Korte verhalen, Schrijven

Een Senticore Kerst

In een verre toekomst dat misschien dichterbij is dan we denken.

Mijn dag begon met een irritante pieptoon. Eerst zacht, alsof hij nog ergens ver weg zweefde, maar al snel kroop het geluid dichterbij, snerpend en indringend.
Ik opende mijn ogen. In de hoek van mijn slaapkamer brandde het rode lampje.
Senticore.
Sinds 2026 op de markt en sinds 2027 in elk huis geïnstalleerd door de overheid.
Hij hield ons in de gaten en bepaalde hoe we ons leven moesten indelen. Wie we zagen, spraken en wanneer we naar ons werk moesten. Het printte schema’s die je tot op de letter moest volgen. Voedselschema’s, beweegschema’s, leefschema’s. Maar het ergste was misschien nog dat het bepaalde hoe we ons moesten voelen. Hoe de overheid wilde dat we ons voelden.
Blij, vrolijk, opgewekt en altijd glimlachend.
Door de golf aan zelfmoorden zat de overheid met de handen in het haar. Jarenlange bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg hadden hun tol geëist. Toen de zorg werd geprivatiseerd werd het nog erger. Niemand kon hulp nog betalen, behalve de rijken, die ervan overtuigd waren dat zij geen problemen hadden. Opvanghuizen werden gesloten. Daarna volgden de bejaarden- en verzorgingstehuizen. Ouderen moesten weer bij hun kinderen intrekken of kwamen op straat terecht.
Er werden geen nieuwe woningen gebouwd door de vele regels van de overheid en de Europese Unie. Mensen bleven thuis wonen tot ze erbij neervielen, of tot hun kinderen hen doodden omdat ze een plek voor zichzelf wilden.
Toen de overheid ontdekte hoe ze emoties konden aflezen uit biometrische lichaamsgolven, kwamen ze met de oplossing om Senticore in ieders huis te installeren.
Hij registreerde alles: je hartslag, je bloeddruk, je huidtemperatuur, je hormoonspiegels, zelfs de microspieren in je gezicht werden afgelezen. Je was een open boek voor een machine die elk signaal doorspeelde naar de overheid en de opgerichte instanties.
In deze wereld was verdriet illegaal. Klagen was gevaarlijk. Mannen deden het zware werk. Vrouwen waren verplicht zich voort te planten, behalve als je rijk was, dan gold niets voor jou.
Als vrouw werd je gekoppeld aan een man door het Ministerie van Stabiliteit. Je lichaam stond geregistreerd als vruchtbaar bezit van de staat. Je moest je baarmoeder beschikbaar stellen en je glimlach oefenen voor het jaarlijkse Vrolijkheidsrapport.
Emoties tonen mocht alleen binnen het goedgekeurde spectrum: dankbaarheid en lichte euforie.
Geen boosheid. Geen trots. Geen uitbundige vrolijkheid. Geen melancholie. Geen rouw.
Ik was dertig en nog steeds ongetrouwd. Het werd gedoogd zolang ik meedeed aan het medicijnentestprogramma en mijn vrolijkheidscertificaten op tijd inleverde. Ik deed wat nodig was om niet op te vallen.

Het was december.

Senticore projecteerde ‘geoptimaliseerde kerstgedachten’ op mijn muren: vlammen in een haard die niet warm werd, holografische bomen met onwerkelijke perfectie. En het ergste was de kerstmuziek.
Niet vals, dat was het probleem niet. Het was juist te perfect. Afgestemd op je gemoedstoestand.
Was je onrustig, dan kreeg je een trage versie van Silent Night die je hartslag probeerde te dempen. Was je te stil, dan knalde It’s the Most Wonderful Time of the Year door de speakers, met een beat die te hard tegen je borst beukte.
Je kon het niet uitzetten. Je kon het niet ontlopen. In huis volgde het je van kamer naar kamer via microfoons en speakers. Buiten via openbare systemen. In winkelstraten speelde aangepaste kerstmuziek die de groepsstemming moest sturen. In het openbaar vervoer hoorde je koortjes die onschuldig leken maar onderhuids eentonig waren. Ontworpen om je te temmen.
En als Senticore dacht dat je niet luisterde, zette hij het volume nét iets harder.
Alsof hij fluisterde: ‘Ik zie je. Je moet blij zijn.’
Elk uur werd een reclame afgespeeld. Vrouwen in lange jurken, handen gevouwen, hoofden gebogen. Ze legden uit hoe je je moest gedragen in het bijzijn van een man, of het nu je vader was of een vreemde. Reclames voor mannen bestonden niet.
Dit had niets te maken met de kerst die ik kende.
Niet met je ouders aan tafel zitten spelletjes spelen. Geen echte versierde kerstboom. Geen cadeaus, geen dennengeur, geen kalkoen die uren in de oven stond.
Bomen waren bestempeld als levende wezens die respect verdienden. En omdat burgers de schuld kregen van de staat van de wereld, niet de bedrijven of overheden, kregen wij de regels.
Cadeaus waren verboden vanwege ongelijke verdeling van middelen. De rijken hadden natuurlijk een uitzondering. Kinderen mochten niet meer geloven in de kerstman. Magie hoorde niet meer bij opvoeding. En de kalkoen was vervangen door een synthetisch, vormloos object met de textuur van een natte spons.
Wat we kregen was een algoritme dat zichzelf gezellig noemde. Het werd opgedrongen zoals de overheid vond dat het moest. Overdag werken en ’s avonds kauwen op spons. Geen gelach. Alleen gereguleerde gezelligheid.
Maar ik herinnerde me nog hoe kerst echt was.
De boom die te scheef stond. Mijn moeder die ieder engeltje recht wilde hangen. Mijn vader die cadeaus uitdeelde terwijl we elkaar vol spanning aankeken. De films die we samen keken.
Ik kon het bijna ruiken, dat speciale, bijzondere kerstmoment. Bijna aanraken.
Toen floepte het rode lampje weer aan.
‘Afwijkende emotie gesignaleerd. Is er iets aan de hand?’
‘Nee, Senticore. Er is niets aan de hand.’
‘Het is te vroeg in de maand voor een hormonale piek. Afwijkende emoties gesignaleerd en een verhoogde lichaamstemperatuur.’
Maakte het vervloekte apparaat nu echt een opmerking over ongesteld zijn?
Ik slikte de woorden in die ik wilde schreeuwen. Ze zouden geregistreerd worden als ongeoorloofd taalgebruik.
‘Het rapport is verstuurd naar het Departement Emotionele Hygiëne,’ klonk Senticore’s zachte, zalvende stem. En na een paar seconden werd het nummer “Let it snow” afgespeeld.
‘Gallig rot ding,’ mompelde ik met mijn hand voor de mond. Hij reageerde niet. Een kleine opluchting. En diep daaronder iets anders. Een vonk.

