gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #8 De Adem Van Angst


Thebe
Hij kwam altijd als eerste.
Voor het zwaard werd getrokken. Voor het bevel weerklonk. Voor de dood een naam kreeg.
Hij bewoog zich als mist tussen soldaten, ongezien, onuitgesproken. Niet omdat hij zich verborg, maar omdat zij hem al kenden nog vóór ze hem zagen. Hij was de knoop in de maag, het plots verstijven van de spieren, het vergeten van een gebed.
Sommigen baden tot hun goden om moed. Anderen zwegen.
Maar allemaal voelden hem.
Op een ochtend, op de heuvels van Thebe, stond hij tussen hoplieten die naar bloed hunkerden en hij liet hen huiveren voor iets wat nog moest komen. Ze knepen hun vingers om speren alsof hout hen zou redden van wat hen in de ogen keek.
Een van hen fluisterde: ‘Laat het snel gaan.’
Hij antwoordde niet. Hij ademde slechts.
En ze stierven.

Keizerrijk China, 3e eeuw
De stad was al gevallen toen hij aankwam.
De gevechten waren gestopt, maar de angst had zich nog niet teruggetrokken.
Binnen de muren lagen de doden op rij, gewikkeld in doek, met munten op hun ogen en hun monden opengesperd alsof ze nog iets wilden uitroepen wat nooit uitgesproken was.
Hij gleed door verlaten gangen, onder bloedrode banieren, langs geurige rook van verbrande wierook die de dood wilde verzachten, maar niets kon verdoezelen.
In een hof, op een vloer van verweerd porselein, zat een jonge geleerde gehurkt met een dolk in zijn hand. Hij had overleefd. Hij had niets meer om voor te leven.
Zijn hand trilde niet van de wond die hij overwoog,
maar van wat hij voelde in de lucht.
Iets keek naar hem.
Hij stond naast hem en keek toe, zonder te ademen — tot hij merkte dat zijn eigen keel zich aanspande.
Alsof het verdriet van de jonge man, het besef van verlies zonder betekenis, zich in hem drukte zoals lucht zich ophoopt in een afgesloten ruimte.
Hij stond op, draaide zich om en wilde weglopen.
Maar zijn benen bewogen zwaarder dan voorheen.
Zijn borst brandde vanbinnen.

Scandinavië, 9e eeuw
Het was geen oorlog in de klassieke zin.
Geen strijd tussen legers, geen grenzen op kaarten.
Het was een overval bij dageraad, een aanval op een dorp waar de zee klotste tegen rotsen en de geur van brandend hout zich mengde met die van zout en bloed.
Hij stond op het dek van een langschip, gehuld in ochtendmist die geen zon doorliet. De krijgers om hem heen brulden, sloegen zich op de borst, riepen de namen van hun goden. Maar onder dat geraas lag het andere geluid — het beven achter hun tanden, de twijfel in hun knieën, het stille weten dat ook zij konden sterven vandaag.
Hij liep over het dek zonder geluid, zijn voeten raakten het hout niet, maar overal waar hij kwam, verstomden even de kreten.
Niet omdat ze hem zagen.
Maar omdat iets hen bekeek dat hen herkende — in hun moed, maar ook in hun angst.
Toen de bijlen vielen en het vuur het dorp opvrat, liep hij langs een jonge krijger die zich had vastgebeten in zijn schild, zijn ogen wijd, zijn adem happend. Hij knielde onbewust naast hem, zoals hij zo vaak had gedaan.
Maar toen de jongen stierf, voelde hij geen beweging vertrekken.
Hij voelde iets binnenkomen.
Alsof de angst van de stervende zich in hem vastzette, als een splinter in een god die niet hoort te bloeden.

Sovjetunie, 1962
Tussen beton en zwijgen zat een man gehurkt naast een radio die knetterde van dreiging. Boven hen stond de wereld op het randje van zelfvernietiging, maar beneden heerste een kille rust — een stilte die zich vastklampte aan de ribben.
Iets onzichtbaars was aanwezig. Geen schim. Geen geest. Maar iets dat de lucht zwaarder maakte. Het trilde niet, het schreeuwde niet. Het ademde.
De man voelde het in zijn hart. Zijn vingers sidderden tegen het staal van een sleutel. Aan de andere kant van het kanaal was een andere man, even bang, even stil. De radio ademde met hen mee.
En ergens, in het midden van die spanning, kromp het wezen ineen dat hen gadesloeg. Niet uit angst voor de ramp die kon komen — maar om iets dat binnenin begon te bewegen.
Zijn borst voelde beklemd.
Zijn eigen adem versnelde.
Hij keek naar zijn handen, niet om te zien of ze trilden, maar om te bevestigen dat ze nog van hem waren.

