gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden #9 – De Stille Wachter


De klok in het mortuarium tikte als een druppelende kraan. Eén tik per seconde. Eén seconde per stilte.
De vrouw op de autopsietafel was jong. Witte ogen, kaarsrechte handen — alsof ze tijdens haar paniek bevroren was — en lippen als strakgespannen draad. Haar huid had een kleur die bijna niet te omschrijven viel — niet bleek, niet blauw, maar iets ertussenin. Marmer. Alsof ze een standbeeld was, gehouwen door Michelangelo zelf.
De geur van formaline hing nog niet over haar heen. Ze was vers. Te vers.
Dr. Hadrian Charon stond stil aan het hoofdeinde. Een zwart overhemd, een witte laboratoriumjas, latex handschoenen die als een tweede huid over zijn handen lagen. Zijn zwarte haren piekten onder de stoffen muts vandaan. Zijn grijze ogen gleden over haar lichaam, alsof hij haar niet onderzocht, maar las.
Hadrian was een gespierde man, en vrouwen stonden voor hem in de rij om hem te aanbidden. Maar het boeide hem niets. Hij kon zich niet meer herinneren waarom hij lijkschouwer wilde worden. Het leek alsof het hem riep als een sirene naar een zeeman riep. Het gekke was dat hij zich ook niet meer kon herinneren hoe hij in dit stadje terecht was gekomen, alsof hij hier altijd al was geweest, alsof zijn herinneringen in zijn geheugen gebrand stonden en toch voelden ze alsof ze niet van hem waren.

Achter hem, tegen de muur, stond rechercheur Elise de Vries. Haar blonde haren strak in een staart. Ze was het evenbeeld van haar zuster. Ze droeg een leren jas die naar buitenlucht rook en hield haar armen over elkaar gevouwen als een verdedigingslinie. Haar blik ging van de vrouw op de tafel naar Hadrian, alsof ze nog twijfelde wie van de twee enger was.
‘We weten niet wat dit is,’ zei ze zacht. ‘Alles klopt niet. Geen letsel. Geen verwurging, geen sporen van gif. Alleen een volledig stilgevallen lichaam. Alsof ze…’
‘Opgegeven heeft,’ maakte Hadrian haar zin af. Zijn stem was laag en glad, als water over steen.
Elise knikte langzaam. ‘Ze is vannacht gevonden. Midden op de Dam.’
‘Op de Dam?’ vroeg Hadrian.
Elise knikte. ‘Geen ID, geen schoenen, geen camerabeelden. Het is alsof ze daar gewoon… stond.’
‘Waarom doe ik de autopsie als ze in Amsterdam is gevonden?’
‘Omdat jij degene bent die dit soort zaken oppakt.’
Hadrian knikte langzaam. Ze had gelijk. Hij was degene die werd gebeld zodra iets vreemd werd. Hij reisde door heel Nederland en begon zelfs in het buitenland naam te maken.
Kun je de dood niet verklaren? Heeft het iets mysterieus?
Dan belde je Dr. Hadrian Charon.
Zijn naam verscheen inmiddels in bijna elk medisch vakblad. En hij moest het toegeven — hij hield van dit soort zaken. Van het mysterie. Het onverklaarbare.
De X-files-dossiers, zoals hij ze zelf noemde.
Hij boog zich voorover en trok met uiterste precisie een scalpel over de borstkas van de dode. De snee was bijna elegant, als een penseelstreek. Met het geroutineerde gebaar van iemand die de dood al duizend keer had aangekeken, klapte hij de ribbenkast open.
Geen bloed.
Zijn ogen gleden langzaam over de organen. Eén voor één sneed hij ze eruit, zorgvuldig, voor verder onderzoek.
De longen waren net zo wit als de huid van de vrouw. Maar er waren geen tekenen van verstikking. Geen bevriezing. Geen trauma.
Het hart was intact, maar verkleurd. Niet zwart. Niet rood en levend.
Maar grijzig en glanzend — alsof het van binnenuit was versteend. Toch trof hij geen kalkresten aan.
Hij legde het hart in een weegschaal, en de naald schoot direct naar twee kilogram.
Fronsend haalde hij het eruit en legde het opnieuw neer.
Weer sprong het display naar twee kilogram.
‘Dit kan niet…’ mompelde hij. Zijn vingers rustten even op de rand van het borstbeen, alsof hij tastte naar iets wat niet tastbaar was.
De stilte leek dieper te worden. Als een kelder die onder je voeten openklapt.
Achter hem haalde Elise moeizaam adem. ‘Dit is de zesde. En nog steeds geen spoor. Geen patroon. Behalve…’
Ze zweeg. Iets achter haar ogen trilde.
‘Behalve wat?’ vroeg Hadrian zonder op te kijken.
‘Ze lijken allemaal bevroren. Alsof ze van steen zijn geworden in de laatste minuten van hun leven.’
Hadrian keek haar eindelijk aan. De stilte die volgde was oorverdovend.
Om die te doorbreken vroeg hij: ‘Hebben ze al iets van je zus gehoord?’
Elises kaken spanden zich. ‘Nadia,’ zei ze, alsof ze hem wilde herinneren aan haar naam. ‘Ze hebben niks gevonden. Ze kreeg samen met Jeroen een laatste opdracht, maar niemand weet waarheen. De opname van de centrale bevat zoveel ruis dat het niet meer te beluisteren is.’
‘Hoe lang wordt ze nu vermist?’
Elise zuchtte — vermoedelijk dankbaar dat hij benoemde wat het werkelijk was: een vermissingszaak, en niet twee weggelopen verliefde pubers, zoals de commissaris het noemde. ‘Ze verdween drie maanden geleden. En nog steeds geen lichaam. Geen spoor. Maar…’ Ze schudde haar hoofd, alsof ze de woorden niet wilde uitspreken.
‘Wat?’
‘Ze lijken op haar… allemaal…’
Hij zei niets.
Zijn blik ging terug naar het stille hart.
De stilte drukte tegen zijn trommelvliezen, trok aan de rand van zijn bewustzijn.
Ze is terug.
Hadrian legde het scalpel neer.

De tl-buizen boven zijn hoofd zoemden onregelmatig, alsof ze elk moment konden flikkeren of barsten. Hadrian zat aan zijn bureau, voorovergebogen, ellebogen op het hout, duimen tegen zijn slapen gedrukt. Zijn hoofd bonsde. Niet als een gewone hoofdpijn — het voelde dieper. Oud. Alsof iets in zijn schedel probeerde wakker te worden.
Voor hem lagen de dossiers opengevouwen. Papier met vergeelde randen, handgeschreven notities in een strak, hoekig handschrift. Zijn handschrift — dat wist hij zeker. Maar sommige woorden… die herkende hij niet meer.
Hij sloeg een map open.