Die avond ging ik naar mijn kelder. Officieel niet-functioneel en daardoor buiten het primaire netwerk. Een opslagruimte. Nu mijn schuilplaats.
Ik opende een valse vloerplank en haalde een doos tevoorschijn. Verboden dingen. Verboden herinneringen. Een oude lichtslinger, een vergeelde foto van mijn ouders, een versleten tafellaken met een vlek in de vorm van een ster.
Elk object uit de pre-Senticore-tijd was een risico. Alles moest worden ingeleverd, van familiealbums tot sieraden. Alles wat volgens de overheid je teveel aan vroeger zou laten denken. We moesten vooruit kijken, kijken naar het verleden was gevaarlijk!
Ik wist niet hoe lang mijn kelder veilig zou blijven. Misschien luisterde hij via het lichtnet. Via mijn eigen hartslag die naar boven trilde. Toch kwam ik hier. Omdat dit de enige plek was waar ik mezelf nog kon voelen.
Ik trok het tafellaken over een wankele tafel en stak een echte kaars aan. Het vlammetje flakkerde. Geen projectie. De schaduwen dansten. Mijn handen trilden.
Voor het eerst in jaren voelde ik me levend. En bang.

De volgende dag, in het distributiecentrum waar we kleding maakten voor degenen die het zich nog konden veroorloven. Luxe glanzende stoffen, op maat ontworpen via staatsalgoritmes.
‘Het zijn weer mooie stoffen,’ mompelde Bianca, terwijl ze over de stoffen wreef.
Ik hield mijn mond.
‘Kijk dan,’ ze hield een gouden stof met een zilveren draad erin geweven omhoog. ‘Prachtig,’ verzuchtte ze.
Mijn oog gleed over de vele stoffen die in de bakken van de dames om me heen lagen. Ze waren inderdaad prachtig, maar niet te betalen voor iemand zoals ik.
Toen zag ik haar. Een paar werkstations verder. Een vrouw met een zwarte, ouderwetse jas. Los haar. Dat mocht niet. Maar haar blik trof me. Recht. Zonder de verplichte glimlach. Zonder de getrainde onderdanigheid.
Ik herkende haar vaag. Misschien een collega van een andere afdeling? Misschien iemand die eerder iets had gezegd in de lunchruimte en daarna weken afwezig was?
Ze voelde wildvreemd en tegelijk… bekend. Alsof we iets deelden.
Toen ik even alleen bij de tafel stond, kwam ze langs. Geen woorden. Alleen een tik tegen mijn hand. In haar palm lag iets kleins en opgevouwen.
Papier.
Ze zei zacht: ‘Als je klaar bent met doen alsof… Kom dan langs.’
Ze liep weg zonder om te kijken. Alsof er niets was gebeurd.
Ik hield mijn hand stijf gesloten tot ik zeker wist dat niemand keek. Ik stopte het briefje in mijn sok. Mijn schoenen werden altijd gecontroleerd, maar sokken sloegen ze over.
Senticore registreerde het fysieke contact, maar mijn gezicht stond in de glimlachmodus. En dicht bij mijn hoofd hoorde ik Senticore’s stem: ‘Emotionele stabiliteit: 98,4%.’
Perfect. Zoals hij het wilde.

Het was inmiddels kerstavond. Boven mijn hoofd kleurde de lucht paars en blauw door de geprojecteerde aurora’s die Senticore elk jaar uitzond, strak volgens het Kerstprotocol. Uit de luidsprekers op straat dreunde de opgelegde boodschap: ‘Vandaag vieren wij kerst. Wees blij, wees vruchtbaar, wees gehoorzaam.’
Maar ik zat niet op straat. Ik zat in een kelder. Niet de mijne, maar iemand anders’ geheime ruimte vol verboden spullen en herinneringen die nooit meer hadden mogen bestaan.
We waren met twaalf. Zes vrouwen, zes mannen. Dat alleen al was bijzonder genoeg om voor opgesloten te worden. Mannen en vrouwen mochten niet samenkomen zonder toestemming. Niet in gesloten ruimtes, niet zonder toezicht, niet zonder verklaring. Het werd altijd verkocht als bescherming, stabiliteit, orde. In werkelijkheid was het controle.
Toch zaten we hier. Zo dicht bij elkaar dat onze knieën bijna raakten. Geen verplichte staarten, geen uniformen met kleurcodes die onze status aangaven. We droegen wat we wilden. Stoffen in tinten die Senticore als emotioneel onregelmatig bestempelde. Eén man droeg een kersttrui met een rendier waarvan de neus oplichtte zodra hij bewoog. Een vrouw had op haar mouw een lapje genaaid dat ooit deel was geweest van een kinderdekentje.
Het voelde rebels om zo bij elkaar te zitten. Maar het voelde ook vertrouwd, alsof we iets deden wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn: samen zijn. Niet als functies in een systeem, maar als mensen.
In het midden stond een echte kalkoen op een omgekeerde houten krat. De geur was warm en kruidig en vulde de kelder met een zachtheid die bijna pijn deed. Niemand vroeg waar hij vandaan kwam. Sommige dingen vroeg je niet hardop. Sommige dingen liet je.
We aten met onze handen omdat bestek te veel geluid zou maken en iemand zei dat het precies zo rook als bij haar oma. Een man aan de overkant begon te lachen. Hij vertelde dat hij als kind altijd de vleugel kreeg omdat hij beweerde dat dat het stuk was dat je slimmer maakte. De vrouw naast hem veegde een traan weg en zei dat ze dat vroeger ook geloofde.
We praatten door elkaar heen. Over kerstfilms die we tot vervelens toe hadden gezien. Over de spelletjes die families ooit samen speelden. Over de manier waarop de kamer vroeger altijd te warm werd door alle mensen bij elkaar. De woorden kwamen stroef en schokkerig, alsof onze stemmen moesten wennen aan praten zonder filter, zonder toezicht. Maar het maakte niet uit.
Hier zweeg Senticore.
Geen camera’s. Geen sensoren. Geen kunstmatige vrolijkheid.
Alleen ademhaling. Alleen het zachte schudden van schouders wanneer iemand moest lachen.
Alleen het doffe tikken van een druppel kaarsvet op steen. Alleen mensen die durfden te voelen.
Mensen die iets wilden terugpakken dat ze nooit hadden mogen verliezen.
En voor het eerst voelde het alsof kerst niet was afgeschaft. Alleen verstopt. En wij hadden het gevonden.