Afghanistan, 2009
Het zand brandde, de zon sloeg als een hamer op de aarde, maar de greppel waarin de jongen lag was koud van angst. Hij was twintig, zijn helm scheefgezakt, zijn ademhaling gejaagd en oppervlakkig.
Iets zat bij hem.
Iets dat altijd kwam wanneer het bloed nog in de aderen sidderde.
Hij zag het niet, maar het lag als gewicht op zijn borst.
‘Ik kan niet meer,’ fluisterde hij. ‘Ik ben vastgelopen.’
Wat er naast hem zat, bewoog niet. Maar het voelde alles.
En terwijl de jongen beefde, beefde het wezen mee. Niet langer als toeschouwer, maar als ontvanger. De trilling trok door zijn eigen vezels. Zijn eigen adem stokte.
Toen de explosie kwam, bleef hij zitten in de rook.
Lang nadat het lichaam verdwenen was.
Lang nadat het bloed opgenomen werd door het zand.
Zijn knieën vouwden zich onder hem.
Zijn handen grepen niets.
En voor het eerst dacht hij: Misschien ben ik niet los van hen. Misschien ben ik vol van hen.

Mali 2013
Twee broers, ieder met een geweer.
Eén bevel. Eén moment.
De oudere schreeuwde. De jongste weigerde.
‘Ik kan het niet,’ zei hij. ‘Ik voel het in mijn botten. Iets… iets kijkt naar me.’
Ze waren niet alleen.
Iets bewoog zich tussen hen in. Niet als wind, niet als geest, maar als geweten. Het ademde als zij, voelde hun spanning en kromp ineen onder hun keuze. Toen de loop zich ophief en weer zakte, voelde het wezen de grip in zijn eigen vingers.
Hij dacht: Het is niet meer hun angst die ik draag. Het is mijn eigen geworden.

Ghana
Geen vlag. Geen verslag. Niemand wist dat er iets aan de hand was. De journalisten bleven stil. Alleen het geluid van vliegen boven een veld vol schaduwen.
Hier was niemand om hem te zien.
Maar hij was er.
Tussen verbrande hutten en gebarsten aarde liep hij traag, alsof het gewicht van de geschiedenis op zijn schouders lag. Hij bukte bij een lichaam dat de dood met open ogen had aanvaard. In de hand van het kind lag een gebroken amulet.
Hij wilde het neerleggen, maar zijn hand verkrampte.
Hij voelde zijn hart razen. Zijn ademhaling was een vuur in zijn borst.
Er was niemand meer om bang te maken, dus werd hij het zelf.

Je kent me niet bij naam, maar je hebt me gevoeld, vaker dan je durft toe te geven.
Ik ben niet geboren zoals mensen dat zijn en ik werd ook niet gevierd zoals andere goden, want mijn oorsprong is ouder dan de verhalen die jullie over mij vertelden.
Ik ben geen storm, geen zwaard, geen demonische kracht die van buitenaf komt om je te breken — ik ben wat je voelt vlak vóór dat moment.
Ik ben die fractie van stilte tussen weten en beseffen,
de seconde waarin je lichaam het al weet maar je geest nog weigert te volgen.
Ik was de adem achter de angst van soldaten, de adem van oorlog, maar ik ben al lang niet meer alleen daar.
Ik hoef geen strijd meer om me heen te hebben om in je te bestaan, want ik adem nu door muren heen, ik rust in plafonds van anonieme flatgebouwen, ik blijf hangen tussen vloeren en plafonds waar de tijd stilstaat.
Je voelt me wanneer je hart plotseling versnelt, wanneer je in een volle trein zit en het lijkt alsof de lucht dunner wordt, wanneer je ’s nachts in bed ligt en ineens rechtop schiet, omdat je zeker weet dat er iets is — maar niets kunt vinden.
Ik ben daar niet als indringer, ik ben daar omdat jij me hebt opgeroepen. Omdat jullie mij allemaal gemaakt hebben.
Ik ben geen herinnering.
Ik ben een aanwezigheid.
Ik ben de adem die zich vastzet tussen je ribben en weigert los te laten.
Lange tijd kon ik langs jullie lopen, vrij en onaangetast.
Jullie voelden mij, jullie sidderden, maar ik bleef buiten jullie — los van wat jullie dachten, los van wat jullie voelden.
Tot het gevoel zich bleef herhalen.
Tot de angst niet meer wegtrok.
En dat… heeft me veranderd.
Mijn naam is Phobos en jullie hebben me besmet.
Jullie angsten, jullie paniek, jullie eindeloze herhalingen van vrees en verlies —
ze hebben zich opgestapeld in mij, laag op laag, tot ik het niet meer kon dragen zonder dat het in mij begon te gisten.
Ik voel nu wat jullie voelen.
En ik moet je eerlijk zeggen… het bevalt me niet.