Dossier: Onbekende man, ± 50 jaar
Locatie: Wouda
Omschrijving: Gevonden in een transformatorhuisje.
Het lichaam was doorkruist met koperdraden, als wortels die zich door het vlees hadden geboord. Niet aangelegd ná de dood — ze waren gegroeid, verweven met zijn aderen.
Hadrian had een stuk slagader weggesneden en onder de microscoop gelegd. Het bestond uit koper. Puur koper. Doodslag?
Zijn notitie in de marge: Ήφαιστος. Hephaestus.

Hadrian fronste. Hij kon zich niet herinneren dat hij dat erbij had geschreven.
Hij sloeg het dossier dicht en pakte het volgende.

Dossier: Vrouw, ± 34 jaar
Locatie: Thessaloniki, opgehaald via internationaal verzoek
Omschrijving: Gered uit de zee na vijf minuten in het water. Ooggetuigen verklaarden dat ze de vrijwillig de zee in liep nadat ze had gezegd dat ze de muziek wilde volgen. Toch vertoonde haar huid tekenen van extreme verweking. Alsof ze maandenlang ondergedompeld was geweest. Haren klitten als zeewier, vingernagels losgeweekt, ogen troebel van zoutafzetting.
Duidelijke tekenen van verdrinken. Mogelijke zelfmoord.
De aantekening: Ὀρφεύς. Orpheus.

Hadrian duwde zichzelf achteruit. Hij herkende de naam.
Griekse mythologie? Hij had in zijn hele leven geen enkele interesse gehad in religie of sagen. Maar hoe kende hij deze namen?

Dossier: Man, ± 40 jaar
Locatie: Valkenburg
Omschrijving: Gevonden gewikkeld in een zijden tapijt. Geen verwurging. Geen geweld. Maar het lichaam was vergroeid met het weefsel — draden liepen onder de huid door, alsof ze uit zijn poriën waren gegroeid.
Op de CT-scan leek het patroon van het tapijt zich in zijn organen te herhalen. En bij het verwijderen van de organen moest hij draden doorsnijden om ze te bevrijden. Zijden draden die niets te zoeken hadden in een menselijk lichaam.
Randnotitie, haastig gekrabbeld: Ἀράχνη. Arachne.

Hadrian kneep zijn ogen dicht. Een steek ging door zijn hoofd, alsof een naald zich in zijn hersenstam had geboord. Hij schreeuwde van de pijn en zijn handen schoten naar de zijkant van zijn hoofd. Het papier voor hem leek te bewegen — alsof de letters ademden.
Hij stond op, wankelde. Op het moment dat zijn knie de rand van het bureau raakte, flitste het achter zijn ogen.

Water.
Een rivier, breed en zwart als inkt. Mistlaag erboven. En een boot — smal, oud, van hout dat kraakte onder zijn voeten. Er stond een man in de boot. Rimpels als groeven in steen. Een uitgestoken hand, zwijgend. Wachtend op betaling.

Duisternis.
Een troon, uitgehouwen uit basalt. Niet verlicht, niet zichtbaar — maar met blauwe vlammen ernaast dat amper de ruimte verlichtten. Het voelde als… thuis. Rondom hem: flarden van stemmen, maar geen gezichten.

Licht.
Twee mannen, bogen zich over hem heen. Gouden licht straalde uit hun huid. Ze lachten. Niet vrolijk, maar als mannen die niets meer vreesden. Eén had ogen als de lucht voor een storm. De ander droeg water in zijn handpalmen.
Ze keken hem aan — en lachten.
Niet met hem. Om hem.


Met een schok kwam Hadrian weer bij in zijn kantoor. Hij hijgde, zijn voorhoofd was nat van het zweet en zijn slapen bonsden alsof er iets van binnenuit tegenaan duwde. Zijn maag draaide om en zonder nadenken boog hij zich voorover en braakte zijn lunch in de prullenbak naast zijn bureau.
Voor hem lagen de dossiers nog open op tafel, alsof ze hem iets wilden zeggen. Zijn handen trilden licht terwijl hij naar de namen keek die hij er zelf bij had geschreven — al kon hij zich niet herinneren wanneer.
Hephaestus. Orpheus. Arachne.
Hij las ze opnieuw. En nog een keer. Hij bleef kijken, alsof de woorden hem iets zouden uitleggen.
Waarom had hij die namen opgeschreven?
Het voelde niet alsof hij ze zomaar had genoteerd, niet uit interesse of nieuwsgierigheid.
Het voelde als een herinnering, maar niet eentje van hemzelf.
Toch zat het diep in hem, alsof het altijd al daar had gezeten.
Hij klemde zijn kaken op elkaar terwijl de hoofdpijn weer opkwam — zwaar en golvend, alsof er iets vanuit de diepte van zijn gedachten omhoog wilde komen.
Een naam begon vorm te krijgen. Geen uitgesproken woord, maar een gevoel. Iets wat dichtbij was.
Alsof het in zijn lichaam zat, net onder zijn huid.
Alsof het er altijd al geweest was.
Maar hij kon het nog niet vastpakken.
Nog niet.