Toen ik later die nacht naar huis liep, liep hij met me mee. We zwegen, maar het voelde niet leeg. Eerder alsof woorden alleen maar zouden storen. Boven ons dwarrelden de geprojecteerde sneeuwvlokken zacht naar beneden, alsof Senticore voor één keer vergat dat ze nep waren.
Bij mijn voordeur bleef hij staan. Hij hield iets achter zijn rug, alsof hij twijfelde.
Toen gaf hij het aan me.
Het glazen potje met de kaars.
‘Ik zag hoe je ernaar keek,’ zei hij zacht. ‘Steeds weer. Ik dacht… misschien hoort hij bij jou.’
Het raakte me dieper dan ik had verwacht. Iemand die iets voor me had meegenomen omdat ik het mooi vond. Dat bestond bijna niet meer.
Ik bedankte hem en hij glimlachte breed, warm, alsof die glimlach alle kou van de straat kon verdrijven.
In dat moment wist ik: dit is pas het begin. Niet alleen van verzet. Ook van iets dat ik niet meer kende. Iets kleins en goeds dat nergens in een schema stond.
Binnen knipperde het rode lampje al. Snel. Ongeduldig.
Ongeautoriseerde activiteit gedetecteerd. U wordt verwacht voor verhoor op 27 december.’
Senticore’s stem was kalm, maar er zat iets nieuws in. Een soort frictie, alsof hij niet goed wist wat te doen met wat hij had geregistreerd.
Ik glimlachte. Niet de aangeleerde glimlach die het systeem me had opgedrongen. Een echte.
Een die tintelde en warm werd in mijn borst.
Voor het eerst in jaren hoorde ik mijn eigen hartslag boven de pieptoon.
Misschien zou dit mijn einde worden. Misschien niet. Misschien was dit precies het soort scheurtje dat een systeem niet kon dichten.
en kerst zoals het ooit was. Een wereld waar je mocht voelen, kiezen, bestaan. Niet omdat het mocht, maar omdat we het opeisten.
Ik zette het glazen potje op mijn nachtkastje en stak de kaars aan. Het licht vulde mijn kamer met een zachte warmte die bijna oud vertrouwd voelde.
Ik keek naar het rode lampje en fluisterde: ‘Rapporteer wat je wilt, Senti. Maar je wist me niet meer uit.’
Voor één nacht, één ademhaling, was ik vrij.
De vlam bewoog. Ik hield mijn hand erboven. Warm en echt.
En voor het eerst dacht ik niet aan wat ik kon verliezen. Alleen aan wat er misschien eindelijk kon beginnen.

© Bernadette Lugies 2025

Afbeelding gemaakt met AI
gebroken goden, Korte verhalen, Schrijven

Gebroken Goden – #1 Kijk niet!

Jeroen en Nadia zaten in hun wagen te wachten op een parkeerplaats.
‘Ik háát avonddienst. Er gebeurt nooit iets spannends,’ mopperde Jeroen. ‘Ik ga denk ik solliciteren bij de politie in de grote stad. Ik haat het hier.’
De radio begon te kraken en de melding kwam binnen:
‘Geschreeuw gehoord in een verlaten woning. Diep in het bos bij Bolderveen. Vermoedelijk kelderruimte.’
Jeroen draaide de sleutel in het contact.
‘Wie woont daar nou nog?’
Nadia keek naar buiten, waar de mist tussen de bomen hing als spinrag.
‘Niemand. Dat huis staat al jaren leeg.’
Ze reden zwijgend het bos in. Takken krasten langs de zijkant van de auto. Het bospad werd smaller, de lucht stiller. Op Google Maps konden ze alleen het bos vinden. De collega’s hadden vaak gesproken over het spookhuis. Een bouwval. Geen stroom. Geen water. Alleen ruis op het politienet als je te dichtbij kwam.
Een lang, smal pad leidde hen naar het huis. Nadia kon zich indenken dat het ooit een prachtig huis moest zijn geweest. Een twee verdieping woning, met mooie grote ramen. Maar nu, het was een in elkaar gezakt bakstenen woning met een verzakt dak. Ze keek naar de grafstenen die voor de woning stonden op gesteld.
‘Griezelig,’ mompelde Nadia.
‘Meldkamer, weten jullie zeker dat hier een melding vandaan kwam?’ vroeg Jeroen door de portofoon.
Een statisch geluid, gevolgd door een simpel antwoord: ‘Ja.’
Jeroen keek naar de woning, naar de gebroken ramen. En daar, op het erf… beelden. Veel waren er kapot en lagen in stukken op de grond, maar zijn aandacht werd getrokken door de beelden die nog heel waren.
Eén bij het hek. Eén tegen de boom. Eén op de veranda.
Geen kitscherige tuinbeelden. Geen gips of beton. Deze beelden leken… echt.
Ze stapten uit en liepen ernaartoe. De beelden zagen eruit alsof mensen waren versteend in houdingen die niet klopten — bevroren in blinde paniek. Monden open, armen omhoog, alsof ze iets wilden afweren dat te dichtbij was gekomen.
‘Wie wil dat nou in zijn tuin?’
‘Stil,’ zei Nadia. ‘Luister.’
Geen vogels. Geen wind. Alleen hun adem. En het zachte gesnik vanuit het huis.
Nadia liep voorop, Jeroen erachteraan met getrokken zaklamp en hand op zijn wapen.
De kelder was van beton, de muren vochtig en beschimmeld. Jeroen scheen met zijn zaklamp langs de muren, over de vloer. Met een lichte trilling hield hij de lichtstraal op iets dat in de hoek zat.
Op de vloer, tegen de muur aan, zat een meisje.
Haar hoofd zat onder opgedroogd bloed. De huid van haar schedel vol krassen, cirkelvormige littekens — alsof iets met patronen over haar huid had gekropen. Ze droeg een dunne, witte katoenen jurk, vuil en gescheurd. En haar ogen…
‘Wat is er in hemelsnaam gebeurd?’ mompelde Nadia. Ze zette een stap dichterbij.
De ogen van het kind waren dichtgenaaid, met grove zwarte draad. De uiteinden hingen los bij de hoeken, alsof degene die dit had gedaan haast had gehad.
Het meisje bewoog niet. Ze snikte zacht, maar het klonk niet als het gesnik dat ze buiten hadden gehoord. Alsof het verdriet nog aan het oefenen was.
‘Ik bel een ambulance,’ zei Jeroen. Zijn stem was vlak.
Nadia knielde langzaam.
‘Meisje… we gaan je helpen.’

