gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #5 De Laatste Draad


Het was een heldere dag, de lucht strakblauw en de zon warm genoeg om de stad te laten glanzen alsof alles nieuw gepolijst was. In de hoek van een minimalistisch ingerichte koffiebar zat Ilian, rug recht, een espressokopje tussen zijn lange vingers. Hij bewoog met de trefzekerheid van iemand die weet dat elk oog op hem zou kunnen rusten — en dat dit terecht zou zijn.
Zijn huid had de warme, diepe kleur van kaneel, glad als zijde en perfect onderhouden. Zijn gezicht was uitgesneden als een beeldhouwwerk: hoge jukbeenderen, een scherpe kaaklijn, volle lippen die moeiteloos overgingen van minachting naar verleiding. Zijn ogen waren donkerbruin, bijna zwart, met een waas van vermoeidheid die op hem stond als een accessoire — het soort elegant verval dat alleen mensen dragen die altijd te veel creëren en te weinig slapen.
Zijn haar was strak naar achteren gevlochten in dunne cornrows, strak langs zijn schedel, eindigend in een losse, kortgebonden staart in de nek. Alles aan hem was precisie. Geen toeval. Geen chaos.
Hij droeg een crèmekleurige linnen broek die soepel langs zijn benen viel en een ivoorwitte blouse met een kraag die net iets te hoog was — een eigen ontwerp, uiteraard. Om zijn hals hing een subtiel gouden kettinkje, een erfstuk van zijn grootmoeder dat hij droeg als symbool én als stijlstatement.
Op tafel lag de ochtendkrant, zorgvuldig gevouwen, alleen het onderste deel zichtbaar. Zijn ogen scanden de tekst met een mengeling van desinteresse en calculatie, tot zijn blik bleef hangen bij een klein artikel in de linkerbenedenhoek:

DRIE HULPVERLENERS VERMIST NA MYSTERIEUZE MELDING BIJ BOLDERVEEN
Bolderveen – De politie tast nog altijd in het duister over de verdwijning van drie hulpverleners die vier weken geleden spoorloos verdwenen na een noodoproep vanuit het bosgebied net buiten het dorp.
Twee politieagenten, Jeroen Grut en Nadia Vries, en ambulancebroeder Marc de Jager gingen af op een melding van verontrustende geluiden in het bos bij Bolderveen, een bekend maar zelden bezocht natuurgebied. Sindsdien is er niets meer van hen vernomen.
Een intensieve zoektocht met honden, drones en vrijwilligers leverde niets op.
Volgens een woordvoerder van de politie is de zaak ‘onverklaarbaar en ernstig verontrustend’:
‘Het is alsof ze zijn opgelost in de lucht.’
Buurtbewoners verklaren niets bijzonders te hebben gezien. Er zijn geen nieuwe tips binnengekomen.
De autoriteiten sluiten geen scenario uit, maar erkennen dat het onderzoek muurvast zit.’

Ilian leunde achterover en grijnsde.
‘Dat is nog eens een stunt,’ fluisterde hij tegen zijn espresso, alsof het een creatieve partner was.
Hij nam een slok. ‘Daar zit een prachtig verhaal in, als iemand er iets van durft te maken.’
Zijn stem was nonchalant, bijna verveeld, alsof hij het had over een nieuwe lijn zijde. Geen moment stond hij stil bij de namen. Geen greintje medeleven.
Hij stond op, haalde zijn leren portefeuille tevoorschijn en legde een biljet neer op de toonbank — achteloos, zonder oogcontact.
‘Laat de rest maar zitten,’ zei hij en liep weg voordat de barista iets kon terugzeggen. Alsof ze hem zou bedanken voor de 50 cent fooi dat hij zojuist had achtergelaten.
Buiten blies de zon tegen de straten aan als een warm strijkijzer. Hij liep kalm, met de vanzelfsprekende elegantie van iemand die wist dat de wereld beter oogde met hem erin. Zijn schaduw gleed naast hem over de straatstenen — lang, symmetrisch, alsof zelfs het licht zich naar zijn vorm voegde.

Hij was onderweg naar niets — en dus naar alles. Inspiratie vond hem altijd. En deze wijk, met haar scheuren, haar stilgevallen adem, voelde als een plek die iets achterhield. Iets belangrijks. Iets dat nog niet van hem was.
Zijn pas vertraagde toen hij langs een stoffig raam liep. Achter het glas, tussen vergeelde vitrage en de schaduwen van een vergeten kamer, stond een paspop. En daarop — een kraag. Een werkstuk van zulke finesse dat het leek alsof het vanzelf was gesponnen uit de lucht.
Hij stond stil. Zijn ogen vernauwden. Alles in hem verschoof.
De kraag leek verdacht veel op het werk van De Spin. Een legende in zijn wereld, maar ongrijpbaar. Af en toe kwamen er werken van haar uit, zo levendig, maar niemand wist wanneer het kwam, vanwaar het kwam en vooral… wie ze was.
‘Deze moet ik hebben,’ mompelde hij tegen zichzelf. Als hij in een vintage winkel deze kraag kon scoren kon hij eindelijk zijn meesterwerk afmaken.Links van het raam stond een deur. Afgebladderde verf, een oud bronzen slot en een kier — net genoeg om opgemerkt te worden door wie het móést opmerken.
Hij duwde de deur zachtjes verder open.
En terwijl hij naar binnen stapte, gleden onzichtbare draden langzaam om zijn enkels.
Maar hij merkte het niet.
Nog niet.