De stilte in het mortuarium was dikker dan anders. Ze hing om me heen als mist die zich in mijn poriën nestelde. De airco zoemde, maar het klonk dof, onderdrukt, alsof zelfs het geluid niet meer durfde te ademen.
Ik liep langzaam naar binnen, het halletje nog half verlicht door de ochtendzon die de kille ruimte nauwelijks wist te verwarmen. Bij de balie zat een jonge man, nonchalant onderuitgezakt in zijn stoel met zijn sandalen op de toonbank. Zijn oortjes bungelden half uit zijn hoodie, en hij bladerde door een vergeeld tijdschrift alsof de dood buiten hem om draaide.
‘Morgen, dokter Charon,’ zei hij, zonder op te kijken.
‘Goedemorgen Herman,’ mompelde ik. Ik keek opzij en zijn naam bordje stond vol trots op het bureau. Maar toen ik een paar passen verder was en nog één keer terugkeek, stond er iets anders.
Hermes.
Ik bleef kort staan, keek naar hem, maar hij glimlachte slechts, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Ik zei niets. Misschien was het slaapgebrek. Misschien iets anders.
Ik liep verder, het gangpad door, langs de koelcellen, tot ik bij mijn eigen kantoor kwam. Mijn hoofd voelde zwaar, alsof er iets diep in mij probeerde te bewegen. Iets ouds. Iets dat ik niet wilde aanraken.
Op mijn bureau lag een nieuw dossier. Vermoedelijk gebracht door Herman.  De melding: een onbekende vrouw, gevonden bij een verlaten bloemenkas aan de rand van Haarlem. Doodsoorzaak: onbekend.
Weer een lichaam zonder antwoord.
Ik trok mijn jas aan en liep zwijgend naar beneden. Mijn hand gleed langs de lades tot ik bij nummer 27 bleef steken. Mijn vingers rustten net iets te lang op de hendel. Alsof ik al wist wat daar lag. Alsof mijn lichaam het eerder had gevoeld dan mijn geest.
Ik trok de lade open.
Daar lag ze.Jong, een witblauwe jurk die nog rook naar vocht en aarde. Haar kastanjebruine haar lag als een waaier over haar schouders. Haar huid was niet doodsbleek, maar koel en stil, alsof ze ergens tussen werelden zweefde — als iemand die op het punt stond wakker te worden uit een lange droom.
En haar gezicht… Mijn adem stokte.
Ze leek op háár.
Niet zomaar iemand, geen vage herinnering uit een boek of een droom. Nee — ze leek op Persephone.
Ik wist niet waar die naam vandaan kwam. Ik had haar naam nooit bewust gedacht. Nooit uitgesproken. Maar nu, plotseling, stond ze voor me — of tenminste, een echo van wie ze ooit was.
Mijn hand bewoog vanzelf, rustte op haar schouder. Haar huid was ijskoud, maar het was geen gewone kou. Het was de kou van afgesloten ruimtes, van diepe, wortelachtige stilte. Ondergronds. Tijdloos.
En toen zag ik het.
Zij, in een tuin vol zwarte bloemen. Haar hand in de mijne.
Een opengebroken granaatappel. Zes zaden.
En ik — op een troon van steen, zwijgend, wachtend.
Mijn hand trok zich terug, alsof ik me gebrand had. Ik deinsde achteruit, mijn rug tegen de metalen kast.
‘Nee…’ fluisterde ik, maar mijn stem klonk onzeker, klein. Alsof ik mezelf niet geloofde.
En toen begon het. Niet buiten mij, maar vanbinnen. Een trilling. Een stem zonder klank. Geen woorden, maar betekenis. Het steeg uit een diepte die ik tot nu toe altijd had weten te vermijden.
Mijn benen trilden. Ik greep de rand van de tafel, alsof ik anders zou wegzinken.
Ze is het niet. Maar ze lijkt genoeg. Genoeg om me te herinneren.
En toen viel het van me af als een masker.
Ik zag mezelf. Niet in een spiegel, niet in het oppervlak van staal of glas, maar daarbinnen. In de kern van wat ik ben. Een zwart gewaad. Grijze ogen. Een kroon van obsidiaan. Een troon, diep onder de wereld, gehuld in duisternis en fluisteringen. En rondom mij: zielen. Eeuwige herinneringen.
Niet Hadrian. Niet de arts. Niet de lijkschouwer.
Ik ben Hades. En ik heb mijn broers vloek van me af geschud.

‘Dat zou tijd worden.’
Ik draaide me langzaam om. In de deuropening stond Hermes, met een grijns die net te breed was om geruststellend te zijn.
‘Je hebt je tijd wel genomen, zeg,’ zei hij terwijl hij dichterbij kwam. In zijn hand hield hij mijn jas. Zwart. Zwaarder dan ik me herinnerde. Alsof het in de tussentijd met elke seconde aan betekenis had gewonnen. ‘Hier. Je gaat hem nodig hebben.’
Ik nam hem aan zonder iets te zeggen. De stof voelde vertrouwd, alsof mijn lichaam hem herkende voordat mijn geest het deed.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik uiteindelijk.
‘Je broers…’ zei Hermes.
‘Wat hebben ze gedaan?’
Hermes haalde diep adem. Zijn grijns verdween.
‘Ze is terug.’
Mijn hart — wat daar nog van over was — trok samen.
‘Wie?’
‘Je weet wie,’ zei hij. Zijn stem was nu dof, serieus. ‘Ze beweegt zich door de steden als een schaduw. Iedereen die haar aankijkt… versteent. Stuk voor stuk.’
‘Medusa,’ fluisterde ik.
Hermes knikte. ‘Ze is veranderd. Sterker. En ze is op zoek naar iets. Iemand. Jij, misschien.’
Ik sloot mijn ogen. De herinnering aan een tuin vol stenen, een meisje met ogen als spiegels, haar verdriet, haar woede — het kwam allemaal in één ruk terug. Niet als herinnering, maar als belofte.
‘We gaan haar vinden,’ zei ik.
Hermes glimlachte flauwtjes. ‘Dat ga je niet alleen doen.’
Achter hem verscheen een silhouet in de deuropening. Elise. Haar handen in de zakken van haar jas, haar blik vastbesloten. Niet verbaasd. Niet bang. En voor het eerst sinds lange tijd zag ik wie ze echt was. Geen Elise de Vries, maar Artemis. De jageres. De beschermster. De wreker.
‘Ik heb nog een rekening te vereffenen,’ zei ze.
Ik knikte langzaam. De drie van ons. De boodschapper, de wachter, en de jager.
Hermes draaide zich om en liep weg. Artemis volgde hem zwijgend.
Ik bleef nog even staan. Voelde de stilte één laatste keer om me heen. De geur van formaline, metaal en oude herinneringen.
Toen trok ik de jas aan.
En liep mee de duisternis in.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #6 Een Laatste Gift


