van kou — dit was een trilling van binnenuit. Iets dat nog niet tot uiting was gekomen.
Marc schakelde het lampje op zijn voorhoofd aan. Het blauwe licht gleed over de keldermuur, over de vlekken op de vloer, en uiteindelijk over het gezicht van het meisje. De glans van het bloed, de rafels van de draad. De stilte klonk harder.
‘Jeroen, kun je… kun je haar hand vasthouden?’ vroeg hij.
Jeroen knikte en boog zich naar het meisje.
‘Ik pak je hand vast, oké? Je hoeft niet bang te zijn. Richt je maar op mijn stem.’
Hij reikte naar haar hand. Ze reageerde meteen — haar vingers kronkelden over de zijne, graaiden, knepen. Haar nagels waren verdwenen; de huid eromheen zwart van opgedroogde aarde, en iets dat misschien geen aarde was.
Marc ademde diep in. Zijn vingers waren vast, zijn hand stil, maar er trok een rilling over zijn ruggengraat.
‘Ik ga nu knippen,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen de rest. ‘Als het pijn doet, knijp dan in Jeroens hand. Oké?’
Voor het eerst bewoog ze haar hoofd. Een kleine knik.
De schaar tikte tegen draad.
Trek. Knip.
Een zenuw onder haar oog trok samen.
Marc keek op, kort. Niets. Nog steeds stil.
Knip.
Jeroen hield zijn adem in. Het meisje drukte zich iets dichter tegen hem aan.
Knip.
De oogleden begonnen te trillen. Niet als reactie op pijn. Maar als… een instinct. Alsof het lichaam iets wist wat de rest nog niet begreep.
‘Je kunt je ogen openen,’ fluisterde Marc. ‘Het licht is misschien fel, maar dat gaat over. Ik moet kijken of er schade is aan de—’
Haar oogleden openden zich.
Niet langzaam. Niet schokkerig. Gewoon… open.
Hij zag geen pupil. Geen sclera. Geen normale iris.
Alleen goud.
Vloeibaar. Draaiend. Oneindig.
Ogen die niet zagen — maar absorbeerden.
Ogen die herinnerden.
Ze keek hem aan.
Marc hield zijn adem in.
Zijn ogen werden groot.
Zijn schouders verstijfden.
Het was alsof zijn lijf ineens snapte wat zijn hoofd niet kon bevatten.
Eén ademhaling. Een laatste knippering van de wimpers. En toen…
Niets.
Zijn lichaam viel achterover.
Maar het geluid dat volgde was geen lichaam dat op een betonnen vloer viel. Geen vlees. Geen botten.
Het klonk als steen.
Brekend. Scheurend.
Hij was versteend. Zijn gezicht bevroren in de eerste seconde van totale ontzag.

Het duurde enkele seconden voordat Jeroens brein ook maar iets begreep van wat er zojuist voor zijn ogen was gebeurd.
Hij staarde naar Marc. Naar wat er van hem over was.
Een beeld. Een standbeeld. In exact dezelfde houding als een moment eerder — hurkend, handen licht gespreid, een blik van verbijstering in zijn versteende gezicht. Alsof hij nog steeds wilde vragen wat er gebeurde. Alsof het moment was gestold, gevangen in tijd.
Maar de tijd liep gewoon door.
Jeroen voelde iets warms op zijn huid — zijn adem, versneld, die tegen zijn eigen wangen sloeg. Zijn hand lag nog steeds in die van het meisje, en haar grip, die eerder fragiel was geweest, trok nu met een onnatuurlijke kracht aan zijn vingers. Niet paniekerig. Niet smekend.
Controle. Beheersing.
Haar duim gleed langzaam over zijn handrug. Ritmisch. Alsof ze zijn hartslag meetelde.
‘Nee…’ fluisterde hij, zijn keel droog.
Hij rukte zijn hand los, greep naar zijn pistool.
‘Blijf staan!’ schreeuwde hij. De bevelende toon klonk hol in de kelder.
Hij richtte — maar keek.
En dat was genoeg.
Ze draaide haar hoofd.
Hij keek haar recht in de ogen.
De kracht trok in één ruk door zijn lichaam, als een ijsgolf van binnenuit. Zijn spieren verkrampten. Zijn longen blokkeerden. Zijn ogen bleven open, vastgenageld aan die goud-glinsterende draaikolk.
Zijn huid kreeg een grijze tint. Kleine barstjes trokken zich razendsnel over zijn armen, zijn gezicht. Steen verspreidde zich als een virus.
Zijn vinger rustte nog op de trekker.
De kogel bleef in de loop.
Versteend. Bevroren in doodsangst.

Ze draaide haar hoofd langzaam naar Nadia.
Nadia had zich ondertussen los gerukt en was aan de rand van de kelderruimte gaan staan. Ze staarde naar het lichaam van Marc op de grond. Haar ogen gleden door de kelder en vonden de dode ogen van Jeroen. Ze voelde haar hele lichaam trillen en de haren in haar nek gingen overeind staan. Een waarschuwing van haar lichaam dat er iets aan stond de komen.
Haar armen zakten langs haar lijf en de zaklamp gleed uit haar hand en rolde ratelend over de vloer, de lichtbundel schoot spastisch over de muren.
Ze sloot haar ogen, ze moest haar niet aankijken. Ze herkende dit moment, maar wist niet meer waar ze het gehoord of gelezen had. Had zij dit gedaan? Het kleine meisje?
ze knarste haar tanden op elkaar.
Alsof ze wist wat er kwam. Alsof ze het kon tegenhouden door het niet te zien.
‘Wat… bén jij?’ vroeg ze, haar stem nauwelijks hoorbaar, alsof het woord zelf haar tanden brandde.
Het meisje zweeg even.
Toen kwam de stem. Rauwer dan voordien. Ouder.
‘Oud… zo oud als de goden,’ raspte ze, alsof ze een stem oppakte dat eeuwen in steen had gelegen.
En daarna, zachter, kinderlijk bijna: ‘Kijk me aan, Nadia. Je weet dat je het wilt.’
Er klonk geen magie in die woorden. Geen bevel. Alleen verleiding.
En Nadia vocht. Ze vocht zo hard als ze kon. Ze beet op haar tong. Ze kneep haar ogen dicht tot het pijn deed. Ze schreeuwde in zichzelf. Alles in haar lijf weigerde.
Maar ze voelde hoe haar hoofd draaide.
Langzaam.
Haar oogleden trilden. Haar lippen bewogen als in gebed.
‘Nee,’ fluisterde ze, maar haar lijf gehoorzaamde niet.
En ze keek.
De stilte was totaal.
Nog één ademteug en toen… niets.