Marc de Jager kwam de kelder binnen met snelle, zekere passen — de routine van een man die dacht alles al eens gezien te hebben. Twintig jaar op de ambulance. Verkeersongevallen, zelfmoorden, drugs, mishandeling, zelfs een cultusritueel in een schuurtje bij Wolvega. Maar dit…
Zijn pas vertraagde.
Zijn blik bleef hangen op het meisje in de hoek.
Ze leek kleiner dan een menselijk lichaam zou moeten zijn. Niet door haar lengte, maar door de manier waarop ze zich opvouwde, alsof ze zichzelf tot stilte had gedwongen. De kale schedel met opgedroogd bloed leek eerder op iets preparatief dan op letsel. De zwarte draad door haar oogleden leek geen wreedheid, maar… controle.
‘Wat ís dit?’ fluisterde hij. Zijn stem was nauwelijks hoorbaar — alsof een normaal volume iets zou kunnen breken in de lucht om hen heen.
Nadia knikte naar hem. Haar stem trilde net niet.
‘We weten het niet. Ze zegt niets. Ze… zit daar gewoon.’
Ze hield de hand van het meisje vast. De vingers waren dun, vuil, en vreemd koud. Ze klemden zich vast aan de hare met een verbeten kracht die niet bij zo’n fragiel lijf paste. Nadia voelde het: dit was geen normale angst. Dit zat dieper.
Marc knielde langzaam neer. Zijn EHBO-tas klikte open, en met zorg haalde hij zijn schaar eruit. Niet de grote, maar de fijne precisieschaar die hij gebruikte voor hechtingen.
‘Als die wonden ontstoken zijn… dan moeten we die draden eruit halen.’ Hij keek niet naar Nadia toen hij het zei, alsof hij zichzelf moest overtuigen.
‘Voorzichtig,’ zei zij zacht.
Het meisje bewoog niet. Geen enkel geluid. Maar haar lichaam trilde. Niet van kou — dit was een trilling van binnenuit. Iets dat nog niet tot uiting was gekomen.
Marc schakelde het lampje op zijn voorhoofd aan. Het blauwe licht gleed over de keldermuur, over de vlekken op de vloer, en uiteindelijk over het gezicht van het meisje. De glans van het bloed, de rafels van de draad. De stilte klonk harder.
‘Jeroen, kun je… kun je haar hand vasthouden?’ vroeg hij.
Jeroen knikte en boog zich naar het meisje.
‘Ik pak je hand vast, oké? Je hoeft niet bang te zijn. Richt je maar op mijn stem.’
Hij reikte naar haar hand. Ze reageerde meteen — haar vingers kronkelden over de zijne, graaiden, knepen. Haar nagels waren verdwenen; de huid eromheen zwart van opgedroogde aarde, en iets dat misschien geen aarde was.
Marc ademde diep in. Zijn vingers waren vast, zijn hand stil, maar er trok een rilling over zijn ruggengraat.
‘Ik ga nu knippen,’ zei hij, meer tegen zichzelf dan tegen de rest. ‘Als het pijn doet, knijp dan in Jeroens hand. Oké?’
Voor het eerst bewoog ze haar hoofd. Een kleine knik.
De schaar tikte tegen draad.
Trek. Knip.
Een zenuw onder haar oog trok samen.
Marc keek op, kort. Niets. Nog steeds stil.
Knip.
Jeroen hield zijn adem in. Het meisje drukte zich iets dichter tegen hem aan.
Knip.
De oogleden begonnen te trillen. Niet als reactie op pijn. Maar als… een instinct. Alsof het lichaam iets wist wat de rest nog niet begreep.
‘Je kunt je ogen openen,’ fluisterde Marc. ‘Het licht is misschien fel, maar dat gaat over. Ik moet kijken of er schade is aan de—’
Haar oogleden openden zich.
Niet langzaam. Niet schokkerig. Gewoon… open.
Hij zag geen pupil. Geen sclera. Geen normale iris.
Alleen goud.
Vloeibaar. Draaiend. Oneindig.
Ogen die niet zagen — maar absorbeerden.
Ogen die herinnerden.
Ze keek hem aan.
Marc hield zijn adem in.
Zijn ogen werden groot.
Zijn schouders verstijfden.
Het was alsof zijn lijf ineens snapte wat zijn hoofd niet kon bevatten.
Eén ademhaling. Een laatste knippering van de wimpers. En toen…
Niets.
Zijn lichaam viel achterover.
Maar het geluid dat volgde was geen lichaam dat op een betonnen vloer viel. Geen vlees. Geen botten.
Het klonk als steen.
Brekend. Scheurend.
Hij was versteend. Zijn gezicht bevroren in de eerste seconde van totale ontzag.

Het duurde enkele seconden voordat Jeroens brein ook maar iets begreep van wat er zojuist voor zijn ogen was gebeurd.
Hij staarde naar Marc. Naar wat er van hem over was.
Een beeld. Een standbeeld. In exact dezelfde houding als een moment eerder — hurkend, handen licht gespreid, een blik van verbijstering in zijn versteende gezicht. Alsof hij nog steeds wilde vragen wat er gebeurde. Alsof het moment was gestold, gevangen in tijd.
Maar de tijd liep gewoon door.
Jeroen voelde iets warms op zijn huid — zijn adem, versneld, die tegen zijn eigen wangen sloeg. Zijn hand lag nog steeds in die van het meisje, en haar grip, die eerder fragiel was geweest, trok nu met een onnatuurlijke kracht aan zijn vingers. Niet paniekerig. Niet smekend.
Controle. Beheersing.
Haar duim gleed langzaam over zijn handrug. Ritmisch. Alsof ze zijn hartslag meetelde.
‘Nee…’ fluisterde hij, zijn keel droog.
Hij rukte zijn hand los, greep naar zijn pistool.
‘Blijf staan!’ schreeuwde hij. De bevelende toon klonk hol in de kelder.
Hij richtte — maar keek.
En dat was genoeg.
Ze draaide haar hoofd.
Hij keek haar recht in de ogen.
De kracht trok in één ruk door zijn lichaam, als een ijsgolf van binnenuit. Zijn spieren verkrampten. Zijn longen blokkeerden. Zijn ogen bleven open, vastgenageld aan die goud-glinsterende draaikolk.
Zijn huid kreeg een grijze tint. Kleine barstjes trokken zich razendsnel over zijn armen, zijn gezicht. Steen verspreidde zich als een virus.
Zijn vinger rustte nog op de trekker.
De kogel bleef in de loop.
Versteend. Bevroren in doodsangst.

Ze draaide haar hoofd langzaam naar Nadia.
Nadia had zich ondertussen los gerukt en was aan de rand van de kelderruimte gaan staan. Ze staarde naar het lichaam van Marc op de grond. Haar ogen gleden door de kelder en vonden de dode ogen van Jeroen. Ze voelde haar hele lichaam trillen en de haren in haar nek gingen overeind staan. Een waarschuwing van haar lichaam dat er iets aan stond de komen.
Haar armen zakten langs haar lijf en de zaklamp gleed uit haar hand en rolde ratelend over de vloer, de lichtbundel schoot spastisch over de muren.
Ze sloot haar ogen, ze moest haar niet aankijken. Ze herkende dit moment, maar wist niet meer waar ze het gehoord of gelezen had. Had zij dit gedaan? Het kleine meisje?
ze knarste haar tanden op elkaar.
Alsof ze wist wat er kwam. Alsof ze het kon tegenhouden door het niet te zien.
‘Wat… bén jij?’ vroeg ze, haar stem nauwelijks hoorbaar, alsof het woord zelf haar tanden brandde.
Het meisje zweeg even.
Toen kwam de stem. Rauwer dan voordien. Ouder.
‘Oud… zo oud als de goden,’ raspte ze, alsof ze een stem oppakte dat eeuwen in steen had gelegen.
En daarna, zachter, kinderlijk bijna: ‘Kijk me aan, Nadia. Je weet dat je het wilt.’
Er klonk geen magie in die woorden. Geen bevel. Alleen verleiding.
En Nadia vocht. Ze vocht zo hard als ze kon. Ze beet op haar tong. Ze kneep haar ogen dicht tot het pijn deed. Ze schreeuwde in zichzelf. Alles in haar lijf weigerde.
Maar ze voelde hoe haar hoofd draaide.
Langzaam.
Haar oogleden trilden. Haar lippen bewogen als in gebed.
‘Nee,’ fluisterde ze, maar haar lijf gehoorzaamde niet.
En ze keek.
De stilte was totaal.
Nog één ademteug en toen… niets.