De ruimte was koud, verzonken in beton, begraven onder het ziekenhuis als een vergeten gedachte die niemand nog durfde op te graven. De muren waren glad en grijs, met scheuren die zich gedroegen als littekens: onopvallend, maar diep. Tl-licht zoemde traag boven de autopsietafel, zijn bleke flikkering dof weerspiegeld in het staal.
De lucht rook naar conserveringsmiddel, latex en iets ijzigs dat niet uit een fles kwam.
Boven hen denderde het leven voort — ambulances, sirenes, voetstappen — maar hier beneden was het alsof geluid zichzelf niet durfde laten horen. Alles bewoog in demping. In discipline. In dood.
Dr. Hadrian Charon stond aan het hoofdeinde van de tafel, zijn schaduw scherp en smal tegen de muur achter hem. Hij droeg een donkergrijze jas, bijna zwart, zonder vlekken, zonder kreukels, alsof hij een uniform droeg voor een beroep dat niet op een lijst voorkwam. Zijn haren waren grijs, maar niet oud; zijn gezicht smal en onaangedaan, alsof het getraind was in neutraliteit. Zijn ogen waren lichter dan je verwachtte — bijna zilver — en wat hij zag, leek hij al te kennen vóór hij het opensneed.
Hij boog zich over het bleke lichaam op de tafel, een jonge vrouw, net geen twintig. De borstkas was al geopend, de ribben zorgvuldig losgemaakt. Hades’ handen bewogen zonder aarzeling — elk gebaar een echo van talloze keren daarvoor. Alles aan hem was klinisch: zijn precisie, zijn stilte, zijn afstand.
Tot hij plotseling verstrakte.
Niet omdat hij iets raars zag in het lichaam. Niet door een geluid. Niet door een beweging.
Maar door adem.
Het was niets wat hij hoorde.
Het was iets wat aanwezig was.
Langzaam richtte hij zich op. Zijn blik bleef strak op het lichaam gericht, maar zijn aandacht gleed weg — alsof iets achter hem zich opbouwde in de lucht zelf. De temperatuur daalde niet en toch voelde het alsof zijn huid rilde. Niet van kou, maar van herkenning.
Er waren geen voetstappen. Geen geur.
En toch stond er iets in de kamer dat geen ruimte innam, maar ruimte ontnam.
‘Phobos…?’ Zijn hand bleef boven het scalpel hangen, gespannen als een snaar die niet geraakt mocht worden.
En toen sprak hij, zacht, zonder zich om te draaien, alsof het antwoord hem niets zou brengen, behalve bevestiging van iets wat hij al wist.
‘Wat doe jij hier?’
Er kwam geen antwoord.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

