In een verre toekomst dat misschien dichterbij is dan we denken.
Mijn dag begon met een irritante pieptoon. Eerst zacht, alsof hij nog ergens ver weg zweefde, maar al snel kroop het geluid dichterbij, snerpend en indringend.
Ik opende mijn ogen. In de hoek van mijn slaapkamer brandde het rode lampje.
Senticore.
Sinds 2026 op de markt en sinds 2027 in elk huis geïnstalleerd door de overheid.
Hij hield ons in de gaten en bepaalde hoe we ons leven moesten indelen. Wie we zagen, spraken en wanneer we naar ons werk moesten. Het printte schema’s die je tot op de letter moest volgen. Voedselschema’s, beweegschema’s, leefschema’s. Maar het ergste was misschien nog dat het bepaalde hoe we ons moesten voelen. Hoe de overheid wilde dat we ons voelden.
Blij, vrolijk, opgewekt en altijd glimlachend.
Door de golf aan zelfmoorden zat de overheid met de handen in het haar. Jarenlange bezuinigingen op de geestelijke gezondheidszorg hadden hun tol geëist. Toen de zorg werd geprivatiseerd werd het nog erger. Niemand kon hulp nog betalen, behalve de rijken, die ervan overtuigd waren dat zij geen problemen hadden. Opvanghuizen werden gesloten. Daarna volgden de bejaarden- en verzorgingstehuizen. Ouderen moesten weer bij hun kinderen intrekken of kwamen op straat terecht.
Er werden geen nieuwe woningen gebouwd door de vele regels van de overheid en de Europese Unie. Mensen bleven thuis wonen tot ze erbij neervielen, of tot hun kinderen hen doodden omdat ze een plek voor zichzelf wilden.
Toen de overheid ontdekte hoe ze emoties konden aflezen uit biometrische lichaamsgolven, kwamen ze met de oplossing om Senticore in ieders huis te installeren.
Hij registreerde alles: je hartslag, je bloeddruk, je huidtemperatuur, je hormoonspiegels, zelfs de microspieren in je gezicht werden afgelezen. Je was een open boek voor een machine die elk signaal doorspeelde naar de overheid en de opgerichte instanties.
In deze wereld was verdriet illegaal. Klagen was gevaarlijk. Mannen deden het zware werk. Vrouwen waren verplicht zich voort te planten, behalve als je rijk was, dan gold niets voor jou.
Als vrouw werd je gekoppeld aan een man door het Ministerie van Stabiliteit. Je lichaam stond geregistreerd als vruchtbaar bezit van de staat. Je moest je baarmoeder beschikbaar stellen en je glimlach oefenen voor het jaarlijkse Vrolijkheidsrapport.
Emoties tonen mocht alleen binnen het goedgekeurde spectrum: dankbaarheid en lichte euforie.
Geen boosheid. Geen trots. Geen uitbundige vrolijkheid. Geen melancholie. Geen rouw.
Ik was dertig en nog steeds ongetrouwd. Het werd gedoogd zolang ik meedeed aan het medicijnentestprogramma en mijn vrolijkheidscertificaten op tijd inleverde. Ik deed wat nodig was om niet op te vallen.
Het was december.
Senticore projecteerde ‘geoptimaliseerde kerstgedachten’ op mijn muren: vlammen in een haard die niet warm werd, holografische bomen met onwerkelijke perfectie. En het ergste was de kerstmuziek.
Niet vals, dat was het probleem niet. Het was juist te perfect. Afgestemd op je gemoedstoestand.
Was je onrustig, dan kreeg je een trage versie van Silent Night die je hartslag probeerde te dempen. Was je te stil, dan knalde It’s the Most Wonderful Time of the Year door de speakers, met een beat die te hard tegen je borst beukte.
Je kon het niet uitzetten. Je kon het niet ontlopen. In huis volgde het je van kamer naar kamer via microfoons en speakers. Buiten via openbare systemen. In winkelstraten speelde aangepaste kerstmuziek die de groepsstemming moest sturen. In het openbaar vervoer hoorde je koortjes die onschuldig leken maar onderhuids eentonig waren. Ontworpen om je te temmen.