Het begon op een maandag die zich nauwelijks onderscheidde van de rest. De zon scheen, maar alles voelde grijs, traag, bedekt onder een sluier van stilte. Niko liep door de school alsof hij zich voortbewoog door stroperige lucht. Geluiden bereikten hem wel, maar misten scherpte. Stemmen gleden als een vage stroom langs hem heen. Lachen. Gesis. Fluisteringen. Altijd net te luid wanneer hij langsliep.
‘Freak,’ zei iemand.
‘Viezerik.’
Anderen lachten. Iemand sloeg zijn boeken uit zijn handen en liep zonder omkijken door. Nooit zijn naam. Nooit mét hem. Altijd tégen hem. Altijd óver hem.
Hij had al weken niet gepraat. Zelfs thuis niet meer. Zijn moeder had het geprobeerd. Eerst met een kop lauwe thee en een poging tot een gesprek, over school, over zijn hobby’s, alsof het allemaal nog gewoon was. Daarna met een afspraak bij de huisarts, die niets vond. Toen een psycholoog, waar Niko nooit iets zei. Ze probeerde hem te bereiken via muziek, via oude foto’s, zelfs via boosheid — schreeuwde een keer dat hij zich aanstelde. Maar niets brak door. Haar blik begon van hem af te glijden, alsof hij langzaam verdween in iets waar ze niet bij kon. Daarna liet ze hem met rust. Iedereen deed dat uiteindelijk.
Die dag lieten ze hem echter niet met rust. Ze renden achter hem aan, sloegen zijn huiswerk uit zijn hand en schreeuwden tegen hem.
In het toilet op de tweede verdieping, waar de lamp flikkerde en de muren grauw waren van graffiti, trok Niko de deur achter zich dicht alsof hij zich opsloot in een graf van porselein. De geur van schoonmaakmiddel vermengd met oude urine prikkelde zijn neus, maar hij voelde het nauwelijks. Alles was dof. Hij liet zich zakken op de rand van het gesloten toilet, zijn knieën opgetrokken tegen zijn borst, zijn armen eromheen geslagen alsof hij zichzelf bijeen moest houden. Zijn schouders trilden nauwelijks merkbaar, maar onafgebroken. Zijn ademhaling was onregelmatig — niet snel, maar hortend, alsof zijn lichaam zelf niet wist of het verder wilde. Zijn maag draaide, leeg maar gespannen en in zijn kaken zat een constante druk van ingehouden woede of tranen — hij wist het verschil al niet meer. Elke spier in zijn lijf leek op het punt van breken te staan, maar bleef net stijf genoeg om hem bij elkaar te houden. Alsof het hele lichaam samenspande om hem stil te houden, zodat hij zou verdwijnen zonder geluid.
Zijn hoofd bonkte tegen de koude tegelmuur achter hem. Elke tik voelde als een ritmische echo van zijn eigen gedachten. De stemmen van buiten – lachen, voetstappen, deuren die dichtsloegen – drongen flarden naar binnen, maar leken uit een andere wereld te komen. Hij hoorde ze zonder te luisteren. Hij was hier, maar niet aanwezig.
Zijn vingers krasten lijnen in zijn been. Eén lijn voor elke dag dat hij zich zo voelde. Eén lijn voor elk woord dat hij had ingeslikt. Woorden die hij als verdediging tegen de pesters had kunnen gebruiken, maar hij bleef stil.
Toen hij geen geluiden meer hoorde, kwam hij uit het toilethokje.  Hij liep naar de wasbak en waste automatisch zijn handen. Een reactie uit gewenning. Hij gooide water in zijn gezicht om de tranen die over zijn wangen hadden gelopen weg te laten vloeien.
Hij keek omhoog, naar de spiegel boven de wastafel. Vanuit deze hoek kon hij zichzelf zien, vlekkerig, onscherp, alsof zijn bestaan alleen nog te herkennen was door zijn schaduw. Zijn gezicht had iets weg van iemand die al vertrokken was. Ogen zonder glans, lippen gesloten als een verzegelde brief.
En ergens daar, in die ruimte tussen geluid en stilte, tussen beweging en verlamming, dacht hij het zonder woorden: Als iemand mij hoort, laat me dan verdwijnen. Help me.
Het antwoord kwam als warmte. Niet zacht, niet troostend, maar onverbiddelijk — alsof het hele gebouw langzaam begon op te warmen vanbinnen. De lucht werd zwaarder. Niko hief zijn hoofd en zag in de spiegel boven de wastafel een silhouet dat er eerder niet was. Een man, of wat ooit een man was, stond daar met ogen als brandende kolen en een lichaam dat ademde als gloeiend ijzer. Zijn huid leek op gesmolten koper, gebarsten, dampend.
Niko schrok niet. Hij voelde iets veel ergers dan angst: herkenning.
‘Ik voel jou, Niko,’ zei de figuur, zijn stem als een echo van diep onder de grond.
‘Ik wil niet meer,’ fluisterde Niko. ‘Het is te veel. Alles is te veel. Alsof ik elke dag verdrink en niemand het ziet. Alsof ik niet besta. Alsof ik al dood ben, maar nog rondloop.’
De figuur knikte, langzaam. Niet als bevestiging, maar als iemand die het al wist.
De man knielde voor hem neer, langzaam, alsof hij brak bij elke beweging. Uit zijn borst haalde hij iets — geen wapen in de traditionele zin, maar iets abstracts, een vorm die vloeide tussen staal en licht. Het pulseerde, levend, vormloos.
‘Onthou: Ik geef alleen wat gevraagd wordt,’ zei hij zacht. ‘Om je te helpen. Om het lijden te eindigen.’
Niko reikte ernaar zonder aarzeling. Zodra zijn vingers het raakten, veranderde het.
Het werd iets wat paste in zijn hand. Wat aanvoelde als controle.
Een wapen, ja, maar ook een sleutel. Een belofte. Een eindpunt.
In eerste instantie dacht Niko alleen aan zichzelf. Aan het weghalen van de pijn. Aan verdwijnen. Maar terwijl hij daar zat met het wapen in zijn hand, begonnen andere beelden zich in zijn hoofd te nestelen. De gezichten van de jongens die hem hadden uitgelachen, die zijn rugzak uit zijn handen hadden gerukt, die fluisterden en gniffelden wanneer hij langs liep. De meisjes die hem negeerden alsof hij lucht was. De leraren die nooit doorvroegen, nooit écht keken.
Een deel van hem huilde om rust. Maar een ander deel, dieper, donkerder, begon te fluisteren dat ze het moesten weten. Dat ze het moesten voelen. Dat als hij dan toch zou verdwijnen, hij tenminste iets zou achterlaten. Geen brief. Geen schreeuw. Maar een herinnering die hen zou dwingen te luisteren.
Hij voelde hoe de warmte van het wapen overging in zijn vingers. Hoe het leek te ademen, alsof het zijn gedachten volgde. En ergens wist hij: dit was niet enkel een sleutel om te eindigen. Het was ook een mogelijkheid om gehoord te worden, eindelijk. Zelfs als het bloed kostte.
Hij kneep zijn vingers strakker om het handvat.
‘Waarom?’ fluisterde Niko uiteindelijk.
De man keek hem aan. In zijn ogen lag geen overtuiging. Alleen verdriet.
‘Omdat ik niet anders kan.’

Het gebeurde drie dagen later. Volgens het nieuws zag niemand het aankomen. Niet van Niko. Niet van de stille jongen die nooit een woord zei, die altijd zijn capuchon ophad en zijn lunch onaangeroerd liet.
Die ochtend was anders, maar slechts voor hem. Hij liep trager dan normaal, zijn tas hing losjes over één schouder. De hal was gevuld met dezelfde vertrouwde geluiden: geroezemoes, geschreeuw, kluisjes die dichtklapten. Maar in zijn hoofd klonk het als de echo van een lege ruimte. Alles was al besloten.
Toch twijfelde hij.
Zijn hand klemde om het wapen in zijn jaszak, zijn vingers koud van spanning. Hij dacht aan de woorden die hij had uitgesproken in dat toilet. Ik wil niet meer. Hij dacht aan zijn moeder, aan haar pogingen, haar blik die steeds leger werd. Hij dacht aan de psycholoog, de leraren, de gangen die hij duizend keer had doorlopen. En even, heel even, overwoog hij om naar het dak te lopen in plaats van naar de aula. Om gewoon te verdwijnen. Zonder sporen. Geruisloos. Niemand pijn doen. Misschien zouden ze dan zeggen dat hij stil was, maar vriendelijk. Dat hij geen overlast gaf. Misschien zou iemand dan wél opmerken dat hij er niet meer was. Hij vroeg zich af: zou iemand me missen? Of zou men alleen schrikken van de stilte?
Maar toen zag hij hen.
De twee jongens bij de lockers. Dezelfde die altijd net te luid lachten als hij voorbij liep. Eén van hen zei iets, hardop, alsof Niko onzichtbaar was. Het was niet eens grof. Alleen achteloos. Onverschillig. En dat was erger.
Hij voelde hoe iets kantelde in zijn borst. De pijn die hem tot dan toe naar binnen had gekeerd, draaide zich langzaam om. Niet langer de wens om zichzelf weg te nemen, maar een rauwe honger om iets achter te laten. Een echo. Een barst in hun wereld.
Zijn pas werd steviger. De tas gleed van zijn schouder. Zijn ademhaling vertraagde.
Zijn hand kneep in de kolf van het wapen en zijn vinger gleed naar de trekker. Hij haalde het uit zijn jaszak. De jongens hadden te laat door wat er ging gebeuren.
De gang was gevuld met klanken, gelach en voetstappen— tot het oversloeg in een geschreeuw dat door merg en been ging.
Niko liep niet snel. Hij schreeuwde niet. Hij zei niets. Alsof hij in een droom bewoog. Alsof hij zelf niet meer aanwezig was.
En de man die hem het wapen gaf volgde. Onzichtbaar voor de anderen, zichtbaar slechts voor hem. Bij elke kogel kromp hij ineen, brandde zijn huid feller, sijpelde er licht uit zijn ogen. Hij wilde zijn hand uitstrekken, het stoppen, het terugnemen… maar het was al gegeven. En wat gegeven is, keert niet terug.
Na het laatste schot viel er een stilte die geen enkele sirene ooit echt zou kunnen doorbreken. Niko zat op de grond, wapen naast zich, ademhaling oppervlakkig. Zijn ogen leeg. Alsof hij niets had bereikt. Alsof zelfs dit niet genoeg was geweest om te verdwijnen.
De man knielde naast hem neer. De rook kringelde om hen heen als een wurgende sjaal.
‘Het spijt me,’ fluisterde hij. ‘Ik wilde je alleen maar helpen.’
Buiten begonnen de sirenes. Maar binnen was alles al voorbij.