De kelder was stil.
Stil zoals alleen ruimtes zijn waar net iets onomkeerbaars is gebeurd.
De lucht trilde nog van herinnering.
Medusa bewoog zich niet. Ze luisterde. Niet naar geluid, maar naar wat níét meer klonk. Geen hartslagen. Geen adem. Alleen het nagloeien van angst.
Ze was dit moment gewend.
Het moment waarop alles stilvalt. Waarop blikken breken en stemmen verstommen. Het moment dat altijd hetzelfde voelt, maar nooit minder bitter smaakt.
Langzaam gleed haar hand over haar kale schedel. Haar vingertoppen streken langs de littekens, de verharde huid, alsof ze de afwezigheid streelde van iets dat ooit deel van haar was geweest.
Ze fluisterde: ‘Jullie groeien vanzelf weer terug.’
Een belofte aan zichzelf. Of aan hen.
Haar slangen — haar zusters, haar kracht — ooit levendig, kronkelend, fluisterend tegen haar slapen, waren met geweld van haar hoofd gerukt. Door háár. Die vrouw. Die gewone vrouw die met een simpele schaar mythologie had proberen te breken.
Het bloed had warm gelopen. De slangen hadden gesist tot hun laatste adem.
En Medusa… had gehuild.
Een lang, snijdend gehuil. Geen tranen, maar een oerkreet — als een sirene die haar zeelui niet meer kon vinden.
Ze stofte haar jurk af met langzame, precieze bewegingen. Alsof het een ritueel was. Alsof er nog iets heiligs te bewaren viel in deze kelder.
Haar blik gleed over de ruimte. Ze bekeek het niet als een monster, maar als een vrouw. Als iemand die ooit schoonheid bezat. Iemand die had geleefd, gelachen.
En langzaam voelde ze het.
De kracht. Die terugkeerde.
Die zich verspreidde vanuit haar borst, via haar nek, tot in haar vingertoppen.
Warm. Levend.
Haar houding veranderde. De trekkingen van een gebroken lijf verdwenen. Haar ruggengraat werd rechter. Haar gezicht zachter.
Niet menselijk — maar goddelijk.
De jonge vrouw die ooit in spiegels geloofde. Voor Athena haar vervloekte.
Voordat jaloezie haar schoonheid tot een wapen maakte.

Ze boog zich voorover, pakte Jeroens stenen enkel vast en trok hem achter zich aan, stap voor stap de trap op. Zijn standbeeld bonkte zwaar over het beton, maar haar blote voeten maakten geen geluid.
Boven. Naar buiten.
De mist had zich teruggetrokken in de bomen.
De tuin lag er stil bij.
Ze zette hem neer tussen de anderen.
Zijn verstijfde blik gericht op niets. Of op alles.
Vroeger had haar tuin vol gestaan. Beelden van strijders, reizigers, geliefden. Een galerij van menselijke zwakte. Maar die tijd was voorbij. De storm van haar ondergang had alles verwoest — haar prachtige huis, haar beeldentuin, haar wereld.
Ze draaide zich om, keek naar de ruïne achter haar.
Wat ooit haar thuis was geweest, was nu een karkas. Houtrot. Vervallen muren. Dood.
Ze sloot haar ogen en slikte de brok in haar keel weg.
Ze had altijd goed voor haar huis gezorgd.
Altijd.
En nu stond ze tussen puin.
Niet door goden. Niet door oorlog.
Door háár – het mensenkind dat zichzelf de storm had genoemd.
De vrouw die haar blind had gemaakt. Haar haren had geknipt. Haar ogen had dichtgenaaid alsof je een wapen kon dicht stikken.
Een gewone vrouw. Geen heks. Geen heldin en dat had genoeg gebleken.
En Medusa had gezworen — ze zou haar vinden.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Schrijven

Gebroken Goden: een nieuwe serie vol duistere verhalen

Soms worden monsters niet geboren. Soms worden ze gemaakt.

Vanaf 3 mei begint mijn nieuwe serie Gebroken Goden: tien korte verhalen over oude mythische figuren die niet langer machtig of perfect zijn, maar gebroken.
Ze zijn verraden, vervloekt of vergeten.
Ze zijn geen helden meer — maar wezens vol pijn, woede en verdriet.
Elke zaterdag komt er een nieuw verhaal online.

Je leert vrouwen kennen die gestraft werden om hun schoonheid, mannen die alles verloren door hun keuzes, en wezens die ooit goden waren… maar nu alleen nog schaduwen zijn van wie ze ooit waren.

Het eerste verhaal, “Kijk niet!”, verschijnt op 3 mei.

Durf jij hun verhalen te lezen?

Welkom in Gebroken Goden.