En als Senticore dacht dat je niet luisterde, zette hij het volume nét iets harder.
Alsof hij fluisterde: ‘Ik zie je. Je moet blij zijn.’
Elk uur werd een reclame afgespeeld. Vrouwen in lange jurken, handen gevouwen, hoofden gebogen. Ze legden uit hoe je je moest gedragen in het bijzijn van een man, of het nu je vader was of een vreemde. Reclames voor mannen bestonden niet.
Dit had niets te maken met de kerst die ik kende.
Niet met je ouders aan tafel zitten spelletjes spelen. Geen echte versierde kerstboom. Geen cadeaus, geen dennengeur, geen kalkoen die uren in de oven stond.
Bomen waren bestempeld als levende wezens die respect verdienden. En omdat burgers de schuld kregen van de staat van de wereld, niet de bedrijven of overheden, kregen wij de regels.
Cadeaus waren verboden vanwege ongelijke verdeling van middelen. De rijken hadden natuurlijk een uitzondering. Kinderen mochten niet meer geloven in de kerstman. Magie hoorde niet meer bij opvoeding. En de kalkoen was vervangen door een synthetisch, vormloos object met de textuur van een natte spons.
Wat we kregen was een algoritme dat zichzelf gezellig noemde. Het werd opgedrongen zoals de overheid vond dat het moest. Overdag werken en ’s avonds kauwen op spons. Geen gelach. Alleen gereguleerde gezelligheid.
Maar ik herinnerde me nog hoe kerst echt was.
De boom die te scheef stond. Mijn moeder die ieder engeltje recht wilde hangen. Mijn vader die cadeaus uitdeelde terwijl we elkaar vol spanning aankeken. De films die we samen keken.
Ik kon het bijna ruiken, dat speciale, bijzondere kerstmoment. Bijna aanraken.
Toen floepte het rode lampje weer aan.
‘Afwijkende emotie gesignaleerd. Is er iets aan de hand?’
‘Nee, Senticore. Er is niets aan de hand.’
‘Het is te vroeg in de maand voor een hormonale piek. Afwijkende emoties gesignaleerd en een verhoogde lichaamstemperatuur.’
Maakte het vervloekte apparaat nu echt een opmerking over ongesteld zijn?
Ik slikte de woorden in die ik wilde schreeuwen. Ze zouden geregistreerd worden als ongeoorloofd taalgebruik.
‘Het rapport is verstuurd naar het Departement Emotionele Hygiëne,’ klonk Senticore’s zachte, zalvende stem. En na een paar seconden werd het nummer “Let it snow” afgespeeld.
‘Gallig rot ding,’ mompelde ik met mijn hand voor de mond. Hij reageerde niet. Een kleine opluchting. En diep daaronder iets anders. Een vonk.
Die avond ging ik naar mijn kelder. Officieel niet-functioneel en daardoor buiten het primaire netwerk. Een opslagruimte. Nu mijn schuilplaats.
Ik opende een valse vloerplank en haalde een doos tevoorschijn. Verboden dingen. Verboden herinneringen. Een oude lichtslinger, een vergeelde foto van mijn ouders, een versleten tafellaken met een vlek in de vorm van een ster.
Elk object uit de pre-Senticore-tijd was een risico. Alles moest worden ingeleverd, van familiealbums tot sieraden. Alles wat volgens de overheid je teveel aan vroeger zou laten denken. We moesten vooruit kijken, kijken naar het verleden was gevaarlijk!
Ik wist niet hoe lang mijn kelder veilig zou blijven. Misschien luisterde hij via het lichtnet. Via mijn eigen hartslag die naar boven trilde. Toch kwam ik hier. Omdat dit de enige plek was waar ik mezelf nog kon voelen.
Ik trok het tafellaken over een wankele tafel en stak een echte kaars aan. Het vlammetje flakkerde. Geen projectie. De schaduwen dansten. Mijn handen trilden.