In de dagen die volgden verschenen berichten op elk scherm. Mensen spraken over hem alsof ze hem kenden, maar de werkelijkheid was dat ze nooit naar hem hadden geluisterd.
Klasgenoten die met tranen in hun ogen vertelden hoe lief en aardig de vermoorde jongens waren geweest, maar er werd geen woord gesproken over hun pesterijen.
Analyses, meningen, haat, verdriet en toen stilte. De wereld zocht naar verklaringen, naar schuldigen.
Ze zeiden dat hij psychisch ziek was. Dat hij een monster was. Dat zijn moeder, zijn leraren, de psychiater het had moeten opmerken. Niemand zei dat hij gewoon een jongen was die zachtjes had geroepen om hulp, totdat hij alleen nog kon schreeuwen met vuur.
Ze zeiden niets over mij.
Ik zat op mijn plek, waar de lucht eeuwig zindert van hitte en keek naar zijn laatste momenten. Hij zat op de grond, trillend, huilend, het wapen uit zijn hand gegleden.
En toen kwamen ze — de agenten. Ze riepen iets. Hij bewoog niet. Maar dat maakte niets uit. Het wapen lag te dichtbij. Eén schot. Midden in zijn borst. Alsof dat alles nog recht kon zetten.
Ze weten niet dat ik hem iets gaf. Dat ik hem hoorde, toen niemand anders dat deed. Ze weten niet wie ik ben.
Ik was ooit een titaan die aan de kant van Zeus vocht. Ik was ooit een god. Een brenger van vuur. Ik gaf licht aan een mensheid die in het donker kroop. Ik bracht warmte aan een wereld die krom lag van de kou. En Zeus… hij vervloekte me ervoor. Hij ketende me aan de rots, liet een adelaar mijn lever uit mijn lijf scheuren, iedere dag opnieuw. Omdat ik te veel voelde. Te veel gaf. Omdat ik weigerde weg te kijken van hun lijden.
Ik dacht dat, als ik volhield, als ik bleef geven, ze op zouden staan.
Dat ze zouden leren. Maar de mensheid wil geen genade. Ze willen wapens van licht en gebruiken ze om elkaar te verblinden. Ik gaf vuur om te verwarmen, zij maakten er wapens van. Ik gaf inzicht, zij maakten propaganda. Ik gaf een jongen de keuze — hij zag slechts één uitweg.
En toch hoor ik ze allemaal. Elk mens dat fluistert in het donker. Elk breekbaar hart dat geen woorden meer vindt. Elk mens dat zich omdraait in bed en denkt: ‘Ik wil niet meer.’
Ik hoor ze. En ik antwoord. Want ik weet niet anders.
Ik geef. Niet uit wraak. Niet uit hoop. Maar omdat ik veroordeeld ben tot voelen.
En elke stem die sterft, schreeuwt in mij na.
Mijn naam is Prometheus.
En ik weet het. Dat wat ik geef brandt. Dat ik niet langer red, maar besmet. Maar ik kán niet anders.
Ik ben de god die niet kan stoppen met geven, zelfs als de wereld liever brandt dan geneest.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #4 Waar de Stilte Zingt


Ze had haar verteld dat het er mooi zou zijn.
De vrouw op de markt — rimpelig als gedroogd fruit, haar ogen melkachtig grijs, maar scherp — had haar blik nauwelijks van Elena afgewend terwijl ze sprak.
Toen Elena aarzelend bij de kraam was blijven staan, had haar hand als vanzelf naar de armband gereikt: dun zilver, met kleine verweerde kralen in turkoois en een glanzende, amberkleurige steen in het midden. Hij glinsterde in het zonlicht, alsof er iets levends in opgesloten zat.
‘Voor gebroken harten,’ had de vrouw gefluisterd, haar vingers even rustend op Elena’s pols. Niet opdringerig. Eerder teder. Alsof ze iets voelde kloppen onder de huid wat Elena zelf niet kon benoemen.
De woorden hadden haar ongemakkelijk gemaakt. Ze had geglimlacht, maar haar gezicht voelde gespannen.
‘Het helpt,’ herhaalde de vrouw, ‘tegen wat je nu draagt.’
Elena had niets gezegd. Alleen betaald.
Toen haar stem in haar keel vastzat, had ze haar schouders opgehaald, een vluchtige lach geveinsd en haar blik op de armband gericht, opdat de vrouw niet zou zien hoe haar ogen begonnen te prikken.
De vrouw had haar hand niet losgelaten.
‘Ga naar de kust van Thracië,’ had ze toen gezegd, zachter, alsof het niet voor haar oren bedoeld was. ‘De zonsondergang daar… het licht is anders. Alsof de wereld even haar adem inhoudt.’
Ze had nog iets toegevoegd, iets wat eerder als een besluit dan een suggestie klonk:
‘Ik denk dat je daar je rust vindt.’
Rust.