De deur zuchtte open als een ademhaling die te lang was ingehouden. Ilian stapte naar binnen, de ruimte in die schemerde als een oud theater dat al jaren op zijn laatste voorstelling wachtte.
De vloer was bedekt met lagen stof, afgesneden draad, half uitgerafelde doeken. Het rook naar oud hout, verkoold katoen en iets ijlers — alsof herinneringen hier nog ademden.
Langzaam draaide hij rond. Er was geen muziek, geen begroeting. Alleen stilte. Geen chaotische winkel met rommelige rekken en prijsetiketten — eerder een atelier, een werkplaats, of misschien zelfs een heiligdom. Tapijten met afbeeldingen van mensen hingen als relikwieën aan de muren, patronen die leken te bewegen wanneer je ze met je ogen volgde. Vormen die zich aan hem onttrokken zodra hij ze probeerde te begrijpen.
‘Ik had geen mensen verwacht,’ klonk het plotseling. De stem was zacht, helder, vrouwelijk, maar met een ondertoon van iets wat dieper lag — oud, misschien vermoeid. Maar niet zwak.
Hij draaide zich om. In het halfduister, tussen twee zuilen vol garens, stond een vrouw. Ze was mager, recht, haar silhouet gestroomlijnd alsof ze zelf uit draad gesponnen was. Ze droeg een lange jurk van ruwe stof met een iriserende glans — geen merk, geen herkenbaar ontwerp, maar alles eraan schreeuwde perfectie.
Ilian liet zijn gezicht ontspannen in zijn gebruikelijke glimlach.
‘Ik zag iets in de etalage. Een kraag. Fenomenaal werk.’ Hij stapte dichterbij, zijn hand gestoken in zijn jaszak, nonchalant. ‘Ik neem aan dat het van jou is?’
Ze knikte langzaam. ‘Ik maak alles hier.’
Hij grijnsde . Ze loog, hij wist dat de kraag het werk van De Spin was. De verfijnde lijnen op de kraag, het stof. Deze vrouw kon dat nooit maken, maar hij besloot het spelletje mee te spelen.
‘Dan maak je werk dat de grote modehuizen jaloers zou maken.’ Hij keek even rond, als om zich ervan te verzekeren dat niemand meeluisterde. ‘Wat wil je ervoor hebben? Ik bied goed. Beter dan de meesten.’
‘Die kraag is niet te koop,’ zei ze eenvoudig.
Zijn glimlach veranderde nauwelijks, maar kreeg iets… scherpers. ‘Alles is te koop,’ zei hij. ‘Soms moet je gewoon weten wat iemand écht nodig heeft.’
‘En jij denkt dat jij dat weet?’
Hij haalde zijn schouders op.
‘De meeste mensen willen gezien worden. Of vergeten. Of betaald. En soms — soms willen ze gewoon dat hun werk de juiste naam draagt.’ Hij zette een stap dichterbij, zijn stem verlaagde zich tot een fluistering vol honing. ‘Wat zou er gebeuren als jouw kraag werd gedragen op een Parijse catwalk? Als ik hem verwerk in mijn hoofdstuk? De wereld zou je werk verafgoden. Je hoeft niet eens je naam eraan te verbinden. Laat mij het verhaal bouwen.’
Ze keek hem aan, lang. Haar gezicht bleef neutraal, maar haar ogen leken hem te doorboren — niet zijn lichaam, maar zijn intentie.
‘Verafgoden is gevaarlijk,’ mompelde ze.
‘Verafgoden hoort erbij. Als jij het werk van de goden maakt, hoort iedereen het te zien en hoor jij …’ hij viel even stil. Hij wilde haar niet wijzer maken dan ze was. Hij zou haar nooit de eer geven. De eer was voor hem, iedereen zou haar naam vergeten.
‘En wat geef jij in ruil daarvoor?’ vroeg ze.
‘Mijn zichtbaarheid. Mijn bereik,’ loog hij.  ‘Je hebt geen idee hoeveel deuren ik voor je kan openen.’
‘Ik heb het gevoel dat je liever deuren sluit,’ antwoordde ze. ‘Vooral achter anderen.’
Hij lachte — ongemakkelijk, even, maar recupereerde snel.
‘Je bent scherp. Mooi zo. Dan weet je ook wat dit waard is. Laat me de kraag kopen, of huren, of lenen. Eén dag. Eén show. Daarna krijg je hem terug.’
Zij draaide zich langzaam om. Haar voeten leken nauwelijks de vloer te raken.
‘Kom mee.’
Hij volgde haar, want natuurlijk deed hij dat. Ze was eigenaardig, ja, maar dat hoorde bij talent. En talent moest je grijpen voor iemand anders het deed.
De binnenruimte opende zich als een kooi van licht en schaduw. Hoge muren, bekleed met onafgewerkte wandtapijten enorme weefgetouwen, houten schalen vol naalden, spoelen en haar — menselijk haar. Ilian merkte het pas toen zijn hand de vezels raakte. Te warm. Te zwaar. De textuur te dicht bij huid. Hij trok zijn vingers terug, langzaam, alsof hij zich brandde aan het besef.
Aan de verste muur hing een werk in wording. Een wandkleed, groter dan al het andere, waarin een vrouwelijke figuur langzaam vorm kreeg. Helm. Speer. Schild. Ogen vol koude soevereiniteit.
‘Athena,’ zei Ilian zacht. ‘Ambitieus onderwerp.’
‘Ik werk eraan,’ zei ze. ‘Mijn eerbetoon aan haar.’
Hij staarde naar het wandkleed. Ze had talent, dat kon hij zien. Toen hij om zich heen keek besefte hij dat ze waarschijnlijk niet had gelogen. Ze had de kraag gemaakt. Op een paspop in de hoek hing een kraag in wording. Ragfijne draden hingen losjes om de nek van de paspop, maar de patronen waren onmiskenbaar van De Spin.
Ze streek met haar hand over het wandkleed.
‘Er mist nog iets, denk je ook niet. Een… kern.’
‘Wat voor kern?’ zei hij afwezig, terwijl hij de ruimte in zich op nam. Her en der stonden beelden van Athena. Deze vrouw was bezeten van haar.
Ze draaide zich naar hem toe en tikte licht met haar wijsvinger tegen zijn borst. ‘Iets dat echt is. Iets… glorieus vergankelijk.’
Hij lachte nerveus. ‘Klinkt poëtisch. Maar ik denk dat ik je niet kan helpen met mythische bouwstenen.’
‘Oh, jawel,’ zei ze zacht. ‘Jij bent perfect.’
Voordat hij kon antwoorden, werd het atelier stiller. Alsof geluid zelf verdween. De tapijten bewogen licht — niet door wind, maar alsof ze ademhaalden. De figuur van Athena op de muur leek hem aan te kijken, haar ogen nog onvoltooid, maar al vol oordeel.
Ilian wilde een stap achteruit doen, maar merkte dat zijn voeten vastzaten. Niet aan iets fysieks — aan iets wat niet zichtbaar was. Aan aandacht. Aan intentie.
De vrouw pakte iets van een tafel: een lange, gebogen naald, glanzend en vreemd organisch — alsof het ooit levend was. Haar jurk ruiste niet, maar fluisterde.
‘Je wilde een naam,’ zei ze. ‘Je wilde iets wat de wereld zou onthouden.’
‘Ik—’ Hij hapte naar adem. Zijn stem weigerde.
‘Dan geef ik je dat. Je wordt het middelpunt. De kern van het werk.’
Ze raakte zijn huid. Geen pijn — maar een trek. Een losscheuren. Zijn borst opende zich zonder bloed en zilveren draad gleed eruit, flonkerend, warm. Zijn vingers trilden, zijn gezicht verloor kleur. Zijn ogen begonnen te rafelen.
Hij probeerde te schreeuwen, zijn lippen bewogen, maar zijn stem werd opgeslokt — niet door stilte, maar door ritme. Door het zachte, snelle tikken van haar vingers die weefden alsof ze zijn herinneringen uit hem trok.
En Athena’s gezicht op het wandkleed kreeg vorm — niet in garen, maar in Ilian’s essentie. Zijn ambitie. Zijn schoonheid. Zijn overmoed.
Het werd het werkstuk waar alles om draaide.
Hij werd het meesterwerk.

Ik liet geen goddelijke triomfen zien, geen lofzangen op hun perfectie. Ik weefde hun fouten. Hun vergissingen. Hun misbruik van macht. Ik noemde het niet bij naam — ik liet het draad doen wat taal nooit durfde.
En daar lag mijn zonde.
Ik had hen niet gehoond. Ik had hen getoond.
Dat was wat Athena niet kon verdragen.
Ze kwam niet met vuur. Niet met bliksem. Ze kwam met een blik die kouder was dan ijzer en met woorden die zichzelf in je huid nestelden en daar bleven.
Ze zei dat ik arrogant was.
Dat ik had gedacht dat ik haar kon overtreffen.
Dat ik was vergeten wie ik was: een sterfelijk mens. Tijdelijk en vervangbaar.
Ik viel niet op mijn knieën. Ik smeekte niet. Ik stond daar, net als zij – rechtop, vastberaden.
En dat was het moment waarop ze me niet meer kon vergeven.
Niet omdat ik haar had beledigd, maar omdat ik haar had gespiegeld.
Ik ben niet gestorven. Dat zou eenvoudiger zijn geweest.
Ik werd gewist. Langzaam.
Eerst uit verhalen. Toen uit gebeden. Tenslotte uit mezelf.
Wat overbleef waren mijn handen. Mijn draad. Mijn noodzaak.
Ik weefde om mezelf vast te houden. Om te herinneren wie ik ooit was.
Maar hoe meer ik weefde, hoe minder ik herkende wat ik maakte.
Het werd… iets anders.
Niet mooi. Niet lelijk, maar noodzakelijk.
En met elke draad die ik trok, voelde ik dat ik iets opbouwde. Niet een kunstwerk, maar een wachtkamer. Een plek waar waarheid kon blijven hangen als geur in een oude jas.
Ze komen vanzelf. Altijd.
Mensen zoals hij — Ilian.
Ze zijn altijd mooi, slim en gedreven. Te jong om bang te zijn, te zeker om zich vragen te stellen.
Ze denken dat ze de wereld zien zoals zij hem bouwen.
Maar ze bouwen niets. Ze nemen. Ze stelen wat ze bewonderen en doen alsof het van hen is.
Ik herken het onmiddellijk.
Niet alleen hun talent, maar hun honger om erkenning. Om de beste te zijn.
Hun bereidheid om te liegen, te kneden, te bezitten — net zoals ik ooit deed.
En dus geef ik ze wat ze willen, een moment… een ingang.
Een web.
Niet om hen te straffen, maar om iets te herstellen.
Want diep vanbinnen, achter elke draad die ik trek, zit nog altijd die ene vraag die ik nooit hardop durf te stellen: Zou ze me vergeven, als ik maar genoeg geef?
Als ik toon dat ik het begrijp — dat ik het erken — zou ze me dan weer zien?
Daarom neem ik hen.
Niet om hen te vernietigen, maar om iets te bouwen dat zij — Athena— niet kan negeren.
Een werk dat groot genoeg is om te tonen dat ik geleerd heb.
Dat ik boet en dat ik zie wat ik fout deed. Dat ik dacht dat waarheid belangrijker was dan eerbied.
Maar toch… toch voel ik nog steeds dat ik niets verkeerd deed.
En misschien is dat mijn ware vloek.
Ik ben geen godin.
Geen demon.
Geen monster uit de rand van een mythe.
Ik ben het draad.
Ik ben de trilling die blijft hangen in een ruimte waar ooit woorden klonken.
Ik ben het web dat je niet ziet tot je erin beweegt.
Ik ben de draad die alles verbindt en tegelijk uit elkaar trekt.
Ik ben wat overblijft als trots en pijn zich in stilte met elkaar vermengen.
Ik ben de schaduw achter het patroon.
En mijn naam — de naam die ze probeerden te wissen — die fluister ik nu zacht:
Ik ben Arachne.
En ik wacht op de dag dat ze me eindelijk vergeeft.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #4 Waar de Stilte Zingt


Ze had haar verteld dat het er mooi zou zijn.
De vrouw op de markt — rimpelig als gedroogd fruit, haar ogen melkachtig grijs, maar scherp — had haar blik nauwelijks van Elena afgewend terwijl ze sprak.
Toen Elena aarzelend bij de kraam was blijven staan, had haar hand als vanzelf naar de armband gereikt: dun zilver, met kleine verweerde kralen in turkoois en een glanzende, amberkleurige steen in het midden. Hij glinsterde in het zonlicht, alsof er iets levends in opgesloten zat.
‘Voor gebroken harten,’ had de vrouw gefluisterd, haar vingers even rustend op Elena’s pols. Niet opdringerig. Eerder teder. Alsof ze iets voelde kloppen onder de huid wat Elena zelf niet kon benoemen.
De woorden hadden haar ongemakkelijk gemaakt. Ze had geglimlacht, maar haar gezicht voelde gespannen.
‘Het helpt,’ herhaalde de vrouw, ‘tegen wat je nu draagt.’
Elena had niets gezegd. Alleen betaald.
Toen haar stem in haar keel vastzat, had ze haar schouders opgehaald, een vluchtige lach geveinsd en haar blik op de armband gericht, opdat de vrouw niet zou zien hoe haar ogen begonnen te prikken.
De vrouw had haar hand niet losgelaten.
‘Ga naar de kust van Thracië,’ had ze toen gezegd, zachter, alsof het niet voor haar oren bedoeld was. ‘De zonsondergang daar… het licht is anders. Alsof de wereld even haar adem inhoudt.’
Ze had nog iets toegevoegd, iets wat eerder als een besluit dan een suggestie klonk:
‘Ik denk dat je daar je rust vindt.’
Rust.