De kelder was stil.
Stil zoals alleen ruimtes zijn waar net iets onomkeerbaars is gebeurd.
De lucht trilde nog van herinnering.
Medusa bewoog zich niet. Ze luisterde. Niet naar geluid, maar naar wat níét meer klonk. Geen hartslagen. Geen adem. Alleen het nagloeien van angst.
Ze was dit moment gewend.
Het moment waarop alles stilvalt. Waarop blikken breken en stemmen verstommen. Het moment dat altijd hetzelfde voelt, maar nooit minder bitter smaakt.
Langzaam gleed haar hand over haar kale schedel. Haar vingertoppen streken langs de littekens, de verharde huid, alsof ze de afwezigheid streelde van iets dat ooit deel van haar was geweest.
Ze fluisterde: ‘Jullie groeien vanzelf weer terug.’
Een belofte aan zichzelf. Of aan hen.
Haar slangen — haar zusters, haar kracht — ooit levendig, kronkelend, fluisterend tegen haar slapen, waren met geweld van haar hoofd gerukt. Door háár. Die vrouw. Die gewone vrouw die met een simpele schaar mythologie had proberen te breken.
Het bloed had warm gelopen. De slangen hadden gesist tot hun laatste adem.
En Medusa… had gehuild.
Een lang, snijdend gehuil. Geen tranen, maar een oerkreet — als een sirene die haar zeelui niet meer kon vinden.
Ze stofte haar jurk af met langzame, precieze bewegingen. Alsof het een ritueel was. Alsof er nog iets heiligs te bewaren viel in deze kelder.
Haar blik gleed over de ruimte. Ze bekeek het niet als een monster, maar als een vrouw. Als iemand die ooit schoonheid bezat. Iemand die had geleefd, gelachen.
En langzaam voelde ze het.
De kracht. Die terugkeerde.
Die zich verspreidde vanuit haar borst, via haar nek, tot in haar vingertoppen.
Warm. Levend.
Haar houding veranderde. De trekkingen van een gebroken lijf verdwenen. Haar ruggengraat werd rechter. Haar gezicht zachter.
Niet menselijk — maar goddelijk.
De jonge vrouw die ooit in spiegels geloofde. Voor Athena haar vervloekte.
Voordat jaloezie haar schoonheid tot een wapen maakte.

Ze boog zich voorover, pakte Jeroens stenen enkel vast en trok hem achter zich aan, stap voor stap de trap op. Zijn standbeeld bonkte zwaar over het beton, maar haar blote voeten maakten geen geluid.
Boven. Naar buiten.
De mist had zich teruggetrokken in de bomen.
De tuin lag er stil bij.
Ze zette hem neer tussen de anderen.
Zijn verstijfde blik gericht op niets. Of op alles.
Vroeger had haar tuin vol gestaan. Beelden van strijders, reizigers, geliefden. Een galerij van menselijke zwakte. Maar die tijd was voorbij. De storm van haar ondergang had alles verwoest — haar prachtige huis, haar beeldentuin, haar wereld.
Ze draaide zich om, keek naar de ruïne achter haar.
Wat ooit haar thuis was geweest, was nu een karkas. Houtrot. Vervallen muren. Dood.
Ze sloot haar ogen en slikte de brok in haar keel weg.
Ze had altijd goed voor haar huis gezorgd.
Altijd.
En nu stond ze tussen puin.
Niet door goden. Niet door oorlog.
Door háár – het mensenkind dat zichzelf de storm had genoemd.
De vrouw die haar blind had gemaakt. Haar haren had geknipt. Haar ogen had dichtgenaaid alsof je een wapen kon dicht stikken.
Een gewone vrouw. Geen heks. Geen heldin en dat had genoeg gebleken.
En Medusa had gezworen — ze zou haar vinden.

©Bernadette Lugies 2025

Harry de engelse bulldog, Korte verhalen, Schrijven

Harry en een Lente Avontuur


Het was een prachtige lentedag. De zon scheen fel aan de blauwe hemel en een zachte bries liet de eerste bloemen in de tuin zachtjes wiegen. De lucht rook fris, naar gras en bloesems en overal klonk het vrolijke gezang van vogels die elkaar begroetten.
Harry lag languit op het gras. Zijn ogen waren half gesloten terwijl hij genoot van de warme zonnestralen op zijn vacht. Af en toe bewoog zijn staart een klein beetje, maar verder lag hij zo stil als een steen. Dit was het perfecte moment om te luieren.
Plots hoorde hij een zacht gefladder vlak boven zijn kop. Het klonk als iets kleins dat snel met zijn vleugels bewoog. Harry opende één oog en keek verbaasd omhoog. Net boven zijn neus fladderde een kleine vlinder met prachtige felgekleurde vleugels.
‘Hallo daar!’ riep de vlinder vrolijk, terwijl hij vlak voor Harry’s neus bleef zweven.
Harry tilde zijn kop op en keek nieuwsgierig naar het kleine wezentje.
‘Hallo! Wie ben jij?’ vroeg hij.
‘Ik ben Fladder,’ zei de vlinder enthousiast. ‘Vandaag is mijn eerste dag als vlinder! Ik was eerst een rups, maar nu kan ik vliegen!’
Harry keek vol bewondering naar Fladder.
‘Echt waar? Dus eerst kon je alleen maar kruipen en nu kun je zomaar overal naartoe?’
Fladder maakte een sierlijke draai in de lucht.
‘Ja! Alles is nieuw en spannend. Ik weet nog niet waar ik naartoe wil, maar ik wil de wereld ontdekken!’
Harry glimlachte.
‘Dan ben je hier op de juiste plek. Mijn tuin is de beste speelplek die er is! Wil je meedoen?’
‘Ja!’ riep Fladder opgewonden.
Samen begonnen ze te spelen.
Fladder vloog rakelings over Harry’s neus en Harry probeerde met zijn poten de vlinder zachtjes te tikken, maar steeds was Fladder hem te snel af.
Harry rende door het gras, sprong over lage struiken en rolde speels in de zachte aarde. Fladder danste om hem heen, duikelde door de lucht en maakte gekke bochten.
Na een tijdje plofte Harry hijgend op zijn rug in het gras. Hij hijgde van het rennen en voelde zijn hart nog snel kloppen van de opwinding.
‘Je bent echt heel snel,’ zei hij met een brede glimlach.
Fladder landde voorzichtig op Harry’s poot en vouwde zijn vleugels een beetje in.
‘En jij bent een geweldige renner!’ zei ze trots.
Samen lagen ze in het gras, luisterend naar de vogels die hoog in de bomen zongen. De zachte lentewind streek door de bladeren en bracht de geur van bloeiende bloemen met zich mee. De dag voelde vol beloftes, alsof er nog meer spannende dingen stonden te gebeuren.