Elena had die dag veel gelopen, haar blik gericht op niets in het bijzonder, alsof de stad haar kon opslokken als ze maar bleef bewegen. Maar de woorden van de vrouw hadden zich vastgezet, ergens achter haar oren. En toen de lucht die avond begon te kleuren, vond ze haar voeten richting het noorden, richting de kust die niemand haar had aangeraden — behalve die ene vrouw.
Ze wist niet wat ze zocht.
Niet écht.
De stilte, misschien.
Of een plek waar de echo van Berry’s stem eindelijk niet meer zou weerkaatsen.
Twaalf jaar had hij haar wereld gevormd.
Van samen leren fietsen tot stiekem kussen achter het schoolgebouw. Van jeugdige beloftes tot serieuzere zaken.
Ze hadden elkaars jeugdigheid gedeeld, gedacht dat dat genoeg zou zijn. Tot het gesprek kwam.
Het gesprek waarin zijn ogen weggleden, zijn handen niet meer reikten en de woorden ‘verdwenen liefde’ uit zijn mond viel als een scheur in glas.
Sindsdien voelde ze zich als een huis na een brand.
De muren stonden nog overeind, maar binnenin lag alles in as.
En het enige wat ze meedroeg, was die echo.
Zijn stem. Zijn afwezigheid.

De wandeling naar de kust bleek langer dan ze zich had voorgesteld.
Het pad slingerde door het landschap, langs olijfgaarden waar de bomen verwrongen stonden alsof ze zich wilden losrukken uit de grond. Overal lagen restanten van vuur: zwarte stronkjes, geblakerde struiken, het stof wit van as. De bergen in de verte hielden zich roerloos, hun contouren loom tegen de hemel als slapende reuzen die elk moment wakker konden worden.
De lucht hing laag en drukkend boven haar, dik als glas en warm op een manier die niet uit de zon leek te komen — eerder alsof de aarde zelf zuchtte. Elena liep met haar hoofd omlaag, haar schoenen zwart van zand en as, haar schouders moe van het gewicht dat ze nergens kon neerleggen.
Het pad onder haar voeten herinnerde haar aan Corfu. Aan die ene zomer waarop de wereld nog zacht leek, het licht goud en alles mogelijk. Ze had toen gehuild van geluk, daar aan zee, met de verlovingsring nog warm van zijn hand.
Ze wilde zijn bruid worden daar in de warme zon.
Tot ze thuiskwamen.

Toen ze uiteindelijk de kust bereikte, voelde het alsof ze een grens overstak — van adem naar stilte, van heden naar iets anders, iets ouder.
Er was niemand.
Alleen een uitgestrekte vlakte vol scheef gewaaide takken, verweerde keien die in het lage licht leken op beenderen en de zee: roerloos en spiegelglad.
De lucht erboven had de kleur van lood, met een zon die dieprood aan de horizon hing. Niet warm, niet welkom. Eerder als een oog dat op het punt stond te sluiten.
Ze legde haar tas neer in het zand en ging zitten. Trok haar knieën op en sloeg haar armen eromheen, haar blik op het water gericht. De zon lag laag, als een open wond die zich niet meer wilde dichten.
Ze wilde niets voelen.
Ze wilde dat haar hoofd eindelijk zweeg.
Maar de gedachten bleven komen — beelden die over elkaar heen tuimelden.
Ze zag weer voor zich hoe ze op Schiphol hadden gestaan, zijn hand lauw in de hare. Hoe hij glimlachte zonder zijn ogen te bewegen. Hoe zijn woorden rationeler werden, alsof liefde iets was dat je in Excel kon zetten.
Ze herinnerde zich de nachten waarop hij ‘moest overwerken’, de eenpersoonsmaaltijden op tafel en de lege stoel tegenover haar.
Zijn geur op de kussens verdween, maar zijn stilte bleef hangen in elke kamer.
En toen was het alsof zij ook begon te verdwijnen — beetje bij beetje, tot zelfs haar spiegelbeeld haar vreemd werd.

Er klonk een geluid, niet luid, maar onmiskenbaar aanwezig, een stem die uit het niets leek op te stijgen — mannelijk, diep, gedragen door een melancholie die zich als mist om haar heen legde. De klank was fluwelig en breekbaar tegelijk, melodieus maar geladen met een pijn die geen woorden nodig had om begrepen te worden. Ze kon de taal niet plaatsen en toch verstond ze het. De toon raakte haar op een plek waar ze zelf niet meer durfde te kijken, diep tussen de ribben, daar waar liefde zich ooit had genesteld en waar nu slechts een kilte zat die zich langzaam uitbreidde.
De stem nestelde zich in haar lichaam alsof het er altijd had gehoord. Het trok langs haar ruggengraat, tintelde in haar vingertoppen, klopte achter haar slapen. Haar hart sloeg onregelmatig, alsof het plots wakker werd uit een lange winterslaap. Beelden flitsten voorbij — niet fel, maar traag en zacht, als dia’s in een oude projector.
Berry’s armen om haar heen in bed, zijn geur in het kussen, het gewicht van zijn lichaam achter haar rug. Ze voelde het gemis, tastbaar als een wond die opnieuw openscheurt. En ergens, in die schemerzone tussen waarheid en herinnering, erkende ze iets wat ze lang had genegeerd: dat het niet enkel zijn fout was geweest. Dat ook zij was verdwenen, stukje bij beetje, achter woorden die ongezegd bleven.
De stem bleef zingen.
De melodie werd intenser, zwaarder, emotioneler, alsof het de laatste adem was van iemand die bad om vergiffenis. De stem zong verder, als een storm die nog net niet losbrak.
Ze keek om zich heen, maar er was niemand.
Alleen de stem die steeds dichterbij leek te komen. Als een adem vlak bij haar oor.

Haar lichaam bewoog zonder dat ze er zelf om vroeg. Haar benen brachten haar overeind, traag, als in een trance en ze zette een voet in het zand, toen nog een, haar ogen halfgesloten, haar borst vol met iets dat op barsten stond. De stem trok aan haar als een draad, onzichtbaar, maar zo krachtig dat verzet niet eens als optie opkwam. Ze voelde hoe haar huid koud werd, ondanks de drukkende hitte van de avond. De zee bewoog nauwelijks, maar iets in haar tempo klopte precies met het ritme van de zang.
Ze stapte het water in, eerst met haar rechtervoet, die onmiddellijk werd omhuld door een warmte die onnatuurlijk aanvoelde — niet zoals de zon dat het strand verwarmt, maar als iets dat leeft, dat haar begroette met een fluistering. Toen zette ze ook haar andere voet in het water. Het voelde vreemd — niet nat, niet vloeibaar — eerder alsof ze zich liet zakken in een huid die haar aanraakte van binnenuit.
Ze waadde verder tot haar knieën zich onder water bevonden, het oppervlak stil als glas, maar onder haar voeten bewoog iets. Niet het getij. Niet het zand. Iets dat pulserend ademde, dat langzaam haar benen omsloot met een doordachte traagheid die haar deed huiveren.
Toen keek ze omlaag en haar adem stokte.
Ogen als glanzende schelpen, vlak onder het oppervlak staarden haar aan.
Een gezicht tekende zich af, bedekt met algen, haar slierten zwevend in het water. Het keek haar aan met een stilte die ouder was dan taal. En het zong. Niet met haar mond, niet hoorbaar, maar haar wezen weerkaatste de klank. Meer gezichten verschenen, om haar heen, starend, onbewogen. Hun huid doorschijnend, blauwgroen, als vlees dat te lang onder water had gelegen. Hun nagels zwart, gebroken. Hun lijven zwevend in de duisternis als onvoltooide gedachten. Haren dat golfden als verdronken bloemen op zee.
Nimfen. Maar niet zoals de verhalen ze hadden omschreven.
Deze wezens waren niet prachtig, mooi of magisch. Zij waren vergaan, verteerd, herboren uit vergetelheid.
Elena’s keel was droog. Instinctief wilde ze gillen, maar ze staarde naar de gezichten die voor haar verschenen.
Ze zette nog een stap. Het water reikte nu tot haar middel. De nimfen glimlachten nu alsof ze haar welkom heetten in hun wereld. Hun handen streelden haar dijen, haar armen, haar ribbenkast, alsof ze haar vorm wilden onthouden voor ze haar zouden breken.
En zij… ze voelde geen reden meer om hen te weerstaan.
De verdriet dat zich in haar borstkast had geworteld voelde ze niet meer. Er waren geen emoties  die haar konden verstikken. Geen blijheid, geen boosheid, geen liefde. Pure leegte.
Een zucht verliet haar lippen. Geen smeekbede, geen verzet — alleen het stille geluid van iets dat loslaat.
Ze zakte.
En het water sloot zich boven haar hoofd alsof ze er nooit geweest was.