Elena had die dag veel gelopen, haar blik gericht op niets in het bijzonder, alsof de stad haar kon opslokken als ze maar bleef bewegen. Maar de woorden van de vrouw hadden zich vastgezet, ergens achter haar oren. En toen de lucht die avond begon te kleuren, vond ze haar voeten richting het noorden, richting de kust die niemand haar had aangeraden — behalve die ene vrouw.
Ze wist niet wat ze zocht.
Niet écht.
De stilte, misschien.
Of een plek waar de echo van Berry’s stem eindelijk niet meer zou weerkaatsen.
Twaalf jaar had hij haar wereld gevormd.
Van samen leren fietsen tot stiekem kussen achter het schoolgebouw. Van jeugdige beloftes tot serieuzere zaken.
Ze hadden elkaars jeugdigheid gedeeld, gedacht dat dat genoeg zou zijn. Tot het gesprek kwam.
Het gesprek waarin zijn ogen weggleden, zijn handen niet meer reikten en de woorden ‘verdwenen liefde’ uit zijn mond viel als een scheur in glas.
Sindsdien voelde ze zich als een huis na een brand.
De muren stonden nog overeind, maar binnenin lag alles in as.
En het enige wat ze meedroeg, was die echo.
Zijn stem. Zijn afwezigheid.

De wandeling naar de kust bleek langer dan ze zich had voorgesteld.
Het pad slingerde door het landschap, langs olijfgaarden waar de bomen verwrongen stonden alsof ze zich wilden losrukken uit de grond. Overal lagen restanten van vuur: zwarte stronkjes, geblakerde struiken, het stof wit van as. De bergen in de verte hielden zich roerloos, hun contouren loom tegen de hemel als slapende reuzen die elk moment wakker konden worden.
De lucht hing laag en drukkend boven haar, dik als glas en warm op een manier die niet uit de zon leek te komen — eerder alsof de aarde zelf zuchtte. Elena liep met haar hoofd omlaag, haar schoenen zwart van zand en as, haar schouders moe van het gewicht dat ze nergens kon neerleggen.
Het pad onder haar voeten herinnerde haar aan Corfu. Aan die ene zomer waarop de wereld nog zacht leek, het licht goud en alles mogelijk. Ze had toen gehuild van geluk, daar aan zee, met de verlovingsring nog warm van zijn hand.
Ze wilde zijn bruid worden daar in de warme zon.
Tot ze thuiskwamen.

Toen ze uiteindelijk de kust bereikte, voelde het alsof ze een grens overstak — van adem naar stilte, van heden naar iets anders, iets ouder.
Er was niemand.
Alleen een uitgestrekte vlakte vol scheef gewaaide takken, verweerde keien die in het lage licht leken op beenderen en de zee: roerloos en spiegelglad.
De lucht erboven had de kleur van lood, met een zon die dieprood aan de horizon hing. Niet warm, niet welkom. Eerder als een oog dat op het punt stond te sluiten.
Ze legde haar tas neer in het zand en ging zitten. Trok haar knieën op en sloeg haar armen eromheen, haar blik op het water gericht. De zon lag laag, als een open wond die zich niet meer wilde dichten.
Ze wilde niets voelen.
Ze wilde dat haar hoofd eindelijk zweeg.
Maar de gedachten bleven komen — beelden die over elkaar heen tuimelden.
Ze zag weer voor zich hoe ze op Schiphol hadden gestaan, zijn hand lauw in de hare. Hoe hij glimlachte zonder zijn ogen te bewegen. Hoe zijn woorden rationeler werden, alsof liefde iets was dat je in Excel kon zetten.
Ze herinnerde zich de nachten waarop hij ‘moest overwerken’, de eenpersoonsmaaltijden op tafel en de lege stoel tegenover haar.
Zijn geur op de kussens verdween, maar zijn stilte bleef hangen in elke kamer.
En toen was het alsof zij ook begon te verdwijnen — beetje bij beetje, tot zelfs haar spiegelbeeld haar vreemd werd.

Er klonk een geluid, niet luid, maar onmiskenbaar aanwezig, een stem die uit het niets leek op te stijgen — mannelijk, diep, gedragen door een melancholie die zich als mist om haar heen legde. De klank was fluwelig en breekbaar tegelijk, melodieus maar geladen met een pijn die geen woorden nodig had om begrepen te worden. Ze kon de taal niet plaatsen en toch verstond ze het. De toon raakte haar op een plek waar ze zelf niet meer durfde te kijken, diep tussen de ribben, daar waar liefde zich ooit had genesteld en waar nu slechts een kilte zat die zich langzaam uitbreidde.
De stem nestelde zich in haar lichaam alsof het er altijd had gehoord. Het trok langs haar ruggengraat, tintelde in haar vingertoppen, klopte achter haar slapen. Haar hart sloeg onregelmatig, alsof het plots wakker werd uit een lange winterslaap. Beelden flitsten voorbij — niet fel, maar traag en zacht, als dia’s in een oude projector.
Berry’s armen om haar heen in bed, zijn geur in het kussen, het gewicht van zijn lichaam achter haar rug. Ze voelde het gemis, tastbaar als een wond die opnieuw openscheurt. En ergens, in die schemerzone tussen waarheid en herinnering, erkende ze iets wat ze lang had genegeerd: dat het niet enkel zijn fout was geweest. Dat ook zij was verdwenen, stukje bij beetje, achter woorden die ongezegd bleven.
De stem bleef zingen.
De melodie werd intenser, zwaarder, emotioneler, alsof het de laatste adem was van iemand die bad om vergiffenis. De stem zong verder, als een storm die nog net niet losbrak.
Ze keek om zich heen, maar er was niemand.
Alleen de stem die steeds dichterbij leek te komen. Als een adem vlak bij haar oor.

Haar lichaam bewoog zonder dat ze er zelf om vroeg. Haar benen brachten haar overeind, traag, als in een trance en ze zette een voet in het zand, toen nog een, haar ogen halfgesloten, haar borst vol met iets dat op barsten stond. De stem trok aan haar als een draad, onzichtbaar, maar zo krachtig dat verzet niet eens als optie opkwam. Ze voelde hoe haar huid koud werd, ondanks de drukkende hitte van de avond. De zee bewoog nauwelijks, maar iets in haar tempo klopte precies met het ritme van de zang.
Ze stapte het water in, eerst met haar rechtervoet, die onmiddellijk werd omhuld door een warmte die onnatuurlijk aanvoelde — niet zoals de zon dat het strand verwarmt, maar als iets dat leeft, dat haar begroette met een fluistering. Toen zette ze ook haar andere voet in het water. Het voelde vreemd — niet nat, niet vloeibaar — eerder alsof ze zich liet zakken in een huid die haar aanraakte van binnenuit.
Ze waadde verder tot haar knieën zich onder water bevonden, het oppervlak stil als glas, maar onder haar voeten bewoog iets. Niet het getij. Niet het zand. Iets dat pulserend ademde, dat langzaam haar benen omsloot met een doordachte traagheid die haar deed huiveren.
Toen keek ze omlaag en haar adem stokte.
Ogen als glanzende schelpen, vlak onder het oppervlak staarden haar aan.
Een gezicht tekende zich af, bedekt met algen, haar slierten zwevend in het water. Het keek haar aan met een stilte die ouder was dan taal. En het zong. Niet met haar mond, niet hoorbaar, maar haar wezen weerkaatste de klank. Meer gezichten verschenen, om haar heen, starend, onbewogen. Hun huid doorschijnend, blauwgroen, als vlees dat te lang onder water had gelegen. Hun nagels zwart, gebroken. Hun lijven zwevend in de duisternis als onvoltooide gedachten. Haren dat golfden als verdronken bloemen op zee.
Nimfen. Maar niet zoals de verhalen ze hadden omschreven.
Deze wezens waren niet prachtig, mooi of magisch. Zij waren vergaan, verteerd, herboren uit vergetelheid.
Elena’s keel was droog. Instinctief wilde ze gillen, maar ze staarde naar de gezichten die voor haar verschenen.
Ze zette nog een stap. Het water reikte nu tot haar middel. De nimfen glimlachten nu alsof ze haar welkom heetten in hun wereld. Hun handen streelden haar dijen, haar armen, haar ribbenkast, alsof ze haar vorm wilden onthouden voor ze haar zouden breken.
En zij… ze voelde geen reden meer om hen te weerstaan.
De verdriet dat zich in haar borstkast had geworteld voelde ze niet meer. Er waren geen emoties  die haar konden verstikken. Geen blijheid, geen boosheid, geen liefde. Pure leegte.
Een zucht verliet haar lippen. Geen smeekbede, geen verzet — alleen het stille geluid van iets dat loslaat.
Ze zakte.
En het water sloot zich boven haar hoofd alsof ze er nooit geweest was.