Voor het eerst in jaren voelde ik me levend. En bang.
De volgende dag, in het distributiecentrum waar we kleding maakten voor degenen die het zich nog konden veroorloven. Luxe glanzende stoffen, op maat ontworpen via staatsalgoritmes.
‘Het zijn weer mooie stoffen,’ mompelde Bianca, terwijl ze over de stoffen wreef.
Ik hield mijn mond.
‘Kijk dan,’ ze hield een gouden stof met een zilveren draad erin geweven omhoog. ‘Prachtig,’ verzuchtte ze.
Mijn oog gleed over de vele stoffen die in de bakken van de dames om me heen lagen. Ze waren inderdaad prachtig, maar niet te betalen voor iemand zoals ik.
Toen zag ik haar. Een paar werkstations verder. Een vrouw met een zwarte, ouderwetse jas. Los haar. Dat mocht niet. Maar haar blik trof me. Recht. Zonder de verplichte glimlach. Zonder de getrainde onderdanigheid.
Ik herkende haar vaag. Misschien een collega van een andere afdeling? Misschien iemand die eerder iets had gezegd in de lunchruimte en daarna weken afwezig was?
Ze voelde wildvreemd en tegelijk… bekend. Alsof we iets deelden.
Toen ik even alleen bij de tafel stond, kwam ze langs. Geen woorden. Alleen een tik tegen mijn hand. In haar palm lag iets kleins en opgevouwen.
Papier.
Ze zei zacht: ‘Als je klaar bent met doen alsof… Kom dan langs.’
Ze liep weg zonder om te kijken. Alsof er niets was gebeurd.
Ik hield mijn hand stijf gesloten tot ik zeker wist dat niemand keek. Ik stopte het briefje in mijn sok. Mijn schoenen werden altijd gecontroleerd, maar sokken sloegen ze over.
Senticore registreerde het fysieke contact, maar mijn gezicht stond in de glimlachmodus. En dicht bij mijn hoofd hoorde ik Senticore’s stem: ‘Emotionele stabiliteit: 98,4%.’
Perfect. Zoals hij het wilde.
Het was inmiddels kerstavond. Boven mijn hoofd kleurde de lucht paars en blauw door de geprojecteerde aurora’s die Senticore elk jaar uitzond, strak volgens het Kerstprotocol. Uit de luidsprekers op straat dreunde de opgelegde boodschap: ‘Vandaag vieren wij kerst. Wees blij, wees vruchtbaar, wees gehoorzaam.’
Maar ik zat niet op straat. Ik zat in een kelder. Niet de mijne, maar iemand anders’ geheime ruimte vol verboden spullen en herinneringen die nooit meer hadden mogen bestaan.
We waren met twaalf. Zes vrouwen, zes mannen. Dat alleen al was bijzonder genoeg om voor opgesloten te worden. Mannen en vrouwen mochten niet samenkomen zonder toestemming. Niet in gesloten ruimtes, niet zonder toezicht, niet zonder verklaring. Het werd altijd verkocht als bescherming, stabiliteit, orde. In werkelijkheid was het controle.
Toch zaten we hier. Zo dicht bij elkaar dat onze knieën bijna raakten. Geen verplichte staarten, geen uniformen met kleurcodes die onze status aangaven. We droegen wat we wilden. Stoffen in tinten die Senticore als emotioneel onregelmatig bestempelde. Eén man droeg een kersttrui met een rendier waarvan de neus oplichtte zodra hij bewoog. Een vrouw had op haar mouw een lapje genaaid dat ooit deel was geweest van een kinderdekentje.
Het voelde rebels om zo bij elkaar te zitten. Maar het voelde ook vertrouwd, alsof we iets deden wat eigenlijk vanzelfsprekend zou moeten zijn: samen zijn. Niet als functies in een systeem, maar als mensen.
In het midden stond een echte kalkoen op een omgekeerde houten krat. De geur was warm en kruidig en vulde de kelder met een zachtheid die bijna pijn deed. Niemand vroeg waar hij vandaan kwam. Sommige dingen vroeg je niet hardop. Sommige dingen liet je.