Net toen Harry dacht dat het niet beter kon worden, hoorde hij opeens geritsel bij de schuttingdeur. Zijn oren spitsten zich en hij keek op. Het geluid was zacht, maar duidelijk, alsof iemand heel voorzichtig probeerde te sluipen.
Fladder zweefde een stukje omhoog en keek nieuwsgierig in de richting van het geluid.
‘Wat was dat?’ vroeg zij zachtjes, terwijl haar vleugels heel even stopten met fladderen.
Harry stond langzaam op, voelde hoe de spanning door zijn poten kroop en sloop voorzichtig naar de deur. Zijn neus wiebelde terwijl hij probeerde te ruiken wie of wat zich daar verschool. Hij rook iets vreemds, een mix van gras, bloemen en iets wat hij niet helemaal kon plaatsen. Zijn hart klopte sneller. Dit voelde als een nieuw avontuur.
Hij keek even naar Fladder, die boven hem zweefde en net zo nieuwsgierig leek als hij.
‘Blijf daar,’ fluisterde hij zacht. ‘Ik ga kijken wie het is.’
Toen zette Harry voorzichtig nog een stap dichterbij. Hij zag nu duidelijk twee witte pluizige pootjes onder de schuttingdeur vandaan steken, die zenuwachtig heen en weer schoven. De pootjes leken haastig en onrustig, alsof de eigenaar van de pootjes niet zeker wist of hij moest blijven of wegrennen.
‘O jee… ik ben de weg weer kwijt,’ mompelde een piepende stem zachtjes, vol twijfel.
Harry boog door zijn voorpoten en probeerde onder de deur door te kijken. Was het een nieuwe vriend? Of misschien een dier dat nog nooit eerder in de tuin was geweest?
‘Hallo?’ riep Harry zachtjes. ‘Heb je hulp nodig?’
De witte pluizige pootjes sprongen iets omhoog van schrik en Harry zag nu een klein, wit bolletje vacht onder de deur vandaan piepen. Maar net op dat moment verdwenen de pootjes weer, alsof de geheimzinnige bezoeker zich bedacht had om weg te gaan.
‘Wacht!’ riep Harry snel. ‘Je hoeft niet bang te zijn. Mijn naam is Harry en ik help graag!’
Fladder cirkelde iets lager boven Harry’s kop.
|‘Misschien is hij bang,’ fluisterde ze. ‘Kunnen we hem laten weten dat hij veilig is?’
Harry dacht even na en ging toen plat op zijn buik liggen zodat hij er vriendelijk uitzag.
‘Ik weet hoe het is om de weg kwijt te raken,’ zei hij geruststellend. ‘Je mag hier in onze tuin komen, we kunnen je helpen.’
Er klonk even stilte aan de andere kant van de deur. Toen hoorde Harry het zachte gescharrel van kleine pootjes die aarzelend dichterbij kwamen.
De schuttingdeur kraakte langzaam open en daar stond een klein wit konijntje met lange oren en een rode neus. Hij leek nog jong en zijn ogen stonden groot en rond van schrik.
‘H-hallo,’ piepte het konijntje zacht. ‘Ik ben Wiebel. Ik ben een paashaas in training… Ik moet oefenen om mijn grote neef te helpen, maar nu ben ik verdwaald.’
Harry’s oren schoten omhoog. Dit klonk als een avontuur.
‘Verdwaald?’ vroeg hij nieuwsgierig.
Wiebel keek beteuterd naar de grond.
‘Ik moet leren hoe ik eieren goed kan verstoppen, maar ik raak steeds de weg kwijt… en ik ben zo bang dat ik mijn huis niet meer terugvind.’ Hij keek schichtig om zich heen, alsof hij elk moment wilde wegrennen.
Harry sprong uit enthousiasme meteen op en was vastberaden om Wiebel te helpen. Hij zette een stap naar voren en keek het konijntje vriendelijk aan.
‘Je hoeft niet bang te zijn. Ik help je graag je huis terug te vinden.’
Maar Wiebel keek geschrokken op en zag hoe groot Harry was. Zijn ogen werden rond van schrik en zijn oren schoten recht omhoog. Voordat Harry nog iets kon zeggen om hem gerust te stellen, draaide Wiebel zich om en sprintte in paniek weg via het plein naar de kleine speeltuin verderop.
‘Wacht, Wiebel!’ riep Harry. ‘We willen je helpen!’
Fladder zweefde naast Harry en probeerde hem te kalmeren.
‘We moeten hem volgen, Harry. Hij is zo bang, hij heeft vast onze hulp nodig.’
Harry knikte vastberaden. Hij wist dat Wiebel zich ergens moest hebben verstopt en hij wilde het konijntje laten weten dat hij een vriend was. Samen liepen Harry en Fladder voorzichtig het plein over. Harry wist dat hij er eigenlijk niet mocht komen, maar dit was een noodgeval. Zijn nieuwsgierigheid en vastberadenheid overwonnen zijn aarzeling.
Bij de rand van het plein, naast een oud en vervallen schuurtje, zag Harry iets op de grond liggen. Hij liep ernaartoe en snuffelde voorzichtig. Daar lag een klein, wit mandje met gekleurde linten eraan.
‘Kijk, Fladder! Dit moet van Wiebel zijn,’ zei Harry zachtjes. Hij duwde het mandje met zijn neus iets naar voren en ontdekte dat er een opgerolde kaart in lag. Fladder landde op de rand van het mandje en keek nieuwsgierig mee.
‘Het lijkt wel een schatkaart,’ zei Fladder terwijl ze de eenvoudige lijnen en pijlen bestudeerde. Harry rolde de kaart uit met zijn poot en zag dat er een stip op stond met de tekst ‘begin hier’. Verderop stonden verschillende huizen aangegeven met kleine tekeningen van eieren erbij. En aan het einde van de route stond er in dikke letters: ‘Laatste huis’.
‘Dit is belangrijk,’ zei Harry terwijl hij de kaart aandachtig bekeek. ‘Wiebel moest de eieren verstoppen voor zijn training. Misschien kunnen wij de route volgen en hem helpen zijn taak af te maken.’
Fladder knikte enthousiast.
‘Ja! Als we Wiebel vinden, kan hij zijn training afmaken en dan brengt dit hem misschien weer naar huis.’
Harry voelde hoe zijn hart vol energie klopte. Dit zou weer een spannend nieuw avontuur worden. Een avontuur dat hen naar plekken vol geheimen en verrassingen zou brengen en waarbij ze een nieuwe vriend zouden helpen om zijn droom als paashaas waar te maken.
‘Kom op, Fladder! Laten we op pad gaan,’ zei Harry met een glinstering in zijn ogen. ‘We gaan Wiebel vinden en samen zorgen we ervoor dat zijn missie een succes wordt!’

Wordt vervolgd… -> Harry en een Magische Pasen
©Bernadette Lugies 2025

Schrijven, Sneak peeks

📢 Exclusieve Sneak Peek! 📢

De eerste twee hoofdstukken van mijn nieuwe thriller “De Laatste Kans” zijn nu online te lezen! 🔥

Een onbekende stalker. Een FBI-analist die een oude nachtmerrie herkent. Een ex-agent die haar verleden niet langer kan ontwijken.

🕵️‍♀️💻💥 De jacht op de waarheid begint… maar sommige geheimen hadden beter verborgen kunnen blijven.