Ze was mooi, zoals de meesten die naar me toe komen, met datzelfde lege vuur in de ogen, diezelfde rusteloze stilte om zich heen, alsof iets hen heeft opengebroken vanbinnen en ze nu, zonder te weten waarom, blijven ronddolen in de echo’s van wat ooit hun leven was, tot ze mijn stem horen — niet met hun oren, maar met iets diepers, iets wat geen naam heeft, maar reageert als op een herinnering die nooit echt uit het lichaam is verdwenen.
En ik… ik zing.
Niet omdat ik wil, niet omdat ik het kies, niet omdat ik de mensen die luisteren iets verschrikkelijks gun, maar omdat de klank in mij woont, omdat het een trilling is die niet zwijgt, die zichzelf voortduwt als een rivier zonder bron, omdat elke seconde van stilte mij terugbrengt naar dat ene ogenblik dat mijn ziel heeft verteerd. Sindsdien is mijn stem het enige wat nog beweegt in mij, het enige dat nog leeft.
Ze denken dat ik hen roep, dat ik een verleider ben, maar ik vraag hen niets, ik fluister geen namen, ik reik niet naar hen; ik zing, dat is alles en wie gewond genoeg is, wie diep genoeg rouwt, wie lang genoeg verdwaald is, vindt mij vanzelf, want mijn melodie is een draad die alleen tastbaar is voor wie iets verloren heeft dat nooit terugkomt en zij — zij volgen dat draad alsof het een reddingslijn is, terwijl het niets meer is dan de rafelige restanten van wat ik zelf ben kwijtgeraakt.
Eurydice. Mijn prachtige nimf. Mijn geliefde.
Haar naam brandt nog steeds in mijn borst als ik eraan denk, haar gezicht verschijnt nog steeds in het donker van mijn gesloten ogen, haar stem — die ik nooit meer heb gehoord — galmt door elke toon die ik voortbreng, want zij was alles, zij was mijn zonlicht, mijn adem.
Toen zij stierf, toen zij werd weggerukt uit het leven zoals men een blad van een tak rukt, zonder waarschuwing, zonder genade, wist ik dat de wereld zoals ik die kende eindigde.
Een slangenbeet, een gil, een stilte.
En ik, krankzinnig van rouw, daalde af. Niet figuurlijk — letterlijk.
Ik daalde af in de diepten van de onderwereld, opzoek naar Hades. Ik zong mijn longen kapot, liet snaren breken op het bot van mijn vingers en ik bracht de doden tot tranen. Ik bewoog het hart van Persephone zelf en Hades, meester van de schaduwen, liet haar gaan, uit respect of medelijden of verveling, dat weet ik niet, maar hij gaf haar terug onder één voorwaarde: dat ik me niet omdraaide, dat ik erop vertrouwde dat ze haar lieten gaan en dat ze me zou volgen.
Het was simpel… en ik faalde.
Ik faalde omdat ik mens ben, omdat verlangen altijd sterker is dan geloof, omdat de stilte achter me zwaarder woog dan de hoop op een mooi leven met mijn geliefde. Omdat ik twijfelde in de goden en hun belofte om haar te laten gaan.
En in die ene seconde van twijfel draaide ik mij om — en ik zag haar — haar ogen, haar lippen die iets wilden zeggen — en toen werd ze uit mijn wereld gerukt, opnieuw, ditmaal niet door de dood, maar door mijn eigen zwakte, mijn eigen angst, mijn eigen liefde die zeker wilde stellen dat zij er daadwerkelijk was.
En sindsdien draag ik deze vloek.
Ik zing, niet omdat ik wil, maar omdat ik moet, omdat mijn stem het enige is wat ik nog bezit, het enige wat groter is dan de schuld.  
En terwijl ik zing, voelen anderen mijn verdriet, is mijn verlies tastbaar en ze volgen het als motten die denken dat vuur hun thuis is. Ze luisteren, maar begrijpen het niet. Ze herkennen iets, iets wat hen raakt, iets wat hen roept — niet omdat ik het vraag, maar omdat ik hun pijn weerspiegel  en zij die willen verdwijnen, die willen samenvallen met dat gevoel, willen, zonder het te weten, sterven in de hoop daar iets van zichzelf terug te vinden.
En dan komen de nimfen.
Mijn belofte aan hen was simpel. Een leven voor een leven.
Zij zijn geen helpers. Geen wrekers. Ze zijn slechts aanwezig, stil, geduldig, als roofdieren in diep water, ze herkennen het moment waarop de ziel zich losmaakt van het lichaam, en ze grijpen, ze nemen, ze verzamelen de schimmen die mijn stem aantrekt en ik kijk toe, want ik kan niets anders, ik heb geen lichaam meer, geen kracht, ik besta alleen nog in trilling, in geluid, in dat wat overblijft wanneer alles anders is weggenomen.
Elke keer wanneer er iemand verdwijnt onder het wateroppervlak, elke keer wanneer de stilte wordt hersteld, voel ik haar verder wegzakken in mij, alsof elke ziel die mij hoort een extra laag zand legt tussen mij en haar, alsof het universum mij straft voor wat ik durfde te hopen — dat liefde sterker kon zijn dan de dood.

Dus als je ooit aan de rand van de zee zit, op een avond waarop zelfs de wind zijn stem lijkt te zijn vergeten, wanneer de lucht stil hangt en het water zich niet meer roert en je iets hoort — een lied misschien, een fluistering die klinkt als verdriet dat zichzelf heeft leren zingen — draai je dan niet om, houd je adem in, sluit je hart en luister niet, want ik zal daar zijn, onzichtbaar, wachtend, niet met woede, niet met haat, maar met een stem die ik niet kan doven en een verlangen dat mij al eeuwen verslindt.
Ik ben Orpheus.
En ik zing omdat stilte mij meer verscheurt dan verlies.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #3 Moeder van de Nacht


De muziek van het feest trilde nog als een doffe echo in Luca’s oren, terwijl hij zijn jas strakker om zich heen trok en het troosteloze park in stapte.
Het feest was niet geworden wat hij zich had voorgesteld — misschien ook nooit kon worden — want Luca was nooit iemand geweest die vanzelf tussen anderen viel.
Weinig vrienden, vluchtige bekenden; zijn moeder had hem aangedrongen om te gaan, had gezegd dat het goed voor hem zou zijn, nieuwe mensen, nieuwe kansen.
Maar in het midden van een zee van vreemden, waar gezichten oplichtten in het felle blauw van telefoonschermen en waar gesprekken kabbelden als lege beekjes over alcohol gevulde rotsen, was hij meer alleen geweest dan ooit.
Niemand merkte het toen hij vertrok, geen hoofd dat zich omdraaide, geen stem die zijn naam riep.
Hij liep de nacht in, koud en zwaar, alsof de wereld zelf hem onzichtbaar had verklaard.
Zoals altijd koos hij de kortste weg naar huis — dwars door het park, onverschillig voor de verhalen die hij als kind had gehoord, over stemmen die fluisterden uit de mist en schaduwen die je beter niet kon zien.
Zijn telefoon trilde zwak in zijn hand; hij wierp een blik op het scherm. Shit, nog drie procent batterij — een breekbaar lijntje met de wereld dat elk moment kon breken.
De mist trok tussen de bomen als adem die niet van deze wereld was, zwaar op zijn borst, klevend aan zijn kleren en terwijl hij zijn pas versnelde, gleden zijn sneakers gevaarlijk over het natte asfalt
Boven hem begon een straatlantaarn te knipperen, licht krampachtig alsof het de laatste stuiptrekken waren van iets dat allang dood had moeten zijn.
In eerste instantie dacht hij dat hij zich vergiste toen hij het hoorde — een melodieuze hese stem dat een lied, zacht en breekbaar zong. Een melodie die zich als fijne draden rond zijn gedachten wond, ouder dan de stad, ouder dan de bomen die zich als wachters om hem heen leken te sluiten.
De woorden droegen op de wind, troostend en kil tegelijk:
‘Slaap, mijn lief, sluit je ogen toe,
de nacht waakt zacht, de sterren zien toe.
De wind wiegt je hoog, de zee zingt je laag,
slaap, mijn kind, tot de nieuwe dag.’
Zijn passen vertraagden, zijn hart klopte sneller zonder reden die hij kon benoemen en daar, onder de kapotte straal van een stervend lantaarnlicht, zag hij haar: een vrouw, ineengedoken, een verfrommelde figuur van vodden en nevel, haar hoofd gebogen, haar armen om zichzelf geslagen alsof ze de nacht probeerde buiten te houden.
Even dacht Luca dat ze een zwerver was, een junkie misschien, iemand verloren in haar eigen wereld van gebroken dromen en hoewel alles in hem schreeuwde dat hij moest doorlopen, vond hij zichzelf toch stap voor stap dichterbij komen, alsof de mist zelf zijn benen vasthield.
‘Mevrouw?’ riep hij, zijn stem schor en klein in de verstikkende stilte.
De vrouw bewoog.
Langzaam, alsof elke beweging haar meer pijn deed dan de vorige, tilde ze haar hoofd op en toen haar gezicht zichtbaar werd, bevroor Luca waar hij stond; haar huid was gescheurd en schilferig, alsof de tijd haar had opgegeten en waar haar ogen hadden moeten zijn, gaapten holtes, zwart en glanzend als opgedroogde meren onder een troebele maan.
Toch, in een fractie van een seconde, flitste iets door hem heen — een herinnering die niet de zijne kon zijn: een jonge vrouw, prachtig en vol leven, haar ogen sprankelend van licht en liefde, haar lippen glimlachend tegen een kind dat veilig in haar armen lag.
Het beeld verdween zo snel als het gekomen was.
Ze bewoog langzaam, alsof haar botten aan draden hingen die te strak waren gespannen, haar gewrichten knakkend in onnatuurlijke hoeken terwijl ze overeind kwam. Ze leek op een marionet waarvan de poppenspeler het liet bewegen.
Het licht van de stervende straatlantaarn gleed over haar verschrompelde huid, over de rafelige randen van wat ooit een menselijk gezicht was geweest.
Voordat Luca zijn lichaam tot actie kon dwingen, gleed ze naar hem toe, geluidloos, haar armen uitgestrekt met vingers als gekromde haken en een stem, zacht en gebroken als nat papier, brak door de mist heen: ‘Laat me je vasthouden, mijn kind… ik wil je alleen maar omhelzen.’
Paniekgolven trokken door Luca’s lichaam, rukten aan zijn spieren, maar hij voelde de lood in zijn schoenen. Zijn lichaam weigerde te bewegen, zijn handen trilden nutteloos aan zijn zijde terwijl zijn telefoon uit zijn hand gleed en kapot brak op het asfalt.
Hij zag hoe haar hand naar hem reikte, zag hoe de grijsblauwe huid over scherpe botten gespannen stond, hoe uit haar nagels fijne scheurtjes bloed sijpelden alsof zelfs haar lichaam haar wanhopige aanraking probeerde tegen te houden — maar het was te laat.
Haar vingers streelden zijn bovenarm. Als gladde alen gleden ze over zijn bovenarm naar zijn hand. Toen ze zijn hand raakte sneed de kou direct door zijn vlees heen, als messen van ijs die zijn zenuwen lamlegden en waar haar huid hem raakte, voelde hij zijn eigen bloed stollen.
Ze trok hem tegen zich aan met een kracht die onmogelijk leek voor iets dat zo gebroken was. Haar armen om hem heen voelden als kettingen van bedorven liefde, haar lichaam rook naar verrotte aarde en natte steen, maar ergens, ergens diep onder de rot, hing nog een geur — heel vaag — iets dat ooit naar jasmijn had geroken.
‘Rust nu maar,’ fluisterde ze, haar stem trillend tegen zijn oor, haar adem klam en ruikend naar oud graf. ‘Je bent niet meer alleen.’
Luca probeerde zich los te worstelen, een rauwe kreet ontsnapte aan zijn keel, maar haar greep was te sterk, haar wanhoop te zwaar.
Hij voelde haar handen over zijn rug glijden, niet met haat maar met een dwingende tederheid die hem haast brak. Waar ze hem raakten, leek de wereld zelf uit elkaar te rafelen.
Zijn borst werd zwaar.
Zijn hart, dat even daarvoor nog wild had gehamerd, begon te vertragen, zijn slagaderen verkleefd met de ijzige kilte die zich een weg naar binnen wrong.
Hij voelde hoe zijn vingers gevoelloos werden, hoe zijn benen hun gewicht verloren. Hij zag hoe hij langzaam oploste in de mist die hem omhulde.
Haar lippen bewogen nog, vlak naast zijn oor en hij hoorde de woorden die zich als een laatste gebed in zijn bewustzijn wrongen.
‘Droom, mijn lief, onder maanlicht zo koud,
de zee slaapt stil, het bos is oud.
Rust in mijn armen, verdwijn in de nacht,
slaap, mijn kind, ik hou voor je de wacht.’
Zijn zicht werd troebel.
De wereld werd een waterig geheel van lichtvlekken en schaduwen, de contouren van de bomen vloeiden in elkaar als inkt in water.
Zijn benen begaven het onder hem, maar haar armen hielden hem overeind, wiegden hem zachtjes heen en weer, haar kin rustend tegen zijn kruin, haar hele wezen pulserend van een liefde die te ver was gegaan.
De mist trok hem mee, nam zijn adem, zijn laatste gedachten.
En het laatste wat Luca voelde, voordat de nacht hem volledig opslokte, was haar hand, ruw maar hunkerend, haar hartslag als een doffe trom in haar borst — en haar stem, brekend onder de zwaarte van eeuwen van verlies, die hem naar een droom zong die geen ontwaken meer kende.