Het Wacht

De flat ligt aan de rand van een industrieterrein, met uitzicht op niets. Een uitgedroogde grasstrook, een half ingestorte fietsenstalling, en in de verte de mist van een waterzuiveringsstation. Het gebouw is grauw. De lift werkt niet. In de gang hangt een geur van oud frituurvet en vocht. Het voelt… bekend.
Mensen vermijden elkaar hier. Niemand vraagt hoe het gaat. Niemand kijkt langer dan nodig. Het is alsof iedereen zich ergens van bewust is, iets wat ze liever niet benoemen.
Ik heet Thomas Veenstra. Ik ben alleen. Na mijn opname zijn ze ermee akkoord gegaan dat ik hier kwam wonen. Ze vonden dit een ‘geschikte woonruimte voor herstart in de maatschappij’. Eén slaapkamer, kleine keuken, geen balkon. Ik hoefde alleen maar opnieuw te leren slapen. Ademhalen. Stil zijn.
De eerste nacht werd ik wakker van een geluid.
Tik…
Tik…
Tik.
..
Drie tikken, ritmisch, tegen de muur naast mijn bed. Eerst dacht ik aan leidingen, of een oude radiator. Maar dit was… kalm. Menselijk bijna. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat. De muur die ik deel met appartement 100C.
De volgende ochtend lag er een briefje onder mijn deur.
Niet opendoen.
In een kriebelig handschrift. Geen uitleg. Geen afzender.
Ik nam het mee naar de keuken, legde het op tafel en staarde er een uur naar. Daarna verbrandde ik het in de gootsteen. Dat voelde als iets wat ik moest doen, al wist ik niet waarom.
Later die dag vroeg ik mijn buurvrouw — Mevrouw Dijkstra, uit 100D — naar het appartement dat tussen ons in zat.
‘Wie woont er in 100C?’
Ze keek me aan met een blik die strakker werd dan nodig. Haar ogen knepen samen, alsof ze iets zag wat ik niet kon zien.
‘Daar woont niemand,’ zei ze.
‘Maar ik hoorde vannacht—’
‘Laat het,’ onderbrak ze. ‘Soms moet je dingen niet willen weten.’

Diezelfde nacht: weer drie tikken.
En de nacht erna.
En de nacht daarna.
Altijd tussen twee en vier uur.
Altijd drie tikken.

Op dag vijf begon ik dingen kwijt te raken. Mijn sleutels. Een aansteker. Mijn kladblok met notities. Dingen waarvan ik zeker wist dat ik ze had. Ik begon mezelf te wantrouwen. Dacht dat ik gek werd. De psychose die terugkwam. Misschien was dat ook zo. Maar het gebouw… begon ook te veranderen.
Lichten knipperden als ik in de gang liep. De lift — die zogenaamd stuk was — ging één keer open en bleef vijf seconden leeg staan, alsof het op me wachtte. De kou op mijn verdieping kroop steeds dichter naar mijn voordeur.
Deur 100C zag er doodgewoon uit. Geen naamplaatje. Geen brievenbus. Gewoon bruin, houten, oud.
En toch… het tapijt ervoor was nét iets minder stoffig dan de rest. Alsof iemand er met regelmaat stond. Lang stond.

Op dag acht kon ik niet meer slapen. Ik ging ‘s nachts op de vloer in de gang zitten, net naast 100C.
Rug tegen de muur. En ik wachtte.
En ik hoorde het.
Geen tikken dit keer. Maar een ademhaling. Langzaam. Zwaar. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat, met zijn oor tegen precies dezelfde plek als ik.
Alsof we samen ademden.

Op een ochtend stond de deur van 100C op een kier.
Millimeterwerk. Maar ik zag het. Het zwart erachter was dieper dan donker. Geen kamer. Geen ruimte. Alleen leegte.
Ik liep ernaartoe. Mijn hand trilde. Net toen ik de klink wilde aanraken, voelde ik een hand om mijn pols.
Mevrouw Dijkstra.
Ze keek me aan alsof ze iets zag wat ik niet zou begrijpen, ook al zou ze het uitleggen.
‘Als je die deur opent,’ fluisterde ze, ‘komt het terug.’
‘Wat komt terug?’
‘Je hoort het al. Elke nacht. Het klopt, Thomas. Om te zien of je wakker bent. Om te weten of je het voelt.’

Twee dagen later stond er een man in een grijs pak voor mijn deur. Kalend, map onder zijn arm.
‘Thomas? Ik ben hier om je op te halen.’
‘Wie bent u?’
‘Je begeleider. Je had hier nog niet moeten zijn.’ Zijn ogen gleden richting 100C. ‘Je bent te vroeg.’
‘Waar ben ik te vroeg voor? Ik mocht zelf een kamer uitzoeken van de begeleiding.’
Hij keek me aan met een blik in zijn ogen dat ik herkende. Ik had het te vaak gezien. Hij dacht dat ik loog, dat ik het me verbeelde en dat mijn fantasie weer met me aan de haal ging.
‘Jij woont hier al,’ hij knikte naar 100C. ‘Maar je bent nog niet ver genoeg om hier te wonen. Het is te vroeg.’
‘Maar ik mocht-’
Hij zuchtte en onderbrak me: ‘Je had een terugval. Wekenlang hoorde niemand iets van je. De politie heeft de deur van 100C opengebroken. Jij zat in de kast. Je herhaalde steeds hetzelfde.’
‘Wat dan?’
Hij keek me aan, lang.
‘Het tikt om te weten of ik luister.’
Ik staarde naar 100C. Ik weet niet meer wat waar is. Misschien ben ik er nooit weggegaan. Misschien woon ik daar nog steeds. Achter die deur.