Proloog

Utah
Al drie jaar hield ik haar in de gaten, mijn verboden vrucht.
Ze was betoverend in dat bruingele cheerleaderuniform. De  schoolkleuren leken op anderen dof en zwaar, maar op haar huid kwamen ze tot leven, alsof ze speciaal voor haar waren ontworpen. Haar blonde haren,  glanzende lokken die als gouden linten wapperden in de wind, trokken elke keer weer mijn blik. Ze voerde haar bewegingen zo zelfverzekerd uit, elk sprongetje, elke draai, alsof ze een voorstelling gaf die alleen voor mij was bedoeld. Dit was haar training, maar voor mij leek het een intieme dans.

Ik kende haar agenda beter dan wie dan ook. Ze had geen geheimen voor me; ik wist precies waar ze zou zijn en wanneer. Elke dag van de week was als een vast ritueel dat ik kon dromen. Doordeweeks bleef ze tot vier uur op school en op maandag, woensdag en zaterdag werkte ze achter de kassa in een stoffige, oude drogisterij. Ik was er vaak genoeg geweest om haar te zien terwijl ze klanten begroette, haar glimlach vastgelegd in mijn herinnering. Op dinsdag en donderdag trainde ze met haar cheerleaderteam tot vijf uur, waarna ze zich haastig over haar huiswerk boog, het gezicht gefocust en streng. Vrijdagavond was het enige moment dat ze zichzelf even liet gaan, omringd door vriendinnen in het winkelcentrum, een zeldzame glimlach op haar gezicht, alsof ze voor even ontsnapte aan haar zorgvuldig geplande leven.

Zaterdag was ze terug in haar routine, verdiept in boeken en op zondag bracht ze de dag met haar familie door in de kerk, haar hoofd gebogen in devotie. Daarna was het tijd voor de gemeenschap, waar ze activiteiten deed met andere jongeren. Ze was zo dichtbij, maar toch zo onbereikbaar.

Een vuurkern van woede begon te branden diep in mijn buik. Hoe kon ze me zo makkelijk over het hoofd zien? Hoe kon ze niet voelen dat ik haar elke stap met bewondering en verlangen volgde? Elke keer dat ik haar zag, werd dat verlangen ondraaglijker. Ik stelde me voor hoe ze naast me zou zitten, mijn vingers door haar lokken glijdend, haar zachte adem vlakbij, haar geur die mijn zintuigen zou vullen.
Op het moment dat ze naar de kleedkamer liep, greep ik mijn telefoon en zoomde in, mijn ogen fixerend op haar sierlijke silhouet, de vloeiende bewegingen van haar lichaam. Ik maakte een reeks foto’s, elke stap vastgelegd, elk beeld een stukje van haar dat ik kon bewaren. Toen ze uit het zicht verdween, liet ik mijn telefoon zakken en keek naar het scherm, ingespannen, alsof ik door de pixels heen haar warmte kon voelen.

Ik startte het busje, mijn hand rustte even op het stuur terwijl ik naar de foto’s keek, haast geobsedeerd door de illusie van nabijheid die ze me gaven. Terwijl ik langzaam wegreed, borrelde er één gedachte door mijn hoofd, een mantra die mijn hart sneller deed kloppen: wanneer zou ze eindelijk van mij zijn?

Hoofdstuk 1

Selina liep haar kantoor binnen met een grote, gele mok hete koffie in haar handen. De bittere geur van vers gemalen La Luisa-bonen uit Colombia omringde haar. Haar eigen brouwsel, exclusief gemaakt in haar persoonlijke koffiepot in de kantine. Collega’s wisten het inmiddels: die pot was verboden territorium. Niemand mocht eraan komen en Selina had er geen moeite mee gehad om die grens duidelijk te maken. Ze zou ze niet daadwerkelijk pijnigen, maar een klein computervirus naar een privécomputer sturen? Daar had ze geen problemen mee.
Selina werd al sinds jonge leeftijd als bijzonder gezien, niet alleen door haar ongeëvenaarde talent met computers, maar ook vanwege haar opvallende stijl: neon-gekleurde sieraden en nog fellere kleding met uitbundige prints. Waar haar collega’s in grijze of blauwe pakken verschenen, viel Selina op door haar uitgesproken, kleurrijke verschijning. Commentaar bleef niet uit, al was het meestal gedempt, in een poging om haar oren te ontwijken. Maar Selina wist wel beter. Ze was niet alleen uniek; ze was ook de beste technische analist op de afdeling. En dat wisten ze allemaal.

In de deuropening van haar kantoor bleef ze even staan, nam een slok van de hete koffie en sloot haar ogen, genietend van de smaak. De tientallen beeldschermen flikkerden in patronen die achter haar oogleden dansten. Na een moment opende ze haar ogen en liet haar blik over elk scherm glijden, aandachtig en scherp. Elk scherm toonde data van verschillende onderzoeken, waaronder zaken waar de FBI nog niet voor was ingeschakeld. Zodra Selina het gevoel had dat er iets niet klopte, begon ze gegevens te verzamelen, zodat het team goed voorbereid zou zijn als de zaak aan hen werd toegewezen. Het was niet altijd toegestaan en vaak vergaarde ze informatie waar officieel nog niets mee mocht gebeuren. Toch hield ze alles netjes bij in een map. Je wist maar nooit wanneer het van pas zou komen.
Op de drie onderste schermen aan haar linkerzijde stonden de gegevens van vermiste kinderen in Amerika. Van pasgeborenen tot jongvolwassenen van eenentwintig; elke dag leek de lijst langer te worden, een nooit eindigende stroom van verloren gezichten. Selina verzamelde deze gegevens via zelfgebouwde zoekprogramma’s, zodat ze, als de FBI erbij betrokken raakte, het CARD-team (Child Abduction Rapid Deployment) van de broodnodige informatie kon voorzien. Haar team, CASKU (Child Abduction and Serial Killer Unit) in Kansas City, werkte aan de zwaarste en meest gevoelige zaken omtrent kinderen.
De vijf schermen daarboven waren gevuld met informatie over een specifieke zaak die haar aandacht had getrokken. In Hot Spring County, Arkansas, waren in zes weken tijd drie tienerjongens verdwenen. Er was nog geen verband gevonden en de politie had het team niet uitgenodigd, maar haar instinct zei dat er meer aan de hand was. Ze kon het niet verklaren; het was een diepgeworteld onderbuikgevoel dat niet wegging.

Selina zette haar mok neer op het bureau en tikte met haar vlakke hand op een eenhoornspeeltje onder het middelste scherm. Het lichtte op in een paarse gloed en liet een vrolijk, mechanisch deuntje horen. Haar bureau stond vol met kleine Funko Pop-figuren, muziekdoosjes en haar geliefde eenhoorn.
Tussen al het verdriet en de duisternis die ze dagelijks op haar schermen zag, had ze dit soort kleurrijke details nodig om haar eigen wereld in balans te houden. Na jaren in deze functie waren haar emoties deels afgestompt, maar de foto’s, politierapporten en autopsierapporten waren nog steeds een constante herinnering aan hoe duister de wereld kon zijn. Haar felle sieraden en kleurrijke kleding herinnerden haar eraan dat er ook licht was, zelfs in de donkerste dagen.