De mist glijdt over mijn huid als klamme doeken terwijl ik hem in de mist voel verdwijnen. Net zoals mijn eigen kinderen verdwenen. Ik kniel op de grond, mijn handen verstrikt in het dode stro van mijn haar, mijn lege ogen op het kille asfalt gericht dat geen warmte meer kent.
Ik wieg heen en weer, niet om mezelf te troosten, maar omdat mijn lichaam niet anders meer weet.
Ik voel hem nog, de jongen, zijn adem trillend tegen mijn borst, zijn hart dat klopte als dat van mijn dochters, Eurynome en Thelxinoe, lang, lang geleden, toen mijn wereld nog gevuld was met hun gelach en hun kleine vingers die zich om mijn duimen sloten.
Ik wilde hem niet pakken.
Ik wilde hem wiegen.
Ik wilde zijn warmte vasthouden, zijn leven koesteren zoals ik ooit het leven in mijn armen droeg.
Ik wilde hem laten weten dat hij niet alleen is en dat moeders liefde ook voor hem geldt.
Maar de vloek die mij doordrenkt kent geen onderscheid tussen liefde en honger, tussen verlangen en vernietiging.
Ik herinner me nog hoe ik was. Hoe ik lachte onder de zon, hoe mijn huid glansde als zijde en mijn ogen de kleuren van de zee vingen.
Ik was de koningin van Libië, door de goden bemind en door de mensen gezegend.
Ze fluisterden mijn naam als die van een zegen, als een belofte van vruchtbaarheid en voorspoed. Zeus was mijn liefde, de man waar ik van hield. Ik was zijn minnares.
En toen kwam zij…
Hera, met haar woede zo diep als de zeeën, haar jaloezie zo verstikkend als de mist en haar wraak zo scherp als geslepen obsidiaan rukte ze mijn dochters uit mijn armen, liet ze hun stemmen verstillen, hun warmte bekoelen. Mijn prachtige dochters werden door haar vermoord, opgeslokt in de mist.
Daarna nam ze mijn ogen, mijn slaap en mijn dromen.
Ze liet mij echter achter als een omhulsel – wakend, wanhopig, onsterfelijk in een lichaam dat niet langer mooi, niet langer geheel was.
Ze liet mij deze dorst na — deze eindeloze verlangen naar het vasthouden van mijn kinderen. Met een alles verslindende hoop om hun warmte weer tegen me aan voelen.
Ik neurie nog steeds hetzelfde liedje. Het klinkt nog zoals ik het toen voor hen neuriede, zacht, een liedje dat ooit hun dromen droeg en nu alleen nog maar mijn pijn kent.
‘Slaap mijn kind, tot de nieuwe dag…’ Mijn stem breekt halverwege en ik wieg verder, mijn armen leeg, mijn borst hol.
Mijn naam is Lamía.
En waar ik eens leven bracht, breng ik nu slechts leegte.
De mist sluit zich als koude handen om mij heen en terwijl de laatste lantaarn boven mij uitdooft, fluister ik hun namen in de leegte: Eurynome… Thelxinoe…
Misschien, heel misschien, horen zij mij nog.

©Bernadette Lugies 2025

gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #1 Kijk niet!

Jeroen en Nadia zaten in hun wagen te wachten op een parkeerplaats.
‘Ik háát avonddienst. Er gebeurt nooit iets spannends,’ mopperde Jeroen. ‘Ik ga denk ik solliciteren bij de politie in de grote stad. Ik haat het hier.’
De radio begon te kraken en de melding kwam binnen:
‘Geschreeuw gehoord in een verlaten woning. Diep in het bos bij Bolderveen. Vermoedelijk kelderruimte.’
Jeroen draaide de sleutel in het contact.
‘Wie woont daar nou nog?’
Nadia keek naar buiten, waar de mist tussen de bomen hing als spinrag.
‘Niemand. Dat huis staat al jaren leeg.’
Ze reden zwijgend het bos in. Takken krasten langs de zijkant van de auto. Het bospad werd smaller, de lucht stiller. Op Google Maps konden ze alleen het bos vinden. De collega’s hadden vaak gesproken over het spookhuis. Een bouwval. Geen stroom. Geen water. Alleen ruis op het politienet als je te dichtbij kwam.
Een lang, smal pad leidde hen naar het huis. Nadia kon zich indenken dat het ooit een prachtig huis moest zijn geweest. Een twee verdieping woning, met mooie grote ramen. Maar nu, het was een in elkaar gezakt bakstenen woning met een verzakt dak. Ze keek naar de grafstenen die voor de woning stonden op gesteld.
‘Griezelig,’ mompelde Nadia.
‘Meldkamer, weten jullie zeker dat hier een melding vandaan kwam?’ vroeg Jeroen door de portofoon.
Een statisch geluid, gevolgd door een simpel antwoord: ‘Ja.’
Jeroen keek naar de woning, naar de gebroken ramen. En daar, op het erf… beelden. Veel waren er kapot en lagen in stukken op de grond, maar zijn aandacht werd getrokken door de beelden die nog heel waren.
Eén bij het hek. Eén tegen de boom. Eén op de veranda.
Geen kitscherige tuinbeelden. Geen gips of beton. Deze beelden leken… echt.
Ze stapten uit en liepen ernaartoe. De beelden zagen eruit alsof mensen waren versteend in houdingen die niet klopten — bevroren in blinde paniek. Monden open, armen omhoog, alsof ze iets wilden afweren dat te dichtbij was gekomen.
‘Wie wil dat nou in zijn tuin?’
‘Stil,’ zei Nadia. ‘Luister.’
Geen vogels. Geen wind. Alleen hun adem. En het zachte gesnik vanuit het huis.
Nadia liep voorop, Jeroen erachteraan met getrokken zaklamp en hand op zijn wapen.
De kelder was van beton, de muren vochtig en beschimmeld. Jeroen scheen met zijn zaklamp langs de muren, over de vloer. Met een lichte trilling hield hij de lichtstraal op iets dat in de hoek zat.
Op de vloer, tegen de muur aan, zat een meisje.
Haar hoofd zat onder opgedroogd bloed. De huid van haar schedel vol krassen, cirkelvormige littekens — alsof iets met patronen over haar huid had gekropen. Ze droeg een dunne, witte katoenen jurk, vuil en gescheurd. En haar ogen…
‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’ mompelde Nadia. Ze zette een stap dichterbij.
De ogen van het kind waren dichtgenaaid, met grove zwarte draad. De uiteinden hingen los bij de hoeken, alsof degene die dit had gedaan haast had gehad.
Het meisje bewoog niet. Ze snikte zacht, maar het klonk niet als het gesnik dat ze buiten hadden gehoord. Alsof het verdriet nog aan het oefenen was.
‘Ik bel een ambulance,’ zei Jeroen. Zijn stem was vlak.
Nadia knielde langzaam.
‘Meisje… we gaan je helpen.’