Ze was mooi, zoals de meesten die naar me toe komen, met datzelfde lege vuur in de ogen, diezelfde rusteloze stilte om zich heen, alsof iets hen heeft opengebroken vanbinnen en ze nu, zonder te weten waarom, blijven ronddolen in de echo’s van wat ooit hun leven was, tot ze mijn stem horen — niet met hun oren, maar met iets diepers, iets wat geen naam heeft, maar reageert als op een herinnering die nooit echt uit het lichaam is verdwenen.
En ik… ik zing.
Niet omdat ik wil, niet omdat ik het kies, niet omdat ik de mensen die luisteren iets verschrikkelijks gun, maar omdat de klank in mij woont, omdat het een trilling is die niet zwijgt, die zichzelf voortduwt als een rivier zonder bron, omdat elke seconde van stilte mij terugbrengt naar dat ene ogenblik dat mijn ziel heeft verteerd. Sindsdien is mijn stem het enige wat nog beweegt in mij, het enige dat nog leeft.
Ze denken dat ik hen roep, dat ik een verleider ben, maar ik vraag hen niets, ik fluister geen namen, ik reik niet naar hen; ik zing, dat is alles en wie gewond genoeg is, wie diep genoeg rouwt, wie lang genoeg verdwaald is, vindt mij vanzelf, want mijn melodie is een draad die alleen tastbaar is voor wie iets verloren heeft dat nooit terugkomt en zij — zij volgen dat draad alsof het een reddingslijn is, terwijl het niets meer is dan de rafelige restanten van wat ik zelf ben kwijtgeraakt.
Eurydice. Mijn prachtige nimf. Mijn geliefde.
Haar naam brandt nog steeds in mijn borst als ik eraan denk, haar gezicht verschijnt nog steeds in het donker van mijn gesloten ogen, haar stem — die ik nooit meer heb gehoord — galmt door elke toon die ik voortbreng, want zij was alles, zij was mijn zonlicht, mijn adem.
Toen zij stierf, toen zij werd weggerukt uit het leven zoals men een blad van een tak rukt, zonder waarschuwing, zonder genade, wist ik dat de wereld zoals ik die kende eindigde.
Een slangenbeet, een gil, een stilte.
En ik, krankzinnig van rouw, daalde af. Niet figuurlijk — letterlijk.
Ik daalde af in de diepten van de onderwereld, opzoek naar Hades. Ik zong mijn longen kapot, liet snaren breken op het bot van mijn vingers en ik bracht de doden tot tranen. Ik bewoog het hart van Persephone zelf en Hades, meester van de schaduwen, liet haar gaan, uit respect of medelijden of verveling, dat weet ik niet, maar hij gaf haar terug onder één voorwaarde: dat ik me niet omdraaide, dat ik erop vertrouwde dat ze haar lieten gaan en dat ze me zou volgen.
Het was simpel… en ik faalde.
Ik faalde omdat ik mens ben, omdat verlangen altijd sterker is dan geloof, omdat de stilte achter me zwaarder woog dan de hoop op een mooi leven met mijn geliefde. Omdat ik twijfelde in de goden en hun belofte om haar te laten gaan.
En in die ene seconde van twijfel draaide ik mij om — en ik zag haar — haar ogen, haar lippen die iets wilden zeggen — en toen werd ze uit mijn wereld gerukt, opnieuw, ditmaal niet door de dood, maar door mijn eigen zwakte, mijn eigen angst, mijn eigen liefde die zeker wilde stellen dat zij er daadwerkelijk was.
En sindsdien draag ik deze vloek.
Ik zing, niet omdat ik wil, maar omdat ik moet, omdat mijn stem het enige is wat ik nog bezit, het enige wat groter is dan de schuld.  
En terwijl ik zing, voelen anderen mijn verdriet, is mijn verlies tastbaar en ze volgen het als motten die denken dat vuur hun thuis is. Ze luisteren, maar begrijpen het niet. Ze herkennen iets, iets wat hen raakt, iets wat hen roept — niet omdat ik het vraag, maar omdat ik hun pijn weerspiegel  en zij die willen verdwijnen, die willen samenvallen met dat gevoel, willen, zonder het te weten, sterven in de hoop daar iets van zichzelf terug te vinden.
En dan komen de nimfen.
Mijn belofte aan hen was simpel. Een leven voor een leven.
Zij zijn geen helpers. Geen wrekers. Ze zijn slechts aanwezig, stil, geduldig, als roofdieren in diep water, ze herkennen het moment waarop de ziel zich losmaakt van het lichaam, en ze grijpen, ze nemen, ze verzamelen de schimmen die mijn stem aantrekt en ik kijk toe, want ik kan niets anders, ik heb geen lichaam meer, geen kracht, ik besta alleen nog in trilling, in geluid, in dat wat overblijft wanneer alles anders is weggenomen.
Elke keer wanneer er iemand verdwijnt onder het wateroppervlak, elke keer wanneer de stilte wordt hersteld, voel ik haar verder wegzakken in mij, alsof elke ziel die mij hoort een extra laag zand legt tussen mij en haar, alsof het universum mij straft voor wat ik durfde te hopen — dat liefde sterker kon zijn dan de dood.

Dus als je ooit aan de rand van de zee zit, op een avond waarop zelfs de wind zijn stem lijkt te zijn vergeten, wanneer de lucht stil hangt en het water zich niet meer roert en je iets hoort — een lied misschien, een fluistering die klinkt als verdriet dat zichzelf heeft leren zingen — draai je dan niet om, houd je adem in, sluit je hart en luister niet, want ik zal daar zijn, onzichtbaar, wachtend, niet met woede, niet met haat, maar met een stem die ik niet kan doven en een verlangen dat mij al eeuwen verslindt.
Ik ben Orpheus.
En ik zing omdat stilte mij meer verscheurt dan verlies.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Schrijven

Gebroken Goden: een nieuwe serie vol duistere verhalen

Soms worden monsters niet geboren. Soms worden ze gemaakt.