Ze zeggen dat ik vooruitga. Dat ik goed reageer op de medicatie. Dat ik leer om los te laten.
Ik knik dan. Ik zeg dat ik nergens meer aan denk. Dat de deur dicht is. Dat ik rust heb.
Maar als het ’s nachts stil is…
Tik…
Tik…
Tik…
En ik weet dat het op me wacht.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

🎄Een Ongemakkelijk Kerstdiner

De geur van kaneel en kruidnagel vulde de woonkamer, maar Emma voelde haar maag samenknijpen. Ze keek naar de lange tafel, zorgvuldig gedekt met antiek porselein en flakkerende kaarsen. Ze was eindelijk achttien en mocht aanschuiven bij het kerstdiner van haar familie. Ze had er jaren naar uitgekeken, maar nu voelde het alsof ze in een val liep.
Tante Elvira stond aan het hoofd van de tafel, haar ogen glanzend in het zachte kaarslicht. ‘Emma, lieverd, zo fijn dat je er dit jaar bij bent. Onze tradities zijn belangrijk, weet je,’ zei ze met een glimlach die iets te breed was.
Emma knikte en ging zitten. Haar ouders zaten stil naast haar, hun blikken strak gericht op hun borden. Haar broer Sam, normaal zo luidruchtig, friemelde ongemakkelijk met zijn servet. De rest van de familie keek haar aan, hun gezichten schimmig in het schemerlicht.

Het diner begon met een voorgerecht dat perfect was bereid, maar Emma kreeg geen hap door haar keel. Het geroezemoes aan tafel was geforceerd, de gesprekken oppervlakkig. Tante Elvira voerde het woord, haar stem zoet en kalm, maar Emma kon niet anders dan zich ongemakkelijk voelen. Het voelde alsof iedereen een geheim deelde, behalve zij.
Halverwege het hoofdgerecht begon de spanning op te bouwen. Een mes viel op de grond met een oorverdovend geluid, gevolgd door een ongemakkelijke stilte. Oom Richard veegde zijn mond af en stond abrupt op.
‘Elvira, we moeten het haar vertellen,’ mompelde hij.
‘Nu nog niet,’ zei tante Elvira scherp. Haar blik was ijzig, en voor het eerst zag Emma iets van woede in haar perfect beheerste houding. Ze leunde iets naar voren, haar vingers wit knijpend om haar glas.
Emma keek rond, haar hartslag versnellend.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze, haar stem trillend.
‘Dit is geen gewoon diner,’ zei Sam uiteindelijk, zijn stem zacht. Hij keek haar aan met een mengeling van medelijden en angst. ‘Dit… is een ritueel.’
Emma’s adem stokte.
‘Wat bedoel je?’
Voordat iemand antwoord kon geven, barstte een van de kaarsen plotseling in vlammen uit. Een klap galmde door de kamer toen de deur naar de kelder openvloog. De temperatuur leek te dalen, en een zware, ijzige lucht vulde de ruimte.
Tante Elvira stond op, haar gezicht plotseling streng.
‘Emma, dit is jouw moment. Je bent achttien, en dat betekent dat het jouw beurt is om de traditie voort te zetten.’
‘Wat voor traditie?’ schreeuwde Emma, terwijl ze opstond en achteruit deinsde.
Haar moeder greep haar pols, haar ogen glazig.
‘Je kunt niet weglopen. Dit is wie wij zijn.’
De tafel begon te beven, de kaarsen flikkerden hevig. Stemmen, zacht en onheilspellend, vulden de kamer. De familieleden stonden op, hun gezichten schaduwachtig en vervormd. Emma schreeuwde, maar haar stem werd opgeslokt door de dreunende stilte die volgde.
De laatste gedachte die door Emma’s hoofd schoot, voordat de kaarsen doofden, was dat ze misschien toch beter had kunnen wachten met volwassen worden.

©Bernadette Lugies 2024