Marc de Jager kwam de kelder binnen met snelle, zekere passen — de routine van een man die dacht alles al eens gezien te hebben. Twintig jaar op de ambulance. Verkeersongevallen, zelfmoorden, drugs, mishandeling, zelfs een cultusritueel in een schuurtje bij Wolvega. Maar dit…
Zijn pas vertraagde.
Zijn blik bleef hangen op het meisje in de hoek.
Ze leek kleiner dan een menselijk lichaam zou moeten zijn. Niet door haar lengte, maar door de manier waarop ze zich opvouwde, alsof ze zichzelf tot stilte had gedwongen. De kale schedel met opgedroogd bloed leek eerder op iets preparatief dan op letsel. De zwarte draad door haar oogleden leek geen wreedheid, maar… controle.
‘Wat ís dit?’ fluisterde hij. Zijn stem was nauwelijks hoorbaar — alsof een normaal volume iets zou kunnen breken in de lucht om hen heen.
Nadia knikte naar hem. Haar stem trilde net niet.
‘We weten het niet. Ze zegt niets. Ze… zit daar gewoon.’
Ze hield de hand van het meisje vast. De vingers waren dun, vuil, en vreemd koud. Ze klemden zich vast aan de hare met een verbeten kracht die niet bij zo’n fragiel lijf paste. Nadia voelde het: dit was geen normale angst. Dit zat dieper.
Marc knielde langzaam neer. Zijn EHBO-tas klikte open, en met zorg haalde hij zijn schaar eruit. Niet de grote, maar de fijne precisieschaar die hij gebruikte voor hechtingen.
‘Als die wonden ontstoken zijn… dan moeten we die draden eruit halen.’ Hij keek niet naar Nadia toen hij het zei, alsof hij zichzelf moest overtuigen.
‘Voorzichtig,’ zei zij zacht.
Het meisje bewoog niet. Geen enkel geluid. Maar haar lichaam trilde. Niet van kou — dit was een trilling van binnenuit. Iets dat nog niet tot uiting was gekomen.
Marc schakelde het lampje op zijn voorhoofd aan. Het blauwe licht gleed over de keldermuur, over de vlekken op de vloer, en uiteindelijk over het gezicht van het meisje. De glans van het bloed, de rafels van de draad. De stilte klonk harder.
‘Jeroen, kun je… kun je haar hand vasthouden?’ vroeg hij.
Jeroen knikte en boog zich naar het meisje.
‘Ik pak je hand vast, oké? Je hoeft niet bang te zijn. Richt je maar op mijn stem.’
Hij reikte naar haar hand. Ze reageerde meteen — haar vingers kronkelden over de zijne, graaiden, knepen. Haar nagels waren verdwenen; de huid eromheen zwart van opgedroogde aarde, en iets dat misschien geen aarde was.
Marc ademde diep in. Zijn vingers waren vast, zijn hand stil, maar er trok een rilling over zijn ruggengraat.
‘Ik ga nu knippen,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen de rest. ‘Als het pijn doet, knijp dan in Jeroens hand. Oké?’
Voor het eerst bewoog ze haar hoofd. Een kleine knik.
De schaar tikte tegen draad.
Trek. Knip.
Een zenuw onder haar oog trok samen.
Marc keek op, kort. Niets. Nog steeds stil.
Knip.
Jeroen hield zijn adem in. Het meisje drukte zich iets dichter tegen hem aan.
Knip.
De oogleden begonnen te trillen. Niet als reactie op pijn. Maar als… een instinct. Alsof het lichaam iets wist wat de rest nog niet begreep.
‘Je kunt je ogen openen,’ fluisterde Marc. ‘Het licht is misschien fel, maar dat gaat over. Ik moet kijken of er schade is aan de—’
Haar oogleden openden zich.
Niet langzaam. Niet schokkerig. Gewoon… open.
Hij zag geen pupil. Geen sclera. Geen normale iris.
Alleen goud.
Vloeibaar. Draaiend. Oneindig.
Ogen die niet zagen — maar absorbeerden.
Ogen die herinnerden.
Ze keek hem aan.
Marc hield zijn adem in.
Zijn ogen werden groot.
Zijn schouders verstijfden.
Het was alsof zijn lijf ineens snapte wat zijn hoofd niet kon bevatten.
Eén ademhaling. Een laatste knippering van de wimpers. En toen…
Niets.
Zijn lichaam viel achterover.
Maar het geluid dat volgde was geen lichaam dat op een betonnen vloer viel. Geen vlees. Geen botten.
Het klonk als steen.
Brekend. Scheurend.
Hij was versteend. Zijn gezicht bevroren in de eerste seconde van totale ontzag.

Het duurde enkele seconden voordat Jeroens brein ook maar iets begreep van wat er zojuist voor zijn ogen was gebeurd.
Hij staarde naar Marc. Naar wat er van hem over was.
Een beeld. Een standbeeld. In exact dezelfde houding als een moment eerder — hurkend, handen licht gespreid, een blik van verbijstering in zijn versteende gezicht. Alsof hij nog steeds wilde vragen wat er gebeurde. Alsof het moment was gestold, gevangen in tijd.
Maar de tijd liep gewoon door.
Jeroen voelde iets warms op zijn huid — zijn adem, versneld, die tegen zijn eigen wangen sloeg. Zijn hand lag nog steeds in die van het meisje, en haar grip, die eerder fragiel was geweest, trok nu met een onnatuurlijke kracht aan zijn vingers. Niet paniekerig. Niet smekend.
Controle. Beheersing.
Haar duim gleed langzaam over zijn handrug. Ritmisch. Alsof ze zijn hartslag meetelde.
‘Nee…’ fluisterde hij, zijn keel droog.
Hij rukte zijn hand los, greep naar zijn pistool.
‘Blijf staan!’ schreeuwde hij. De bevelende toon klonk hol in de kelder.
Hij richtte — maar keek.
En dat was genoeg.
Ze draaide haar hoofd.
Hij keek haar recht in de ogen.
De kracht trok in één ruk door zijn lichaam, als een ijsgolf van binnenuit. Zijn spieren verkrampten. Zijn longen blokkeerden. Zijn ogen bleven open, vastgenageld aan die goud-glinsterende draaikolk.
Zijn huid kreeg een grijze tint. Kleine barstjes trokken zich razendsnel over zijn armen, zijn gezicht. Steen verspreidde zich als een virus.
Zijn vinger rustte nog op de trekker.
De kogel bleef in de loop.
Versteend. Bevroren in doodsangst.

Ze draaide haar hoofd langzaam naar Nadia.
Nadia had zich ondertussen los gerukt en was aan de rand van de kelderruimte gaan staan. Ze staarde naar het lichaam van Marc op de grond. Haar ogen gleden door de kelder en vonden de dode ogen van Jeroen. Ze voelde haar hele lichaam trillen en de haren in haar nek gingen overeind staan. Een waarschuwing van haar lichaam dat er iets aan stond de komen.
Haar armen zakten langs haar lijf en de zaklamp gleed uit haar hand en rolde ratelend over de vloer, de lichtbundel schoot spastisch over de muren.
Ze sloot haar ogen, ze moest haar niet aankijken. Ze herkende dit moment, maar wist niet meer waar ze het gehoord of gelezen had. Had zij dit gedaan? Het kleine meisje?
ze knarste haar tanden op elkaar.
Alsof ze wist wat er kwam. Alsof ze het kon tegenhouden door het niet te zien.
‘Wat… bén jij?’ vroeg ze, haar stem nauwelijks hoorbaar, alsof het woord zelf haar tanden brandde.
Het meisje zweeg even.
Toen kwam de stem. Rauwer dan voordien. Ouder.
‘Oud… zo oud als de goden,’ raspte ze, alsof ze een stem oppakte dat eeuwen in steen had gelegen.
En daarna, zachter, kinderlijk bijna: ‘Kijk me aan, Nadia. Je weet dat je het wilt.’
Er klonk geen magie in die woorden. Geen bevel. Alleen verleiding.
En Nadia vocht. Ze vocht zo hard als ze kon. Ze beet op haar tong. Ze kneep haar ogen dicht tot het pijn deed. Ze schreeuwde in zichzelf. Alles in haar lijf weigerde.
Maar ze voelde hoe haar hoofd draaide.
Langzaam.
Haar oogleden trilden. Haar lippen bewogen als in gebed.
‘Nee,’ fluisterde ze, maar haar lijf gehoorzaamde niet.
En ze keek.
De stilte was totaal.
Nog één ademteug en toen… niets.