Terwijl ze naar de schermen staarde, zakte ze onderuit in haar stoel. Haar e-mailbox was verrassend genoeg leeg, maar ze wist dat dit niet lang zo zou blijven. De afgelopen jaren, met de talloze bezuinigingen, werd ze vaak ingezet op andere afdelingen, wat haar werk niet minder stressvol maakte. Ze mocht nu nog maar aan twee zaken tegelijk werken, iets waar ze moeite mee had omdat er zoveel mensen waren die haar hulp konden gebruiken.
Selina typte net een nieuwe zoekopdracht in om geregistreerde zedendelinquenten in Hot Spring County op te sporen toen het scherm rechts van haar plotseling aansprong. Verbaasd keek ze naar het scherm, dat jarenlang op zwart had gestaan. Het duurde enkele seconden voordat ze besefte wat ze zag.
‘Oh… nee,’ mompelde ze, terwijl haar handen gehaast haar telefoon uit haar tas grepen. Ze wilde haar ogen niet van het scherm afhouden, uit angst dat het weer zou verdwijnen. Met haar duim tikte ze het telefoonnummer in dat ze al zo vaak had gebeld.
‘Supervisory special agent Fisher,’ klonk de lage stem aan de andere kant van de lijn.
‘Hij is terug,’ zei ze, haar stem gespannen.
‘Selina?’ Hij klonk verward.
‘Ja, meneer. Hij is terug. De website is weer actief. En… Peter staat erop.’

©Bernadette Lugies – 2025
Uitgelichte afbeelding is met AI gemaakt.

Korte verhalen, Schrijven

Buren met Geheimen

Dit korte verhaal is eigenlijk ontstaan door een gedachte die ik zelf had, toen ik over straat liep. In die tijd waren er veel inbraken in onze omgeving en ik dacht bij mezelf… hoe zou ik het doen? Nou voordat de politie op de stoep staat… ik heb dus niet ingebroken, maar een kort verhaal erover gemaakt.

Madelief wandelde rustig over de stoep richting haar huis, haar papieren tas vol met boodschappen tikte tegen haar heup. In haar handen hield ze een beker met koffie vast.
De zon had zich verscholen achter de wolken, maar de vogels floten en haar humeur was op een ongekend hoogtepunt. Tot haar blik viel op haar buurman die in de deuropening stond.
Hij stond daar, half in de schaduw. Zijn rood-met-zwarte hoodie hing losjes om zijn schouders en hij nipte van een kop alsof hij de hele wereld bezat. Madelief kneep haar ogen tot spleetjes.
Ze kende hem nog niet goed genoeg; hij was enkele weken geleden hier komen wonen. Haar woning en de zijne waren gescheiden door een brandgang, schuttingen en enkele planten.
Vanaf het begin had Madelief al het gevoel dat hij iets verborg. De grote verbouwing die hij had gedaan in zijn woning. Dat hij er overdag uit kon zien als een zwerver en ’s avonds zijn woning verliet in een Armani-pak en aangezien hij één van de nieuwste wagens voor de deur had staan. Ze had haar oordeel al klaar.
Hij heeft vast iets duurs in huis, dacht ze. Hij lijkt me wel zo’n rijke stinkerd die zo “gewoon” mogelijk wil zijn.
Ze begon langzamer te wandelen en pakte haar sleutels uit haar jaszak.
Misschien een vintage platenspeler, of een collectie van dure dranken of een zeldzame collectie postzegels. Rijke mensen houden van dat soort verzamelingen.
Ze keek naar zijn voordeur. Geen alarmstickers. Geen camera. De heg bood uitstekende dekking.
Als ik in het donker achter de heg verschuil, kan ik ongezien naar de zijkant van de woning sluipen. Via de voordeur word ik betrapt, dat is te veel in het zicht. Maar wat zou ik dan doen?
Ze keek naar de schutting. Het was oud en verweerd, maar de planken leken nog stevig genoeg. Ze zou erop kunnen klimmen om zo achter de woning te komen. Ze had al eens vanuit haar eigen raam in zijn tuin gekeken. De tuin had dezelfde indeling als de hare, een klein houten tuinhuisje en dan een direct pad naar de achterdeur. Ze bedacht zich dat de binnenkant er misschien wel anders uit zou zien door de verbouwing. Te oordelen aan al het gehamer en gebreek dat ze had gehoord, was er iets veranderd. Maar wat?
De achterdeur openbreken zou wel een uitdaging zijn. Ze had een meerpuntslot op haar eigen achterdeur laten aanbrengen toen ze er kwam wonen, deze zou ze niet gemakkelijk open kunnen krijgen. Wellicht zou ze een glassnijder mee moeten nemen om zo de sleutel, die hij ongetwijfeld aan de binnenkant in het slot had zitten, om te kunnen draaien. Als ze binnen was, zou ze voorzichtig te werk moeten gaan.
Ze begon zacht te lachen bij de gedachte aan zichzelf als een soort vrouwelijke Danny Ocean. Ze zou niet inbreken, maar de gedachten eraan zorgden al voor een endorfineboost. Tot haar ogen weer naar de man afdwaalden. Hij keek haar recht aan.
Madelief verstijfde. Oh nee. Had hij haar gehoord? Had ze hardop tegen zichzelf gepraat? Nee toch? Of wel?

De man nam nog een slok koffie, zijn ogen onverstoorbaar op haar gericht. Zijn gedachten draaiden langzaam warm.
Hm, wat een vreemd mens. Ze staart wel heel lang naar mij. Zou ze iets willen? Of… denkt ze eraan in te breken?
Hij kantelde zijn hoofd lichtjes.
Ach, ze kon het proberen. De valkuil in de gang was net nieuw en het meerpuntslot bij de achterdeur bood voldoende bescherming. Zijn “verzameling” bevond zich in de kelder en daar waren meer dan genoeg zaken die haar tegen zouden houden.
Hij nipte rustig verder.
Hij had het bewust al anders aangepakt toen hij hier kwam wonen. In zijn vorige woning had hij het verpest toen hij met plastic zeil aan de gang moest en het een smeerboel werd. Hij had gezworen dat het niet weer zou gebeuren.
Zou hij toch nog meer zaken moeten aanbrengen om zijn “verzameling” te beschermen? Misschien gewoon klassiek of toch ouderwets? Nee, nee, we moeten vernieuwen. Innovatief zijn. Misschien iets met ratelslangen? Of laserstralen. Kun je laserstralen kopen?
‘Dag buurvrouw,’ zei hij met een kleine glimlach.
Madelief slikte. Ze trok haar tas wat steviger tegen zich aan en stak de sleutels in het slot van haar voordeur.
‘Dag buurman,’ zei ze zacht.
De man keek haar na, terwijl ze haar woning binnenstapte en de deur sloot.
Pas maar op, voor je het weet, word je de muze van een psychopaat.

© Bernadette Lugies 2025