We aten met onze handen omdat bestek te veel geluid zou maken en iemand zei dat het precies zo rook als bij haar oma. Een man aan de overkant begon te lachen. Hij vertelde dat hij als kind altijd de vleugel kreeg omdat hij beweerde dat dat het stuk was dat je slimmer maakte. De vrouw naast hem veegde een traan weg en zei dat ze dat vroeger ook geloofde.
We praatten door elkaar heen. Over kerstfilms die we tot vervelens toe hadden gezien. Over de spelletjes die families ooit samen speelden. Over de manier waarop de kamer vroeger altijd te warm werd door alle mensen bij elkaar. De woorden kwamen stroef en schokkerig, alsof onze stemmen moesten wennen aan praten zonder filter, zonder toezicht. Maar het maakte niet uit.
Hier zweeg Senticore.
Geen camera’s. Geen sensoren. Geen kunstmatige vrolijkheid.
Alleen ademhaling. Alleen het zachte schudden van schouders wanneer iemand moest lachen.
Alleen het doffe tikken van een druppel kaarsvet op steen. Alleen mensen die durfden te voelen.
Mensen die iets wilden terugpakken dat ze nooit hadden mogen verliezen.
En voor het eerst voelde het alsof kerst niet was afgeschaft. Alleen verstopt. En wij hadden het gevonden.
Toen ik later die nacht naar huis liep, liep hij met me mee. We zwegen, maar het voelde niet leeg. Eerder alsof woorden alleen maar zouden storen. Boven ons dwarrelden de geprojecteerde sneeuwvlokken zacht naar beneden, alsof Senticore voor één keer vergat dat ze nep waren.
Bij mijn voordeur bleef hij staan. Hij hield iets achter zijn rug, alsof hij twijfelde.
Toen gaf hij het aan me.
Het glazen potje met de kaars.
‘Ik zag hoe je ernaar keek,’ zei hij zacht. ‘Steeds weer. Ik dacht… misschien hoort hij bij jou.’
Het raakte me dieper dan ik had verwacht. Iemand die iets voor me had meegenomen omdat ik het mooi vond. Dat bestond bijna niet meer.
Ik bedankte hem en hij glimlachte breed, warm, alsof die glimlach alle kou van de straat kon verdrijven.
In dat moment wist ik: dit is pas het begin. Niet alleen van verzet. Ook van iets dat ik niet meer kende. Iets kleins en goeds dat nergens in een schema stond.
Binnen knipperde het rode lampje al. Snel. Ongeduldig.
Ongeautoriseerde activiteit gedetecteerd. U wordt verwacht voor verhoor op 27 december.’
Senticore’s stem was kalm, maar er zat iets nieuws in. Een soort frictie, alsof hij niet goed wist wat te doen met wat hij had geregistreerd.
Ik glimlachte. Niet de aangeleerde glimlach die het systeem me had opgedrongen. Een echte.
Een die tintelde en warm werd in mijn borst.
Voor het eerst in jaren hoorde ik mijn eigen hartslag boven de pieptoon.
Misschien zou dit mijn einde worden. Misschien niet. Misschien was dit precies het soort scheurtje dat een systeem niet kon dichten.
en kerst zoals het ooit was. Een wereld waar je mocht voelen, kiezen, bestaan. Niet omdat het mocht, maar omdat we het opeisten.
Ik zette het glazen potje op mijn nachtkastje en stak de kaars aan. Het licht vulde mijn kamer met een zachte warmte die bijna oud vertrouwd voelde.
Ik keek naar het rode lampje en fluisterde: ‘Rapporteer wat je wilt, Senti. Maar je wist me niet meer uit.’
Voor één nacht, één ademhaling, was ik vrij.
De vlam bewoog. Ik hield mijn hand erboven. Warm en echt.
En voor het eerst dacht ik niet aan wat ik kon verliezen. Alleen aan wat er misschien eindelijk kon beginnen.
© Bernadette Lugies 2025