De kelder was stil.
Stil zoals alleen ruimtes zijn waar net iets onomkeerbaars is gebeurd.
De lucht trilde nog van herinnering.
Medusa bewoog zich niet. Ze luisterde. Niet naar geluid, maar naar wat níét meer klonk. Geen hartslagen. Geen adem. Alleen het nagloeien van angst.
Ze was dit moment gewend.
Het moment waarop alles stilvalt. Waarop blikken breken en stemmen verstommen. Het moment dat altijd hetzelfde voelt, maar nooit minder bitter smaakt.
Langzaam gleed haar hand over haar kale schedel. Haar vingertoppen streken langs de littekens, de verharde huid, alsof ze de afwezigheid streelde van iets dat ooit deel van haar was geweest.
Ze fluisterde: ‘Jullie groeien vanzelf weer terug.’
Een belofte aan zichzelf. Of aan hen.
Haar slangen — haar zusters, haar kracht — ooit levendig, kronkelend, fluisterend tegen haar slapen, waren met geweld van haar hoofd gerukt. Door háár. Die vrouw. Die gewone vrouw die met een simpele schaar mythologie had proberen te breken.
Het bloed had warm gelopen. De slangen hadden gesist tot hun laatste adem.
En Medusa… had gehuild.
Een lang, snijdend gehuil. Geen tranen, maar een oerkreet — als een sirene die haar zeelui niet meer kon vinden.
Ze stofte haar jurk af met langzame, precieze bewegingen. Alsof het een ritueel was. Alsof er nog iets heiligs te bewaren viel in deze kelder.
Haar blik gleed over de ruimte. Ze bekeek het niet als een monster, maar als een vrouw. Als iemand die ooit schoonheid bezat. Iemand die had geleefd, gelachen.
En langzaam voelde ze het.
De kracht. Die terugkeerde.
Die zich verspreidde vanuit haar borst, via haar nek, tot in haar vingertoppen.
Warm. Levend.
Haar houding veranderde. De trekkingen van een gebroken lijf verdwenen. Haar ruggengraat werd rechter. Haar gezicht zachter.
Niet menselijk — maar goddelijk.
De jonge vrouw die ooit in spiegels geloofde. Voor Athena haar vervloekte.
Voordat jaloezie haar schoonheid tot een wapen maakte.

Ze boog zich voorover, pakte Jeroens stenen enkel vast en trok hem achter zich aan, stap voor stap de trap op. Zijn standbeeld bonkte zwaar over het beton, maar haar blote voeten maakten geen geluid.
Boven. Naar buiten.
De mist had zich teruggetrokken in de bomen.
De tuin lag er stil bij.
Ze zette hem neer tussen de anderen.
Zijn verstijfde blik gericht op niets. Of op alles.
Vroeger had haar tuin vol gestaan. Beelden van strijders, reizigers, geliefden. Een galerij van menselijke zwakte. Maar die tijd was voorbij. De storm van haar ondergang had alles verwoest — haar prachtige huis, haar beeldentuin, haar wereld.
Ze draaide zich om, keek naar de ruïne achter haar.
Wat ooit haar thuis was geweest, was nu een karkas. Houtrot. Vervallen muren. Dood.
Ze sloot haar ogen en slikte de brok in haar keel weg.
Ze had altijd goed voor haar huis gezorgd.
Altijd.
En nu stond ze tussen puin.
Niet door goden. Niet door oorlog.
Door háár – het mensenkind dat zichzelf de storm had genoemd.
De vrouw die haar blind had gemaakt. Haar haren had geknipt. Haar ogen had dichtgenaaid alsof je een wapen kon dicht stikken.
Een gewone vrouw. Geen heks. Geen heldin en dat had genoeg gebleken.
En Medusa had gezworen — ze zou haar vinden.

©Bernadette Lugies 2025

Korte verhalen, Schrijven

Het Wacht

De flat ligt aan de rand van een industrieterrein, met uitzicht op niets. Een uitgedroogde grasstrook, een half ingestorte fietsenstalling, en in de verte de mist van een waterzuiveringsstation. Het gebouw is grauw. De lift werkt niet. In de gang hangt een geur van oud frituurvet en vocht. Het voelt… bekend.
Mensen vermijden elkaar hier. Niemand vraagt hoe het gaat. Niemand kijkt langer dan nodig. Het is alsof iedereen zich ergens van bewust is, iets wat ze liever niet benoemen.
Ik heet Thomas Veenstra. Ik ben alleen. Na mijn opname zijn ze ermee akkoord gegaan dat ik hier kwam wonen. Ze vonden dit een ‘geschikte woonruimte voor herstart in de maatschappij’. Eén slaapkamer, kleine keuken, geen balkon. Ik hoefde alleen maar opnieuw te leren slapen. Ademhalen. Stil zijn.
De eerste nacht werd ik wakker van een geluid.
Tik…
Tik…
Tik.
..
Drie tikken, ritmisch, tegen de muur naast mijn bed. Eerst dacht ik aan leidingen, of een oude radiator. Maar dit was… kalm. Menselijk bijna. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat. De muur die ik deel met appartement 100C.
De volgende ochtend lag er een briefje onder mijn deur.
Niet opendoen.
In een kriebelig handschrift. Geen uitleg. Geen afzender.
Ik nam het mee naar de keuken, legde het op tafel en staarde er een uur naar. Daarna verbrandde ik het in de gootsteen. Dat voelde als iets wat ik moest doen, al wist ik niet waarom.
Later die dag vroeg ik mijn buurvrouw — Mevrouw Dijkstra, uit 100D — naar het appartement dat tussen ons in zat.
‘Wie woont er in 100C?’
Ze keek me aan met een blik die strakker werd dan nodig. Haar ogen knepen samen, alsof ze iets zag wat ik niet kon zien.
‘Daar woont niemand,’ zei ze.
‘Maar ik hoorde vannacht—’
‘Laat het,’ onderbrak ze. ‘Soms moet je dingen niet willen weten.’

Diezelfde nacht: weer drie tikken.
En de nacht erna.
En de nacht daarna.
Altijd tussen twee en vier uur.
Altijd drie tikken.

Op dag vijf begon ik dingen kwijt te raken. Mijn sleutels. Een aansteker. Mijn kladblok met notities. Dingen waarvan ik zeker wist dat ik ze had. Ik begon mezelf te wantrouwen. Dacht dat ik gek werd. De psychose die terugkwam. Misschien was dat ook zo. Maar het gebouw… begon ook te veranderen.
Lichten knipperden als ik in de gang liep. De lift — die zogenaamd stuk was — ging één keer open en bleef vijf seconden leeg staan, alsof het op me wachtte. De kou op mijn verdieping kroop steeds dichter naar mijn voordeur.
Deur 100C zag er doodgewoon uit. Geen naamplaatje. Geen brievenbus. Gewoon bruin, houten, oud.
En toch… het tapijt ervoor was nét iets minder stoffig dan de rest. Alsof iemand er met regelmaat stond. Lang stond.

Op dag acht kon ik niet meer slapen. Ik ging ‘s nachts op de vloer in de gang zitten, net naast 100C.
Rug tegen de muur. En ik wachtte.
En ik hoorde het.
Geen tikken dit keer. Maar een ademhaling. Langzaam. Zwaar. Alsof iemand aan de andere kant van de muur zat, met zijn oor tegen precies dezelfde plek als ik.
Alsof we samen ademden.

Op een ochtend stond de deur van 100C op een kier.
Millimeterwerk. Maar ik zag het. Het zwart erachter was dieper dan donker. Geen kamer. Geen ruimte. Alleen leegte.
Ik liep ernaartoe. Mijn hand trilde. Net toen ik de klink wilde aanraken, voelde ik een hand om mijn pols.
Mevrouw Dijkstra.
Ze keek me aan alsof ze iets zag wat ik niet zou begrijpen, ook al zou ze het uitleggen.
‘Als je die deur opent,’ fluisterde ze, ‘komt het terug.’
‘Wat komt terug?’
‘Je hoort het al. Elke nacht. Het klopt, Thomas. Om te zien of je wakker bent. Om te weten of je het voelt.’

Twee dagen later stond er een man in een grijs pak voor mijn deur. Kalend, map onder zijn arm.
‘Thomas? Ik ben hier om je op te halen.’
‘Wie bent u?’
‘Je begeleider. Je had hier nog niet moeten zijn.’ Zijn ogen gleden richting 100C. ‘Je bent te vroeg.’
‘Waar ben ik te vroeg voor? Ik mocht zelf een kamer uitzoeken van de begeleiding.’
Hij keek me aan met een blik in zijn ogen dat ik herkende. Ik had het te vaak gezien. Hij dacht dat ik loog, dat ik het me verbeelde en dat mijn fantasie weer met me aan de haal ging.
‘Jij woont hier al,’ hij knikte naar 100C. ‘Maar je bent nog niet ver genoeg om hier te wonen. Het is te vroeg.’
‘Maar ik mocht-’
Hij zuchtte en onderbrak me: ‘Je had een terugval. Wekenlang hoorde niemand iets van je. De politie heeft de deur van 100C opengebroken. Jij zat in de kast. Je herhaalde steeds hetzelfde.’
‘Wat dan?’
Hij keek me aan, lang.
‘Het tikt om te weten of ik luister.’
Ik staarde naar 100C. Ik weet niet meer wat waar is. Misschien ben ik er nooit weggegaan. Misschien woon ik daar nog steeds. Achter die deur.