Vanaf 3 mei begint mijn nieuwe serie Gebroken Goden: tien korte verhalen over oude mythische figuren die niet langer machtig of perfect zijn, maar gebroken.
Ze zijn verraden, vervloekt of vergeten.
Ze zijn geen helden meer — maar wezens vol pijn, woede en verdriet.
Elke zaterdag komt er een nieuw verhaal online.

Je leert vrouwen kennen die gestraft werden om hun schoonheid, mannen die alles verloren door hun keuzes, en wezens die ooit goden waren… maar nu alleen nog schaduwen zijn van wie ze ooit waren.

Het eerste verhaal, “Kijk niet!”, verschijnt op 3 mei.

Durf jij hun verhalen te lezen?

Welkom in Gebroken Goden.

Korte verhalen, Schrijven

Het Wacht

De flat ligt aan de rand van een industrieterrein, met uitzicht op niets. Een uitgedroogde grasstrook, een half ingestorte fietsenstalling, en in de verte de mist van een waterzuiveringsstation. Het gebouw is grauw. De lift werkt niet. In de gang hangt een geur van oud frituurvet en vocht. Het voelt… bekend.
Mensen vermijden elkaar hier. Niemand vraagt hoe het gaat. Niemand kijkt langer dan nodig. Het is alsof iedereen zich ergens van bewust is, iets wat ze liever niet benoemen.
Ik heet Thomas Veenstra. Ik ben alleen. Na mijn opname zijn ze ermee akkoord gegaan dat ik hier kwam wonen. Ze vonden dit een ‘geschikte woonruimte voor herstart in de maatschappij’. Eén slaapkamer, kleine keuken, geen balkon. Ik hoefde alleen maar opnieuw te leren slapen. Ademhalen. Stil zijn.
De eerste nacht werd ik wakker van een geluid.
Tik…
Tik…
Tik.
..
Drie tikken, ritmisch, tegen de muur naast mijn bed. Eerst dacht ik aan leidingen, of een oude radiator. Maar dit was… kalm. Menselijk bijna. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat. De muur die ik deel met appartement 100C.
De volgende ochtend lag er een briefje onder mijn deur.
Niet opendoen.
In een kriebelig handschrift. Geen uitleg. Geen afzender.
Ik nam het mee naar de keuken, legde het op tafel en staarde er een uur naar. Daarna verbrandde ik het in de gootsteen. Dat voelde als iets wat ik moest doen, al wist ik niet waarom.
Later die dag vroeg ik mijn buurvrouw — Mevrouw Dijkstra, uit 100D — naar het appartement dat tussen ons in zat.
‘Wie woont er in 100C?’
Ze keek me aan met een blik die strakker werd dan nodig. Haar ogen knepen samen, alsof ze iets zag wat ik niet kon zien.
‘Daar woont niemand,’ zei ze.
‘Maar ik hoorde vannacht—’
‘Laat het,’ onderbrak ze. ‘Soms moet je dingen niet willen weten.’

Diezelfde nacht: weer drie tikken.
En de nacht erna.
En de nacht daarna.
Altijd tussen twee en vier uur.
Altijd drie tikken.

Op dag vijf begon ik dingen kwijt te raken. Mijn sleutels. Een aansteker. Mijn kladblok met notities. Dingen waarvan ik zeker wist dat ik ze had. Ik begon mezelf te wantrouwen. Dacht dat ik gek werd. De psychose die terugkwam. Misschien was dat ook zo. Maar het gebouw… begon ook te veranderen.
Lichten knipperden als ik in de gang liep. De lift — die zogenaamd stuk was — ging één keer open en bleef vijf seconden leeg staan, alsof het op me wachtte. De kou op mijn verdieping kroop steeds dichter naar mijn voordeur.
Deur 100C zag er doodgewoon uit. Geen naamplaatje. Geen brievenbus. Gewoon bruin, houten, oud.
En toch… het tapijt ervoor was nét iets minder stoffig dan de rest. Alsof iemand er met regelmaat stond. Lang stond.

Op dag acht kon ik niet meer slapen. Ik ging ‘s nachts op de vloer in de gang zitten, net naast 100C.
Rug tegen de muur. En ik wachtte.
En ik hoorde het.
Geen tikken dit keer. Maar een ademhaling. Langzaam. Zwaar. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat, met zijn oor tegen precies dezelfde plek als ik.
Alsof we samen ademden.

Op een ochtend stond de deur van 100C op een kier.
Millimeterwerk. Maar ik zag het. Het zwart erachter was dieper dan donker. Geen kamer. Geen ruimte. Alleen leegte.
Ik liep ernaartoe. Mijn hand trilde. Net toen ik de klink wilde aanraken, voelde ik een hand om mijn pols.
Mevrouw Dijkstra.
Ze keek me aan alsof ze iets zag wat ik niet zou begrijpen, ook al zou ze het uitleggen.
‘Als je die deur opent,’ fluisterde ze, ‘komt het terug.’
‘Wat komt terug?’
‘Je hoort het al. Elke nacht. Het klopt, Thomas. Om te zien of je wakker bent. Om te weten of je het voelt.’

Twee dagen later stond er een man in een grijs pak voor mijn deur. Kalend, map onder zijn arm.
‘Thomas? Ik ben hier om je op te halen.’
‘Wie bent u?’
‘Je begeleider. Je had hier nog niet moeten zijn.’ Zijn ogen gleden richting 100C. ‘Je bent te vroeg.’
‘Waar ben ik te vroeg voor? Ik mocht zelf een kamer uitzoeken van de begeleiding.’
Hij keek me aan met een blik in zijn ogen dat ik herkende. Ik had het te vaak gezien. Hij dacht dat ik loog, dat ik het me verbeelde en dat mijn fantasie weer met me aan de haal ging.
‘Jij woont hier al,’ hij knikte naar 100C. ‘Maar je bent nog niet ver genoeg om hier te wonen. Het is te vroeg.’
‘Maar ik mocht-’
Hij zuchtte en onderbrak me: ‘Je had een terugval. Wekenlang hoorde niemand iets van je. De politie heeft de deur van 100C opengebroken. Jij zat in de kast. Je herhaalde steeds hetzelfde.’
‘Wat dan?’
Hij keek me aan, lang.
‘Het tikt om te weten of ik luister.’
Ik staarde naar 100C. Ik weet niet meer wat waar is. Misschien ben ik er nooit weggegaan. Misschien woon ik daar nog steeds. Achter die deur.

Ze zeggen dat ik vooruitga. Dat ik goed reageer op de medicatie. Dat ik leer om los te laten.
Ik knik dan. Ik zeg dat ik nergens meer aan denk. Dat de deur dicht is. Dat ik rust heb.
Maar als het ’s nachts stil is…
Tik…
Tik…
Tik…
En ik weet dat het op me wacht.

©Bernadette Lugies 2025