Ze zeggen dat ik vooruitga. Dat ik goed reageer op de medicatie. Dat ik leer om los te laten.
Ik knik dan. Ik zeg dat ik nergens meer aan denk. Dat de deur dicht is. Dat ik rust heb.
Maar als het ’s nachts stil is…
Tik…
Tik…
Tik…
En ik weet dat het op me wacht.

©Bernadette Lugies 2025

Schrijven, Sneak peeks

📢 Exclusieve Sneak Peek! 📢

De eerste twee hoofdstukken van mijn nieuwe thriller “De Laatste Kans” zijn nu online te lezen! 🔥

Een onbekende stalker. Een FBI-analist die een oude nachtmerrie herkent. Een ex-agent die haar verleden niet langer kan ontwijken.

🕵️‍♀️💻💥 De jacht op de waarheid begint… maar sommige geheimen hadden beter verborgen kunnen blijven.

Proloog

Utah
Al drie jaar hield ik haar in de gaten, mijn verboden vrucht.
Ze was betoverend in dat bruingele cheerleaderuniform. De  schoolkleuren leken op anderen dof en zwaar, maar op haar huid kwamen ze tot leven, alsof ze speciaal voor haar waren ontworpen. Haar blonde haren,  glanzende lokken die als gouden linten wapperden in de wind, trokken elke keer weer mijn blik. Ze voerde haar bewegingen zo zelfverzekerd uit, elk sprongetje, elke draai, alsof ze een voorstelling gaf die alleen voor mij was bedoeld. Dit was haar training, maar voor mij leek het een intieme dans.

Ik kende haar agenda beter dan wie dan ook. Ze had geen geheimen voor me; ik wist precies waar ze zou zijn en wanneer. Elke dag van de week was als een vast ritueel dat ik kon dromen. Doordeweeks bleef ze tot vier uur op school en op maandag, woensdag en zaterdag werkte ze achter de kassa in een stoffige, oude drogisterij. Ik was er vaak genoeg geweest om haar te zien terwijl ze klanten begroette, haar glimlach vastgelegd in mijn herinnering. Op dinsdag en donderdag trainde ze met haar cheerleaderteam tot vijf uur, waarna ze zich haastig over haar huiswerk boog, het gezicht gefocust en streng. Vrijdagavond was het enige moment dat ze zichzelf even liet gaan, omringd door vriendinnen in het winkelcentrum, een zeldzame glimlach op haar gezicht, alsof ze voor even ontsnapte aan haar zorgvuldig geplande leven.

Zaterdag was ze terug in haar routine, verdiept in boeken en op zondag bracht ze de dag met haar familie door in de kerk, haar hoofd gebogen in devotie. Daarna was het tijd voor de gemeenschap, waar ze activiteiten deed met andere jongeren. Ze was zo dichtbij, maar toch zo onbereikbaar.

Een vuurkern van woede begon te branden diep in mijn buik. Hoe kon ze me zo makkelijk over het hoofd zien? Hoe kon ze niet voelen dat ik haar elke stap met bewondering en verlangen volgde? Elke keer dat ik haar zag, werd dat verlangen ondraaglijker. Ik stelde me voor hoe ze naast me zou zitten, mijn vingers door haar lokken glijdend, haar zachte adem vlakbij, haar geur die mijn zintuigen zou vullen.
Op het moment dat ze naar de kleedkamer liep, greep ik mijn telefoon en zoomde in, mijn ogen fixerend op haar sierlijke silhouet, de vloeiende bewegingen van haar lichaam. Ik maakte een reeks foto’s, elke stap vastgelegd, elk beeld een stukje van haar dat ik kon bewaren. Toen ze uit het zicht verdween, liet ik mijn telefoon zakken en keek naar het scherm, ingespannen, alsof ik door de pixels heen haar warmte kon voelen.

Ik startte het busje, mijn hand rustte even op het stuur terwijl ik naar de foto’s keek, haast geobsedeerd door de illusie van nabijheid die ze me gaven. Terwijl ik langzaam wegreed, borrelde er één gedachte door mijn hoofd, een mantra die mijn hart sneller deed kloppen: wanneer zou ze eindelijk van mij zijn?

Hoofdstuk 1

Selina liep haar kantoor binnen met een grote, gele mok hete koffie in haar handen. De bittere geur van vers gemalen La Luisa-bonen uit Colombia omringde haar. Haar eigen brouwsel, exclusief gemaakt in haar persoonlijke koffiepot in de kantine. Collega’s wisten het inmiddels: die pot was verboden territorium. Niemand mocht eraan komen en Selina had er geen moeite mee gehad om die grens duidelijk te maken. Ze zou ze niet daadwerkelijk pijnigen, maar een klein computervirus naar een privécomputer sturen? Daar had ze geen problemen mee.
Selina werd al sinds jonge leeftijd als bijzonder gezien, niet alleen door haar ongeëvenaarde talent met computers, maar ook vanwege haar opvallende stijl: neon-gekleurde sieraden en nog fellere kleding met uitbundige prints. Waar haar collega’s in grijze of blauwe pakken verschenen, viel Selina op door haar uitgesproken, kleurrijke verschijning. Commentaar bleef niet uit, al was het meestal gedempt, in een poging om haar oren te ontwijken. Maar Selina wist wel beter. Ze was niet alleen uniek; ze was ook de beste technische analist op de afdeling. En dat wisten ze allemaal.

In de deuropening van haar kantoor bleef ze even staan, nam een slok van de hete koffie en sloot haar ogen, genietend van de smaak. De tientallen beeldschermen flikkerden in patronen die achter haar oogleden dansten. Na een moment opende ze haar ogen en liet haar blik over elk scherm glijden, aandachtig en scherp. Elk scherm toonde data van verschillende onderzoeken, waaronder zaken waar de FBI nog niet voor was ingeschakeld. Zodra Selina het gevoel had dat er iets niet klopte, begon ze gegevens te verzamelen, zodat het team goed voorbereid zou zijn als de zaak aan hen werd toegewezen. Het was niet altijd toegestaan en vaak vergaarde ze informatie waar officieel nog niets mee mocht gebeuren. Toch hield ze alles netjes bij in een map. Je wist maar nooit wanneer het van pas zou komen.
Op de drie onderste schermen aan haar linkerzijde stonden de gegevens van vermiste kinderen in Amerika. Van pasgeborenen tot jongvolwassenen van eenentwintig; elke dag leek de lijst langer te worden, een nooit eindigende stroom van verloren gezichten. Selina verzamelde deze gegevens via zelfgebouwde zoekprogramma’s, zodat ze, als de FBI erbij betrokken raakte, het CARD-team (Child Abduction Rapid Deployment) van de broodnodige informatie kon voorzien. Haar team, CASKU (Child Abduction and Serial Killer Unit) in Kansas City, werkte aan de zwaarste en meest gevoelige zaken omtrent kinderen.
De vijf schermen daarboven waren gevuld met informatie over een specifieke zaak die haar aandacht had getrokken. In Hot Spring County, Arkansas, waren in zes weken tijd drie tienerjongens verdwenen. Er was nog geen verband gevonden en de politie had het team niet uitgenodigd, maar haar instinct zei dat er meer aan de hand was. Ze kon het niet verklaren; het was een diepgeworteld onderbuikgevoel dat niet wegging.

Selina zette haar mok neer op het bureau en tikte met haar vlakke hand op een eenhoornspeeltje onder het middelste scherm. Het lichtte op in een paarse gloed en liet een vrolijk, mechanisch deuntje horen. Haar bureau stond vol met kleine Funko Pop-figuren, muziekdoosjes en haar geliefde eenhoorn.
Tussen al het verdriet en de duisternis die ze dagelijks op haar schermen zag, had ze dit soort kleurrijke details nodig om haar eigen wereld in balans te houden. Na jaren in deze functie waren haar emoties deels afgestompt, maar de foto’s, politierapporten en autopsierapporten waren nog steeds een constante herinnering aan hoe duister de wereld kon zijn. Haar felle sieraden en kleurrijke kleding herinnerden haar eraan dat er ook licht was, zelfs in de donkerste dagen.

Terwijl ze naar de schermen staarde, zakte ze onderuit in haar stoel. Haar e-mailbox was verrassend genoeg leeg, maar ze wist dat dit niet lang zo zou blijven. De afgelopen jaren, met de talloze bezuinigingen, werd ze vaak ingezet op andere afdelingen, wat haar werk niet minder stressvol maakte. Ze mocht nu nog maar aan twee zaken tegelijk werken, iets waar ze moeite mee had omdat er zoveel mensen waren die haar hulp konden gebruiken.
Selina typte net een nieuwe zoekopdracht in om geregistreerde zedendelinquenten in Hot Spring County op te sporen toen het scherm rechts van haar plotseling aansprong. Verbaasd keek ze naar het scherm, dat jarenlang op zwart had gestaan. Het duurde enkele seconden voordat ze besefte wat ze zag.
‘Oh… nee,’ mompelde ze, terwijl haar handen gehaast haar telefoon uit haar tas grepen. Ze wilde haar ogen niet van het scherm afhouden, uit angst dat het weer zou verdwijnen. Met haar duim tikte ze het telefoonnummer in dat ze al zo vaak had gebeld.
‘Supervisory special agent Fisher,’ klonk de lage stem aan de andere kant van de lijn.
‘Hij is terug,’ zei ze, haar stem gespannen.
‘Selina?’ Hij klonk verward.
‘Ja, meneer. Hij is terug. De website is weer actief. En… Peter staat erop.’

©Bernadette Lugies – 2025
Uitgelichte afbeelding is met AI gemaakt.